Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:4106

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
27-03-2020
Datum publicatie
12-05-2020
Zaaknummer
8107076 \ CV EXPL 19-44710
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzetzaak. Ontbinding en ontruiming niet langer gerechtvaardigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8107076 \ CV EXPL 19-44710

uitspraak: 27 maart 2020

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Wij Willen Wonen B.V.,

gevestigd te Capelle aan den IJssel,

eiseres,

gedaagde in verzet,

gemachtigde: mr. D. de Vries te 's-Gravenhage,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats gedaagde] ,

gedaagde,

eiser in verzet,

gemachtigde: mr. M.R. Backer te 's-Gravenhage.

Partijen worden hierna verder aangeduid als “Wij Willen Wonen” en “ [gedaagde] ”.

1. Het verloop van de procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het inleidend exploot van dagvaarding d.d. 8 juli 2019, met producties;

  • -

    het verstekvonnis d.d. 1 augustus 2019;

  • -

    het verzetexploot d.d. 30 september 2019;

  • -

    de faxbrief van 18 oktober 2019 namens [gedaagde] , met producties 1 tot en met 4;

  • -

    de conclusie van antwoord in oppositie, met producties;

  • -

    de conclusie van repliek in oppositie.

1.2

De uitspraak van dit vonnis is door de kantonrechter nader bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen, voor zover van belang, het volgende vast.

2.1.

[gedaagde] huurt sedert 1 februari 2016 van Wij Willen Wonen de woning gelegen aan de [adres] te Vlaardingen (hierna: het gehuurde) voor een maandelijks bij vooruitbetaling verschuldigde huurprijs van thans € 702,79.

2.2.

Bij factuur van 16 januari 2019 heeft Wij Willen Wonen een bedrag van € 327,23 aan stookkosten over het jaar 2018 bij [gedaagde] in rekening gebracht.

2.3.

Bij brief van 16 januari 2019 aan [gedaagde] heeft Wij Willen Wonen aangekondigd het voorschot voor de stookkosten per 1 februari 2019 te verhogen van € 50,- naar € 87,50 per maand.

2.4.

Bij onder zaaknummer 7907419 / CV EXPL 19-29990 gewezen verstekvonnis van
1 augustus 2019 is overeenkomstig de eis van Wij Willen Wonen de huurovereenkomst tussen partijen ontbonden en [gedaagde] veroordeeld tot ontruiming van het gehuurde en betaling aan Wij Willen Wonen van € 2.576,68, vermeerderd met de wettelijke rente over
€ 2.508,22 vanaf 3 juli 2019, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van het geding.

3. Het geschil

3.1.

Wij Willen Wonen heeft bij (oorspronkelijke) dagvaarding gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de tussen partijen bestaande huurovereenkomst te ontbinden en [gedaagde] te veroordelen het gehuurde binnen acht dagen na betekening van het vonnis te ontruimen en om aan Wij Willen Wonen tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 2.576,68, waarvan € 2.508,22 aan hoofdsom (€ 2.180,99 aan achterstallige huurpenningen en € 327,23 aan stookkosten), € 2,26 aan verschenen rente en € 66,20 aan buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van € 2.508,22 vanaf 3 juli 2019, alsmede een bedrag van € 702,79 voor iedere maand dat [gedaagde] het gehuurde na juli 2019 nog in bezit zal houden, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure.

3.2.

Aan haar vordering heeft zij -naast de hiervoor onder 2.1 tot en met 2.3 weergegeven feiten en zakelijk weergegeven- het volgende ten grondslag gelegd. Ondanks herhaalde aanmaning is [gedaagde] in gebreke gebleven met betaling van de huurpenningen en de afrekening stookkosten over 2018, zodat tot en met juli 2019 een betalingsachterstand van
€ 2.508,22 is ontstaan. Wij Willen Wonen heeft haar vordering ter incasso uit handen gegeven en heeft daarom buitengerechtelijke incassokosten moeten maken die, evenals de wettelijke rente, op grond van de wet voor rekening van [gedaagde] komen.

