Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:4162

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
23-04-2020
Datum publicatie
08-05-2020
Zaaknummer
10/109862-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Art. 184a Sr. Overtreding van de opgelegde gedragsaanwijzing ex art. 509hh Sv, inhoudende dat minimaal 1,5 meter afstand moet worden gehouden van personen, waaronder concreet benoemde personen. Verweren betreffende de geldigheid en proportionaliteit van de gedragsaanwijzing zijn afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

POLITIERECHTER

SuperSnelRecht

Parketnummer: 10/109862-20

Datum uitspraak: 23 april 2020

Tegenspraak

(De verdachte is - in verband met de uitbraak van het Coronavirus - niet op de zitting verschenen, maar door middel van videoverbinding gehoord.)

Vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren op [geboortedatum verdachte] te [geboorteplaats verdachte] ( [geboorteland verdachte] )

adres: [adres verdachte] , [woonplaats verdachte] , [land] ,

raadsman mr. A.M.V. Bandhoe namens mr. J.S. Dobosz.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 23 april 2020 (supersnelrecht).

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding.

De verdachte is ten laste gelegd dat:

1

zij, op of omstreeks 21 april 2020 (omstreeks 8:05 uur), te Rotterdam, opzettelijk heeft gehandeld in strijd met de gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van Strafvordering, te weten de gedragsaanwijzing d.d. 15 april 2020 gegeven door de officier van justitie te Rotterdam kort weergegeven inhoudende dat zij, verdachte, zich zal onthouden om binnen een straal van 1,5 meter te komen van personen waaronder de personen [naam persoon 1] , geboren op [geboortedatum persoon 1] te [geboorteplaats persoon 1] in [land] en/of [naam persoon 2] , geboren op [geboortedatum persoon 2] te [geboorteplaats persoon 2] in [land] door zich op straat, binnen een straal van 1,5 meter van voornoemde personen [naam persoon 1] en/of [naam persoon 2] op te houden;


2

zij, op of omstreeks 21 april 2020 (omstreeks 20:10 uur), te Rotterdam, opzettelijk heeft gehandeld in strijd met de gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van Strafvordering, te weten de gedragsaanwijzing d.d. 15 april 2020 gegeven door de officier van justitie te Rotterdam kort weergegeven inhoudende dat zij, verdachte, zich zal onthouden om binnen een straal van 1,5 meter te komen van personen door zich op straat, binnen een straal van 1,5 meter van personen, waaronder [naam persoon 3] en/of [naam persoon 4] op te houden;

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. I.C.M.E. Meissen heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van zowel het tenlastegelegde feit 1 als feit 2;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 weken, waarvan 3 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van de dagen die verdachte in verzekering heeft doorgebracht. Daarbij als bijzondere voorwaarde verbonden aan de voorwaardelijke straf: een contactverbod met de personen genoemd in de tenlastelegging, met dadelijke uitvoerbaarheid daarvan.

  • -

    een bevel tot gevangenneming van de verdachte op grond van het recidivegevaar.

4. Gevoerde verweren

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte stelt zich ten aanzien van feit 2 op het standpunt dat de gedragsaanwijzing zo moet worden gelezen dat deze enkel geldt ten aanzien van de daarin met name genoemde personen, aangezien een gedragsaanwijzing altijd een concreet persoon dient te betreffen. Nu de tenlastelegging van feit 2 niet ziet op met name genoemde personen in de gedragsaanwijzing, moet vrijspraak volgen voor dit feit.

Daarnaast stelt de raadsman zich op het standpunt dat voor beide feiten vrijspraak dient te volgen, omdat de gedragsaanwijzing disproportioneel is. De gedragsaanwijzing kan naar mening van de raadsman alleen proportioneel zijn als deze is gericht op concrete personen, omdat de wet met artikel 443 Wetboek van Strafrecht (Sr) al voorziet in een algemene strafbaarstelling van het overtreden van de noodverordering die inhoudt dat minimaal 1,5 meter afstand moet worden gehouden van personen in het algemeen. Maar ook als de gedragsaanwijzing zo moet worden gelezen dat deze enkel geldt ten aanzien van de in die aanwijzing concreet genoemde personen, is deze naar mening van de raadsman disproportioneel, omdat de verdachte niet steeds in aanwezigheid van deze personen is geweest.

