Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:4149

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
05-03-2020
Datum publicatie
07-05-2020
Zaaknummer
10/661038-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan stelselmatig seksueel misbruik van zijn nichtje, die ten tijde van de aanvang van het misbruik 12 jaar oud was. Het misbruik heeft zich vervolgens over een periode van ruim 11 jaar uitgestrekt totdat het slachtoffer 23 jaar oud was en een relatie kreeg. Het dossier bevat geen aanwijzingen dat de misbruikherinneringen van de aangeefster spontaan en binnen een therapeutisch context zijn hervonden, zoals door de verdediging is bepleit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2020-0387
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/661038-19

Datum uitspraak: 5 maart 2020

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren op [geboortedatum verdachte] te [geboorteplaats verdachte] ( [land verdachte] ),

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] , [postcode verdachte] [woonplaats verdachte] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de penitentiaire inrichting Rijnmond, locatie Hoogvliet,

raadsman mr. M.D. Winter, advocaat te ’s-Gravenhage.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 13 februari 2020 en 5 maart 2020.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. B. van Heemst heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten 1 en 2;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van veertig maanden met aftrek van voorarrest, alsmede oplegging van de vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (Sr), inhoudende een contactverbod ten aanzien van de aangeefster en een locatieverbod rondom haar woning.

4 Ontvankelijkheid officier van justitie

4.1.

Standpunt verdediging

Aangevoerd is dat sprake is van een vormverzuim in de zin van artikel 359a van het

Wetboek van Strafvordering (Sv) en dat dit vormverzuim niet-ontvankelijkheid van het

Openbaar Ministerie tot gevolg moet hebben. Er is sprake van ten tijde van therapie

hervonden herinneringen van de aangeefster. Het gebruik van verklaringen die de vrucht

zijn van dergelijke hervonden herinneringen zijn voor het bewijs omstreden en moeten

daarom zeer zorgvuldig worden beoordeeld bij het verdere onderzoek. Dat is verzuimd.

Daarnaast gelden bij aangiftes van deze aard bijzondere protocollen voor het verdere

onderzoek en de te nemen vervolgingsbeslissing die niet zijn nageleefd.

4.2.

Beoordeling

Het verweer van de verdediging berust op de onjuiste aanname dat de

misbruikherinneringen van de aangeefster spontaan en binnen een therapeutische context

zijn hervonden, waarna de aangeefster tot disclosure en later aangifte is overgegaan. Het

dossier bevat daar geen aanwijzingen voor en de aangeefster verklaart zelf expliciet dat er

geen moment is geweest in haar leven dat zij het door haar gestelde misbruik volledig is

vergeten. Haar stellingen komen er in de kern op neer dat zij niet de herinneringen, maar

haar gevoelens daarbij heeft onderdrukt. Dat is iets wezenlijk anders. Het verweer wordt

daarom verworpen.

4.3.

Conclusie

De officier van justitie is ontvankelijk.

5 Waardering van het bewijs

5.1.

Bewijswaardering

5.1.1.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft vrijspraak van de ten laste gelegde feiten bepleit.

Daartoe is aangevoerd dat de verklaringen van de aangeefsters onvoldoende consistent zijn

en gebaseerd zijn op hervonden herinneringen. Dit maakt dat de verklaringen van de

aangeefster onvoldoende betrouwbaar zijn om in beslissende mate te kunnen bijdragen aan

een bewezenverklaring. Daarnaast ontbreekt steunbewijs. De verdachte verdenkt de

aangeefster ervan dat zij samen met zijn ex-vrouw, [naam ex-vrouw verdachte] , het misbruik heeft verzonnen

zodat die laatste de volledige voogdij over hun kinderen zou kunnen krijgen.

5.1.2.

Beoordeling

De rechtbank stelt voorop dat het hier gaat om de verdenking van ernstige zedendelicten,

waarbij - nu de verdachte volhardt in zijn ontkenning en de aangeefster volhardt in haar

beschuldigingen - uiterste zorgvuldigheid dient te worden betracht bij het beoordelen van de

uit het dossier naar voren komende feiten en omstandigheden.