3.3.

[gedaagde] heeft gevorderd hem te ontheffen van de bij voormeld verstekvonnis tegen hem uitgesproken veroordeling, dat verstekvonnis te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de vordering af te wijzen, met veroordeling van Wij Willen Wonen in de kosten van het geding.

3.4.

Daartoe heeft hij -naast de hiervoor weergegeven feiten en zakelijk weergegeven- het volgende aangevoerd. In de maanden februari, maart en april 2019 zijn de huurpenningen voldaan via een inhouding op de bijstandsuitkering van [gedaagde] door de gemeente. De huurpenningen over de maanden mei en juni 2019 heeft [gedaagde] niet betaald, maar op 1 juli 2019 heeft hij wel een bedrag van € 720,- betaald. Overigens is niet gebleken dat de gestelde stookkosten daadwerkelijk gemaakt zijn. Gelet op de geringe betekenis van de huurachterstand, zijn de ontbinding van de huurovereenkomst en de daaraan verbonden ontruiming zijn niet gerechtvaardigd. Bovendien heeft [gedaagde] de huurpenningen over de maanden augustus en september 2019 betaald. [gedaagde] is de vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten niet verschuldigd omdat niet is gebleken dat Wij Willen Wonen kosten heeft moeten maken die zien op het verkrijgen van voldoening buiten rechte.

4. De beoordeling

4.1.

Gesteld noch gebleken is dat [gedaagde] niet tijdig in verzet is gekomen tegen het verstekvonnis, zodat hij in zoverre ontvankelijk is in zijn verzet.

4.2.

Vooropgesteld wordt dat [gedaagde] heeft erkend achterstallig te zijn met de betaling van de huurpenningen over de maanden mei en juni 2019. Verder heeft [gedaagde] de verschuldigdheid van de afrekening stookkosten over 2018 onvoldoende gemotiveerd weersproken. Ook de verhoging van het voorschotbedrag voor de stookkosten heeft hij niet betwist. Dit heeft tot gevolg dat in rechte is komen vast te staan dat [gedaagde] de afrekening stookkosten over 2018 en de verhoging van het voorschotbedrag verschuldigd is. [gedaagde] heeft erkend de hiermee corresponderende bedragen niet te hebben betaald.

4.3.

Wij Willen Wonen heeft erkend dat [gedaagde] op 1 juli 2019 een betaling van € 720,- heeft gedaan. Echter dit bedrag is niet overgemaakt op de juiste bankrekening van Wij Willen Wonen maar op de bankrekening van een andere besloten vennootschap waarin Wij Willen Wonen geen activiteiten verricht. Zij heeft onweersproken gesteld dat zij dit pas heeft ontdekt toen [gedaagde] op het moment van de ontruiming van het gehuurde aan de deurwaarder liet weten op 1 juli 2019 een bedrag van € 720,- te hebben betaald. Dit heeft tot gevolg dat Wij Willen Wonen op de dag van dagvaarding nog geen rekening heeft kunnen houden met deze betaling en [gedaagde] het gevorderde bedrag aan hoofdsom van € 2.508,22 toen verschuldigd was. Dat hij met betaling van voornoemd bedrag in gebreke is gebleven, heeft tot gevolg dat hij op grond van artikel 6:119 BW ook wettelijke rente verschuldigd geworden is.

4.4.

Wij Willen Wonen heeft aanspraak gemaakt op een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is. De gevorderde vergoeding van € 66,20 is toewijsbaar, nu Wij Willen Wonen aan [gedaagde] op
28 februari 2019 een kosteloze aanmaning heeft verstuurd die voldoet aan de eisen die artikel 6:96 lid 6 BW daaraan stelt en het bedrag overeenkomt met het in het Besluit bepaalde tarief.

4.5.