De beoordeling

Anders dan de verdediging is de politierechter van oordeel dat de gedragsaanwijzing voor de verdachte geldt ten aanzien van alle personen en niet enkel ten aanzien van de in die aanwijzing genoemde concrete personen. In de gedragsaanwijzing is immers opgenomen dat de verdachte zich ervan dient te onthouden binnen een straal van 1,5 meter te komen van personen, waaronder de in die aanwijzing genoemde concrete personen. Weliswaar wordt een gedragsaanwijzing veelal opgelegd ten aanzien van concreet genoemde personen in een situatie van huiselijk geweld, maar de wet verzet zich niet tegen het breed opleggen van een gedragsaanwijzing. Daarbij komt dat het doel van het opleggen van de onderhavige gedragsaanwijzing aan verdachte, ook overeenkomt met het doel waarvoor de maatregel in het leven is geroepen, te weten een einde maken aan openbare orde verstorend gedrag.

Met de officier van justitie is de politierechter van oordeel dat uit de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 2007/2008, 31 467, nr. 3) blijkt dat een gedragsaanwijzing mag worden opgelegd wanneer sprake is van een verdenking van een strafbaar feit waardoor de openbare orde ernstig is verstoord en waarbij grote vrees voor herhaling bestaat.

Artikel 2.2. van de Noodverordening heeft als doel het beschermen van de volksgezondheid. Overtreding leidt tot ernstige verstoring van de openbare orde doordat de volksgezondheid daarmee in het gedrang komt.

Op grond de processen-verbaal met nummers [nummer proces-verbaal 1] , [nummer proces-verbaal 2] en [nummer proces-verbaal 3] concludeert de politierechter dat er voldoende concrete aanwijzingen zijn dat de verdachte voorafgaand aan de uitreiking van de gedragsaanwijzing meermalen artikel 2.2. van de Noodverordening heeft overtreden door niet de 1,5 meter afstandsregel te hanteren, terwijl zich geen uitzondering voordeed zoals genoemd in art. 2.2. lid 2 van de Noodverordening. De politierechter ziet in de hoeveelheid aan waarschuwingen en processen-verbaal voor overtreding van artikel 344 Sr die de verdachte in de dagen voorafgaand aan het uitreiken van de gedragsaanwijzing heeft gekregen, voldoende basis voor het aannemen van een grote vrees voor herhaling. Kennelijk, is - anders dan de raadsman betoogt - artikel 443 Sr niet toereikend in het geval van de verdachte aangezien zij meermalen op het niet voldoende afstand houden is aangesproken maar toch in de fout blijft gaan.

Gelet op het voorgaande acht de politierechter het opleggen van de gedragsaanwijzing aan de verdachte proportioneel. Dat de verdachte niet continue in het bijzijn van de in de tenlastelegging van feit 1 genoemde personen is (geweest), maakt dat niet anders.

Conclusie
De politierechter verwerpt de verweren.

5. De bewijsmiddelen en de bewezenverklaring

Hieronder heeft de politierechter de inhoud van de bewijsmiddelen opgenomen.

De inhoud van de hieronder gebezigde bewijsmiddelen is telkens zakelijk weergegeven.

Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal van politie is - tenzij anders vermeld - bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. De bewijsmiddelen gelden slechts voor de bewezenverklaring van de feiten waarop zijn blijkens hun inhoud betrekking hebben.


Bewijsmiddelen

A. Een schriftelijk stuk, te weten een gedragsaanwijzing ter beëindiging van ernstige overlast d.d. 15 april 2020, inhoudende:

De officier van justitie in het arrondissement Rotterdam, gezien het proces-verbaal van de politie eenheid Rotterdam, proces-verbaal nr. [nummer proces-verbaal 4] , overwegende dat de verdachte

naam: [naam verdachte]

geboortedatum en plaats: [geboortedatum verdachte] te [geboorteplaats verdachte] ( [geboorteland verdachte] )

adres en woonplaats: Zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland

verdacht wordt van overtreding van de Noodverordening (art. 443 Wetboek van Strafrecht) en dat tegen verdachte ernstige bezwaren bestaan terzake één of meer strafbare feiten in verband waarmee vrees bestaat voor ernstig belastend gedrag van de verdachte jegens een persoon of personen, hetgeen onder andere blijkt uit het proces-verbaal van politie o.a. inhoudende:

- proces-verbaal van bevindingen met proces-verbaalnummer [nummer proces-verbaal 1] ;

- proces-verbaal van bevindingen met proces-verbaalnummer [nummer proces-verbaal 2] ;

- proces-verbaal van bevindingen met proces-verbaalnummer [nummer proces-verbaal 3] .