Gelet op het hetgeen hiervoor uiteen is gezet, is niet aannemelijk geworden dat de herinneringen van de aangeefster over het misbruik zouden zijn hervonden onder invloed van therapie. Ook in de rest van het dossier ziet de rechtbank geen aanwijzingen dat de herinneringen van de aangeefster niet verwijzen naar authentieke gebeurtenissen en dat het hier zou gaan om pseudoherinneringen.

De rechtbank is van oordeel dat op basis van de wettige bewijsmiddelen is bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan.

De rechtbank komt tot die conclusie omdat zij de aangifte en de verklaringen die de

aangeefster naar aanleiding daarvan heeft afgelegd, geloofwaardig vindt en deze aangifte en

verklaringen ook steun vinden in andere bewijsmiddelen. Daartoe is het volgende

redengevend.

In de eerste plaats heeft de aangeefster zowel bij de politie, als bij de rechter-commissaris

uitvoerig en gedetailleerd de gebeurtenissen beschreven waaruit het misbruik heeft bestaan.

Daarbij heeft zij context aan haar verhaal gegeven door te vertellen over het contact binnen

de familie en de frequentie van dat contact. Ook heeft zij de verschillende locaties van het

misbruik beschreven, bij welke gelegenheden die locaties werden bezocht en welke

personen daarbij nog meer aanwezig waren. In de verklaring van de aangeefster zijn er vele

momenten geweest waarop zij alleen is geweest met de verdachte. Voorts heeft zij verklaard

over het opvliegende en (verbaal en fysiek) agressieve gedrag van de verdachte jegens haar

en de toenmalige echtgenote van de verdachte. De aangeefster deed haar verhaal eerst

tijdens een zogenoemd 'informatief gesprek zeden', op een later moment bij de aangifte en

weer later tijdens een (naar blijkt uit het proces-verbaal) uitvoerig verhoor bij de rechter-commissaris.

De rechtbank stelt vast deze verklaringen op vele punten, maar vooral in hun

hoofdlijn, consistent zijn en een beeld geven van systematisch en langdurig misbruik

waarbij de verdachte keer op keer aandrong en de aangeefster afwisselend in fases van

tegenzin en afkeer als zwakkere partij steeds meer zwichtte voor de initiatieven en

handelingen van de verdachte, haar oudere neef, en zelfs ging geloven dat het misbruik goed

was en dat zij het zelf ook leuk vond. Bijzonder aan de verklaringen van de aangeefster is

dat zij met een mate van terughoudendheid over het misbruik heeft gesproken en daarbij niet

alleen negatief over de verdachte heeft verklaard. Zo heeft zij ook verteld dat zij positieve

herinneringen heeft aan de leuke (niet-seksuele) activiteiten die de verdachte met haar

ondernam. Dit maakt haar verklaring genuanceerd, wat bijdraagt aan het beeld dat sprake is

van een betrouwbare verklaring omdat zij er niet op uit lijkt de verdachte ongunstiger te

beschrijven dan· hij werkelijk was. De simpele stelling van de verdachte dat hij zo vaak aan

het werk was dat er nauwelijks ruimte was voor contact met de familie, laat staan met voor

één-op-één contact met de aangeefster, is tegenover de uitvoerige beschrijving van de

aangeefster niet geloofwaardig. De rechtbank acht de verklaring van de aangeefster innerlijk

consistent.

In de tweede plaats wordt de verklaring van de aangeefster op voor de verdachte belastende

onderdelen bevestigd door andere getuigen en/of door (andere) informatie uit het dossier.