Het uitgangspunt is dat ingevolge artikel 6:265 lid 1 BW iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen aan de wederpartij de bevoegdheid geeft om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Het (tijdig) betalen van huur is een van de essentiële verplichtingen voortvloeiende uit de huurovereenkomst. De vraag is of de tekortkoming van [gedaagde] voldoende ernstig is om ontbinding van de huurovereenkomst te rechtvaardigen. Bij de beoordeling hiervan moet rekening worden gehouden met alle omstandigheden van het geval. Uit rechtsoverweging 4.2. volgt dat [gedaagde] is tekortgeschoten in zijn betalingsverplichtingen jegens Wij Willen Wonen. De betalingsachterstand in de huurpenningen, zonder rekening te houden met de betalingsachterstand aan stookkosten, bedroeg ten tijde van de dagvaarding meer dan drie maanden de huurprijs, hetgeen niet is aan te merken als een geringe huurachterstand. Daarnaast is gesteld noch gebleken dat de tekortkoming van bijzondere aard is. De hoogte van deze huurachterstand rechtvaardigt daarom de ontbinding van de huurovereenkomst. Vraag is of door de betaling van € 720,- op 1 juli 2019 de huurachterstand thans minder dan drie maanden de huurprijs beloopt. Wij Willen Wonen heeft deze betaling immers onder verwijzing naar artikel 6:44 BW afgeboekt op de proceskosten van € 797,06, de explootkosten van de betekening van het verstekvonnis van € 97,33 en het nasalaris van € 105,-. Echter kan uit de hoogte van het betaalde bedrag afgeleid worden dat de betaling bedoeld is als betaling van de huur, zodat het bedrag van

€ 720,- op de huurachterstand in mindering wordt gebracht. Daarmee beloopt de huurachterstand thans een bedrag van € 1.460,99. Dit betekent dat sprake is van een huurachterstand van minder dan drie maanden, ook wanneer de betalingsachterstand aan stookkosten daarbij wordt opgeteld als zijnde onderdeel van de huurachterstand. De hoogte van de thans bestaande huurachterstand rechtvaardigt de ontbinding van de huurovereenkomst daarom niet langer. De stelling van Wij Willen Wonen dat [gedaagde] de huur vanaf januari 2018 tot en met september 2019 minimaal tien keer te laat of niet volledig heeft betaald, kan haar niet baten. Nog daargelaten dat uit het door haar overgelegde betalingsoverzicht niet blijkt dat [gedaagde] minstens tien keer in gebreke is gebleven met tijdige dan wel volledige betaling, gaat het in de periode van vóór het ontstaan van de huurachterstand waarvoor hij nu gedagvaard is slechts om drie gevallen waarin de huurbetalingen maximaal zes dagen te laat zijn gedaan.

4.6.

Het voorgaande betekent dat het verstekvonnis niet in stand kan blijven en dit zal worden vernietigd en dat opnieuw recht zal worden gedaan, zoals in de beslissing vermeld.

4.7.

[gedaagde] zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van zowel de verstek- als de verzetprocedure.

5. De beslissing

De kantonrechter:

vernietigt het op 1 augustus 2019 onder zaaknummer 7907419 / CV EXPL 19-29990 tussen partijen gewezen verstekvonnis;

en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [gedaagde] om aan Wij Willen Wonen tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen € 1.460,99 aan huurachterstand berekend tot en met september 2019, € 327,23 aan stookkosten over 2018, € 2,26 aan verschenen rente en € 66,20 aan buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met de wettelijke rente over het saldo dat vanaf de dag van dagvaarding aan huurachterstand, exclusief kosten, telkens, na elke credit- en debetmutatie, heeft uitgestaan tot de dag van algehele voldoening;

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van zowel de verstek- als de verzetprocedure tot aan deze uitspraak aan de zijde van Wij Willen Wonen vastgesteld op € 587,05 aan verschotten (waarvan € 101,05 aan dagvaardingskosten en € 486,00 aan griffierecht) en € 420,00 aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart dit vonnis, voor zover het de veroordelingen betreft, uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. K.J. Bezuijen en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

32109