Beveelt de verdachte:

Contactverbod

Zich ervan te onthouden binnen een straal van 1,5 meter te komen van personen, waaronder:

- de heer [naam persoon 1] , geboren op [geboortedatum persoon 1] te [geboorteplaats persoon 1] ( [land] );

- de heer [naam persoon 2] , geboren op [geboortedatum persoon 2] te [geboorteplaats persoon 2] ( [land] ).

De gedragsaanwijzing gaat in met ingang van 15 april 2020 en blijft van kracht voor een periode van 30 dagen t/m 14 mei 2020.

Proces-verbaal van bevindingen (met nummer: [nummer proces-verbaal 5] ) opgesteld door verbalisanten [naam verbalisant 1] en [naam verbalisant 2] , voor zover relevant inhoudende:

Op dinsdag, 21 april 2020, omstreeks 08:05 uur te Rotterdam zagen wij een groep van zes personen dichtbij elkaar stonden. We zagen dat zij geen 1,5 meter afstand van elkaar hielden. Omstreeks 08:20 uur hielden hij het groepje staande op basis van het overtreden van de Noodverordening. Wij zagen dat het groepje niet van samenstelling was veranderd en wederom niet de 1,5 meter afstand van elkaar hanteerden. Wij namen tevens waar dat het groepje:

  • -

    geen wettelijk verplichte bijeenkomst betrof;

  • -

    de samenkomst niet noodzakelijk was voor continuering van een instelling of bedrijf;

  • -

    geen uitvaart of huwelijk betrof;

  • -

    geen religieuze dienst betrof.

Wij vorderden van allen een geldig op hun naam staand identiteitsbewijs aan ons ter inzage te tonen. Zij bleken te zijn genaamd:

1. [naam persoon 1] , geboren op [geboortedatum persoon 1] te [geboorteplaats persoon 1] ( [geboorteland verdachte] );

2. [naam verdachte] , geboren op [geboortedatum verdachte] te [geboorteplaats verdachte] ( [land] );

5. [naam persoon 2] , geboren op [geboortedatum persoon 2] te [geboorteplaats persoon 2] ( [land] ).

Proces-verbaal van bevindingen (met nummer: [nummer proces-verbaal 6] ) opgesteld door verbalisanten [naam verbalisant 3] en [naam verbalisant 4] , met bijlage, voor zover relevant inhoudende:

Op 21 april 2020 omstreeks 20:13 uur te Rotterdam hebben wij [verbalisanten [naam verbalisant 5] en [naam verbalisant 6] ] geconstateerd dat een groep zich ophield zonder een afstand van tenminste 1,5 meter van elkaar te houden. Vervolgens hebben wij de personen, die deel uitmaakte van de groep personen, staande gehouden en gevraagd naar hun identiteitsgegevens.

Persoon 1:

Naam: [naam persoon 3]

Adres: (Geen)

Woonplaats: (Geen)

Persoon 2:

Naam: [naam persoon 4]

Adres: (Geen)

Woonplaats: (Geen)

Persoon 3:

Naam: [naam verdachte]

Adres (Geen)

Woonplaats: (Geen)

De identiteitsgegevens zijn door ons, verbalisanten, geverifieerd aan de hand

van een door de verdachte verstrekte identiteitsbewijzen.

bewezenverklaring

Op grond van de hiervoor opgenomen inhoud van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de laste gelegde feiten heeft begaan op die wijze dat:

1

zij, op 21 april 2020 (omstreeks 8:05 uur), te Rotterdam, opzettelijk heeft gehandeld in strijd met de gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van Strafvordering, te weten de gedragsaanwijzing d.d. 15 april 2020 gegeven door de officier van justitie te Rotterdam kort weergegeven inhoudende dat zij, verdachte, zich zal onthouden om binnen een straal van 1,5 meter te komen van personen waaronder de personen [naam persoon 1] , geboren op [geboortedatum persoon 1] te [geboorteplaats persoon 1] in [land] en [naam persoon 2] , geboren op [geboortedatum persoon 2] te [geboorteplaats persoon 2] in [land] door zich op straat, binnen een straal van 1,5 meter van voornoemde personen [naam persoon 1] en [naam persoon 2] op te houden;