Een eerste bevestiging betreft het deel van de verklaring van de aangeefster dat zij veel bij

de verdachte en zijn toenmalige echtgenote, [naam ex-vrouw verdachte] , over de vloer kwam, onder meer om

op hun kinderen te passen, en dat het misbruik daar vaak plaatsvond als de echtgenote van

de verdachte onder de douche stond of lag te slapen. Zij heeft ook beschreven dat de

verdachte (verbaal en fysiek) agressief kon zijn naar zijn echtgenote. Van zijn kant heeft de

verdachte ontkend dat hij thuis was op de momenten dat de aangeefster bij hem thuis was

omdat hij - zoals hiervoor vermeld - altijd aan het werk was. De aangeefster zou vooral

voor zijn echtgenote langs zijn gekomen. De verdachte heeft ook ontkend dat hij agressief

was naar zijn toenmalige echtgenote. De verdenking zou volgens de verdachte valse

beschuldigingen betreffen. De verklaring van de getuige [naam ex-vrouw verdachte] ondersteunt echter de

verklaring van aangeefster. Deze getuige heeft immers verklaard dat de aangeefster

inderdaad kind aan huis was bij haar en de verdachte, dat haar opviel dat de verdachte de

aangeefster vaak vroeg om hem te helpen en dat zij dat dan altijd deed.

Daarin heeft [naam ex-vrouw verdachte] aanleiding gezien om de verdachte te vragen waarom de aangeefster

hem zo vaak hielp, waarop de verdachte tegen haar heeft gezegd dat de aangeefster

gevoelens voor hem had en dat zij verliefd was op de verdachte. [naam ex-vrouw verdachte] heeft toen gezegd

dat hij daar mee uit moest kijken. [naam ex-vrouw verdachte] heeft ook het deel van de verklaring van de

aangeefster bevestigd dat de verdachte verbaal en fysiek agressief was naar [naam ex-vrouw verdachte] .

Een tweede bevestiging is dat de aangeefster heeft verklaard op jonge leeftijd en vrij kort

achter elkaar twee abortussen te hebben moeten ondergaan, omdat zij zwanger was geraakt

van de verdachte als gevolg van het seksueel misbruik. De verdachte zou daarbij het

initiatief tot het organiseren van het bezoek aan de kliniek(en) hebben genomen.

In het dossier is bewijs voorhanden dat de aangeefster inderdaad twee abortussen heeft

ondergaan. Hoewel er verwarring bestaat over de data waarop de abortussen zijn uitgevoerd

en deze op zichzelf beschouwd niet doorslaggevend zijn voor de bewijsvraag, biedt dit wel

ondersteuning aan de verklaring van de aangeefster. Er zijn in het dossier geen aanwijzingen

dat de aangeefster op die jonge leeftijd seksuele omgang had met iemand anders dan de

verdachte.

Een derde bevestiging betreft de verklaring van de aangeefster dat zij op enig moment

chlamydia heeft opgelopen van de verdachte en dat ook zijn toenmalige echtgenote,

[naam ex-vrouw verdachte] , chlamydia van de verdachte had gekregen. Voorts bleek hun dochter bij de

geboorte een chlamydia-infectie te hebben gehad. Deze besmettingen zijn op grond van het

overige dossier aannemelijk en vormen steun voor de verklaring van de aangeefster.

Tot slot heeft de aangeefster nog verklaard dat de verdachte later nog altijd contact zocht

met haar, toen de verdachte een relatie had met getuige [naam getuige] . De verdachte heeft dit

ontkend. Evenwel heeft de getuige [naam getuige] bevestigd dat de verdachte en de aangeefster

app-contact met elkaar hadden. Wat opvalt is dat ook [naam getuige] , hoewel zij over het

algemeen positief heeft verklaard over de verdachte, aangeeft dat de verdachte verbaal en

fysiek agressief is (geweest) naar haar toe. Daarvan heeft zij aangifte gedaan en de

verdachte is toen ook veroordeeld voor huiselijk geweld. De verdachte blijft ook hier echter

volhouden dat het om een valse beschuldiging gaat. De verklaringen van de ex-vrouwen van

de verdachte ondersteunen elkaar erin dat hij agressief kon zijn in zijn relaties met vrouwen.

Daarmee winnen ze naar het oordeel van de rechtbank tevens aan betrouwbaarheid op de

punten waarin ze - onafhankelijk van elkaar - de verklaringen van de aangeefster

ondersteunen.

Tegenover al deze omstandigheden zijn de ontkennende verklaringen van de verdachte niet

overtuigend. Een aannemelijke reden voor de aangeefster om de verdachte, haar neef,

onterecht te belasten is niet naar voren gekomen.

De verdachte heeft stellig naar voren gebracht dat de aangeefster en [naam ex-vrouw verdachte] onder één

hoedje spelen om de verdachte zwart te maken en ervoor te zorgen dat [naam ex-vrouw verdachte] de

volledige voogdij over hun dochter krijgt. Voor dit gestelde ('alternatieve') scenario van de

verdachte ziet de rechtbank in het dossier echter geen aanwijzingen. De verklaringen van de

aangeefster en getuige [naam ex-vrouw verdachte] ondersteunen elkaar, maar zijn niet identiek en lijken niet

op elkaar afgestemd. Daardoor maken zij de indruk onafhankelijk van elkaar en naar

waarheid te zijn afgelegd. Daarbij heeft [naam ex-vrouw verdachte] verklaard dat zij voor het moment dat de

aangeefster haar belde om over het misbruik te vertellen, al jaren geen contact meer met

haar had.

Ook het feit dat de aangeefster in de echtscheidingsprocedure van de verdachte en [naam ex-vrouw verdachte]

een verklaring heeft afgelegd in het nadeel van [naam ex-vrouw verdachte] , waar [naam ex-vrouw verdachte] boos over was,

past niet bij het alternatieve scenario van de verdachte. Dit verweer wordt daarom

verworpen.

5.1.3.

Conclusie

Bewezen is dat de verdachte de aangeefster vanaf haar 12de levensjaar tot en met haar 23ste levensjaar seksueel heeft misbruikt.

5.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij in de periode van 01 januari 2002 tot en met 25 september 2006 te Rotterdam, althans in Nederland, meermalen, telkens met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, te weten met [naam slachtoffer] (geboren op [geboortedatum slachtoffer] ), buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, namelijk het brengen en/of houden van zijn verdachtes vingers en penis in de vagina van die [naam slachtoffer] ;

2.

hij in de periode van 26 september 2006 tot en met 31 december 2012 te Rotterdam en Capelle aan den IJssel , althans in Nederland,

meermalen, telkens door geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) iemand, te weten [naam slachtoffer] , heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, namelijk het brengen en/of houden van zijn verdachtes penis in de mond en vagina van die [naam slachtoffer] , welk geweld en/of de andere feitelijkhe(i)d(en) hebben bestaan uit het

-met een boze blik naar die [naam slachtoffer] kijken, en/of

-op die [naam slachtoffer] gaan liggen en met zijn, verdachtes penis penetreren in de mond en vagina , en/of

-(dwingend) tegen die [naam slachtoffer] zeggen: "dit moet geheim blijven" en "ik doe ook dingen voor jou die ik niet leuk vind".

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

6 Strafbaarheid feit

De bewezen verklaarde feiten leveren op:

t.a.v. feit 1:

met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd;

t.a.v. feit 2:

verkrachting, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

7 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

8 Motivering straf en maatregel

8.1.

Algemene overweging

De straf en maatregel die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

8.2.

Feiten waarop de straf en maatregel zijn gebaseerd

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan stelselmatig seksueel misbruik van zijn

nichtje, die ten tijde van de aanvang van het misbruik 12jaar oud was. Het misbruik heeft

zich vervolgens over een periode van ruim 11 jaar uitgestrekt totdat het slachtoffer 23 jaar

oud was en een relatie kreeg.