2

zij, op 21 april 2020 (omstreeks 20:10 uur), te Rotterdam, opzettelijk heeft gehandeld in strijd met de gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van Strafvordering, te weten de gedragsaanwijzing d.d. 15 april 2020 gegeven door de officier van justitie te Rotterdam kort weergegeven inhoudende dat zij, verdachte, zich zal onthouden om binnen een straal van 1,5 meter te komen van personen door zich op straat, binnen een straal van 1,5 meter van personen, waaronder [naam persoon 3] en [naam persoon 4] op te houden;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

6. Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

Feit 1 en feit 2:

opzettelijk handelen in strijd met een gedragsaanwijzing, gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van Strafvordering.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.

7. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

8. Motivering strafoplegging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich tweemaal schuldig gemaakt aan het opzettelijk in strijd handelen met een gedragsaanwijzing. De gedragsaanwijzing had het primaire doel om de verdachte ervan te weerhouden de 1,5 meter afstand tot personen te overschrijden. Nederland verkeert momenteel in een zeer onzekere tijd vanwege de Coronacrisis. Thans bestaat er geen vaccin tegen dit virus en maakt dit virus dagelijks slachtoffers, waarbij het in sommige gevallen noodlottig afloopt. Ondanks herhaaldelijke waarschuwingen en tegen zich opgemaakte processen-verbaal, nam de verdachte niet haar verantwoordelijkheid doordat zij zich herhaaldelijk niet heeft gehouden aan de 1,5-meter afstand norm. Integendeel zelfs. De verdachte heeft de norm twee keer op dezelfde dag overtreden, waarvan de tweede keer slechts een half uur nadat zij van het politiebureau was heengezonden. Het gebrek aan inzicht van de verdachte in het niet nemen van haar verantwoordelijkheid vindt de politierechter stuitend.

Een forse straf is gelet op de ernst van deze feiten in de huidige omstandigheden op zijn plaats. De politierechter oordeelt een andere straf dan gevangenisstraf, gelet op de ernst van de feiten, niet aan de orde.

Bij het bepalen van de hoogte van de gevangenisstraf sluit de politierechter in beginsel aan bij de gevangenisstraffen die doorgaans in zaken betreffende het overtreden van gedragsvoorwaarden worden opgelegd. Daarbij neemt de politierechter echter als strafverhogend mee dat de verdachte niet haar verantwoordelijkheid heeft genomen in de strijd tegen het coronavirus en het feit dat de tweede overtreding van de gedragsaanwijzing zeer kort volgde op de eerste.

Bij het opleggen van de straf houdt de politierechter ook rekening met het feit dat de verdachte dakloos is en zich zodoende wel op straat moet ophouden en niet kan thuisblijven. Dit is in de strafmaat als enigszins matigende omstandigheid meegenomen.

Anders dan de officier van justitie ziet de politierechter overigens geen aanleiding voor het opleggen van een voorwaardelijk strafdeel met de bijzondere voorwaarde van een contactverbod met de in de gedragsaanwijzing genoemde personen voor de duur van de proeftijd. De politierechter acht het namelijk niet opportuun de verdachte een algeheel contactverbod met die mensen op te leggen, ongeacht de te houden afstand. Dit eens te meer nu het nog onzeker is voor hoe lang de 1,5 meter norm nog zal gelden ten aanzien van een ieder.

9. Voorlopige hechtenis

De gevangenneming van de veroordeelde wordt bevolen op grond van het recidivegevaar. Het bevel is separaat geminuteerd.

Het bevel tot voorlopige hechtenis van de veroordeelde wordt opgeheven met ingang van de dag waarop de totale duur van de tot dan toe ondergane verzekering en voorlopige hechtenis gelijk is aan het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf.

10. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 57 en 184a van het Wetboek van Strafrecht.

11. Beslissing

De politierechter:

verklaart bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

spreekt de verdachte vrij van het meer of anders ten laste gelegde;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 weken;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

beveelt de gevangenneming van de verdachte;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur daarvan gelijk wordt aan de duur van de opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. K. Bakker, politierechter, in tegenwoordigheid van A.E.S. Heijnen, griffier,

en mondeling uitgesproken op de openbare terechtzitting van de politierechter op 23 april 2020.