Het misbruik bestond mede uit het seksueel binnendringen van het lichaam van het

slachtoffer, zonder dat de verdachte voorbehoedsmiddelen gebruikte. De verdachte is zelfs

met het misbruik doorgegaan nadat het slachtoffer zwanger van hem bleek te zijn waardoor

het slachtoffer tot twee keer toe een abortus heeft moeten ondergaan. Ook heeft hij het

slachtoffer besmet met de seksueel overdraagbare aandoening chlamydia.

De verdachte heeft niet geluisterd naar het verzet dat aangeefster heeft geboden tegen het

misbruik. De verdachte heeft het slachtoffer dermate beïnvloed en emotioneel

gemanipuleerd dat zij op enig moment zelf is gaan geloven dat zij de seks met de verdachte

fijn vond en dat zij steeds weer in ging op zijn "verzoek". Met zijn handelen heeft hij het

slachtoffer zo ver gekregen dat zij het misbruik als "normaal" beschouwde en loyaal aan

hem is geweest.

De rechtbank is van oordeel dat sprake is van ernstige zedendelicten, waardoor de

samenleving in het algemeen en de direct betrokkenen ernstig zijn geschokt en die bij het

slachtoffer diepe sporen hebben achtergelaten.

De verdachte heeft gedurende lange tijd en frequent de lichamelijke integriteit van het

slachtoffer op ernstige wijze geschonden en heeft een normale en gezonde seksuele

ontwikkeling, waar ieder kind recht op heeft, doorkruist. Het is een feit van algemene

bekendheid dat dit langdurige en ernstige schade kan toebrengen aan de geestelijke

gezondheid van de slachtoffers, hetgeen ook blijkt uit de slachtofferverklaring die op de

zitting namens het slachtoffer is voorgelezen. De verdachte heeft bij dit alles kennelijk

nimmer stilgestaan en heeft zijn eigen bevrediging vooropgesteld.

8.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

8.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 27 januari 2020, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

8.3.2.

Rapportages

Reclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 26 juni 2019. De reclassering kan met de beschikbare informatie niet adviseren of interventies en/of toezicht nodig zijn.

Blijkens rapporten van 5 november 2019 en 21 oktober 2019 heeft de verdachte niet meegewerkt aan psychiatrisch en psychologisch onderzoek waardoor geen adviezen konden worden gegeven of een uitspraak kon worden gedaan over eventuele psychi(atri)sche problematiek ten tijde van het ten laste gelegde.

8.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van geruime duur. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.

De rechtbank weegt in strafmatigend opzicht mee dat hij als gevolg van deze strafzaak zijn woning en baan is kwijt geraakt.

Ter voorkoming van strafbare feiten wordt aan de verdachte de maatregel strekkende tot

beperking van de vrijheid voor de duur van vijf jaren opgelegd, inhoudende een

contactverbod met de aangeefster. Het gevorderde gebiedsverbod voor de nabijheid van de

woning van aangeefster kan niet worden opgelegd aangezien het woonadres van de

aangeefster niet bekend is. De enkele aanduiding van een ( onbekend) woonadres van een

bepaald persoon geeft geen voldoende precieze omschrijving van het gebied waarin de

verdachte zich niet mag ophouden en daarbij komt dat de wettelijke regeling de rechter niet

de mogelijkheid biedt om die aanduiding nadien te wijzigen.

Alles afwegend acht de rechtbank de door de officier van justitie geëiste straf en maatregel

passend en geboden. De rechtbank zal de maatregel dadelijk uitvoerbaar verklaren. De

verdachte heeft er in het verleden blijk van gegeven aanhoudend contact te zoeken met het

slachtoffer. Gelet op de aard, duur en de ernst van de bewezen verklaarde feiten, moet er

ernstig rekening mee worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal

begaan dat gevaar veroorzaakt voor de lichamelijk integriteit van een persoon.

9 Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam benadeelde] ter zake van de ten laste gelegde feiten. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 1.985,15 aan materiële schade en een vergoeding van € 20.000,= aan immateriële schade.

9.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.

9.2.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat de benadeelde partij ter onderbouwing van haar vordering tot immateriële schadevergoeding verwijst naar een uitspraak die niet vergelijkbaar is met onderhavige situatie. Voor het overige is de vordering door de verdediging niet inhoudelijk betwist.

9.3.

Beoordeling

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door de bewezen verklaarde strafbare feiten rechtstreeks materiële en immateriële schade is toegebracht en de vordering genoegzaam met onderliggende stukken en vergelijkbare jurisprudentie is onderbouwd, zal de gehele vordering worden toegewezen.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente. De wettelijke rente over het bedrag aan immateriële schadevergoeding loopt vanaf 31 december 2012 en de wettelijke rente over het bedrag aan materiële schadevergoeding loopt vanaf 3 februari 2020.

Nu de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

9.4.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 21.985,15, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Behalve op de reeds genoemde artikelen, is gelet op de artikelen 36f, 38v, 38w, 57, 242 en 245 van het Wetboek van Strafrecht.

11 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

12 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 40 (veertig) maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

legt de veroordeelde op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de

duur van 5 (vijf) jaren, inhoudende dat de veroordeelde wordt bevolen zich te onthouden

van direct of indirect contact met [naam slachtoffer] , gedurende vijf jaar na heden;

bepaalt dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar is;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde niet aan de maatregel voldoet, vervangende hechtenis zal worden toegepast;

bepaalt dat voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 1 (één) week, met een totale duur van ten hoogste zes maanden;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde] , te betalen een bedrag van € 21.985,15 (zegge: eenentwintigduizend negenhonderdvijfentachtig euro en vijftien cent), te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 20.000,= vanaf 31 december 2012 tot aan de dag der algehele voldoening en de wettelijke rente over een bedrag van € 1.985,15 vanaf 3 februari 2020 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 21.985,15 (hoofdsom zegge: eenentwintigduizend negenhonderdvijfentachtig euro en vijftien cent), vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van € 20.000,= vanaf 31 december 2012 tot aan de dag van de algehele voldoening en over een bedrag van € 1.985,15 vanaf 3 februari 2020 tot aan de dag van algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom te vervangen door 144 dagen gijzeling. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.J. Bade, voorzitter,

en mrs. M. Smit en J.S. van den Berg, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A. de Vrind, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De oudste rechter en griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij in of omstreeks de periode van 01 januari 2002 tot en met 25 september 2006 te Rotterdam, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal (telkens) met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien had bereikt, te weten met [naam slachtoffer] (geboren op [geboortedatum slachtoffer] ), buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, namelijk het brengen en/of houden van zijn verdachtes vinger(s) en/of penis in de vagina van die [naam slachtoffer] ;

2.

hij in of omstreeks de periode van 26 september 2006 tot en met 09 mei 2014

te Rotterdam en/of Capelle aan den IJssel en/of Leiden, althans in Nederland,

meermalen, althans eenmaal (telkens) door geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of door bedreiging met geweld en/of bedreiging met (een) andere feitelijkhe(i)d(en) iemand, te weten [naam slachtoffer] , heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, namelijk het brengen en/of houden van zijn verdachtes penis in de mond en/of vagina en/of anus van die [naam slachtoffer] , het geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of de bedreiging met geweld en/of de bedreiging met (een) ander feitelijkhe(i)d(en) heeft/hebben bestaan uit het

-met een boze blik naar die [naam slachtoffer] kijken, en/of

-op die [naam slachtoffer] gaan liggen en/of met zijn, verdachtes penis penetreren in de mond en/of vagina en/of anus van die [naam slachtoffer] , en/of

-(dwingend) tegen die [naam slachtoffer] zeggen: "dit moet geheim blijven" en/of "ik doe ook dingen voor jou die ik niet leuk vind".