Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:3980

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
28-04-2020
Datum publicatie
07-05-2020
Zaaknummer
C/10/593126 / JE RK 20-701 en C/10/593240 / JE RK 20-726
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

beschikking (verlenging) ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd

zaakgegevens: C/10/593126 / JE RK 20-701 en C/10/593240 / JE RK 20-726

datum uitspraak: 28 april 2020

beschikking (verlenging) ondertoezichtstelling en verlenging uithuisplaatsing

in de zaken van

de Raad voor de Kinderbescherming Rotterdam,

hierna te noemen de Raad, gevestigd te Rotterdam,

en

de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,

hierna te noemen de GI, gevestigd te Amsterdam,

betreffende

het thans nog ongeboren kind [achtenaam ongeboren kind] ,

hierna te noemen het ongeboren kind,

[naam minderjarige] ,

geboren op [geboortedatum minderjarige] 2018, hierna te noemen [voornaam minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[naam moeder] ,

hierna te noemen de moeder, wonende te [woonplaats moeder] ,

[naam vader] ,

hierna te noemen de vader, wonende te [woonplaats vader] .

Het procesverloo

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:


- het verzoek met bijlagen van de GI van 12 maart 2020, ingekomen bij de griffie op 13 maart 2020;

- het verzoek met bijlagen van de Raad van 13 maart 2020, ingekomen bij de griffie op 16 maart 2020;

- het subsidiair verzoek van de Raad van 24 maart 2020, ingekomen bij de griffie op 26 maart 2020;

- de fax met producties van mr. R.W. de Gruijl van 24 april 2020, ingekomen bij de griffie op 24 april 2020.

Vanwege het beleid van de Raad voor de Rechtspraak om verspreiding van het coronavirus tegen te gaan, zoals dat op 16 maart 2020 op www.rechtspraak.nl is gepubliceerd, heeft er geen fysieke zitting plaatsgevonden. De kinderrechter heeft partijen in de gelegenheid gesteld om telefonisch te worden gehoord.

Op 28 april 2020 heeft de kinderrechter telefonisch gehoord:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat, mr. T. Grootenhuis,

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat, dhr. J.I. Dierkx,

- een vertegenwoordiger van de Raad, dhr. [naam vertegenwoordiger] ,

- een vertegenwoordigster van de GI, mw. [naam vertegenwoodigster] .

De feiten

Het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige] en het ongeboren kind wordt uitgeoefend door de ouders.

[voornaam minderjarige] verblijft in een pleeggezin

Bij beschikking van 29 april 2019 is de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] verlengd tot 14 mei 2020. De kinderrechter heeft bij deze beschikking ook de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 14 mei 2020.

De GI heeft zich bij brief van 9 maart 2020 bereid verklaard om de voogdij over het ongeboren kind te aanvaarden.

De verzoeken

Het verzoek met zaaknummer C/10/593240:

De Raad heeft primair verzocht het gezag van de ouders over het ongeboren kind te beëindigen en de GI tot voogd te benoemen vanaf het moment dat het kind geboren zal zijn.

In verband met het coronavirus heeft de Raad subsidiair de ondertoezichtstelling van het ongeboren kind verzocht voor de duur van twaalf maanden. Tevens heeft de Raad subsidiair verzocht een machtiging tot uithuisplaatsing voor het ongeboren kind in een voorziening voor pleegzorg te verlenen vanaf moment van geboorte voor de duur van twaalf maanden.

De Raad heeft de verzoeken ter zitting gehandhaafd en als volgt toegelicht. Het ongeboren kind zal ernstig in zijn ontwikkeling worden bedreigd wanneer hij met 24-uurszorg bij de moeder gaat opgroeien. De ouders zullen door hun eigen kwetsbaarheid enorm worden overvraagd door het beroep wat het ongeboren kind op hen gaat doen. De ouders hebben met hun zoontje [voornaam minderjarige] eerder een kans gehad om zich te bewijzen, maar dit is mislukt. [voornaam minderjarige] is met de moeder in een moeder-kind-opvang geplaatst, maar uiteindelijk is hij met een algehele ontwikkelingsachterstand in een pleeggezin geplaatst. Dit risico mag met het ongeboren kind niet worden gelopen.

Het verzoek met zaaknummer C/10/593126:

De GI heeft verzocht de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] te verlengen voor de duur van één jaar. Tevens heeft de GI verzocht de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van één jaar.

De GI heeft het verzoek ter zitting gehandhaafd en heeft zich aangesloten bij de verzoeken van de Raad. Zij heeft dit als volgt toegelicht. [voornaam minderjarige] verblijft sinds kort in een perspectiefbiedend pleeggezin. Het ongeboren kind zou daar ook geplaatst kunnen worden. De ouders zijn erg betrokken en doen hun best. Ze hebben de juiste intenties en motivatie. Het schort hun echter aan opvoedvaardigheden. De ouders zijn niet leerbaar gebleken. In de moeder-kind-opvang is met intensieve hulpverlening veel geprobeerd, maar zonder resultaat. Daarbij zijn de ouders niet consequent geweest in hun bezoeken aan [voornaam minderjarige] . De GI heeft bij de Raad een verzoek tot gezagsbeëindiging bij de rechtbank ingediend.

De standpunten

De moeder stemt in met de verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] . Ook stemt zij in met de ondertoezichtstelling van het ongeboren kind. Door en namens de moeder is verweer gevoerd tegen de machtiging tot uithuisplaatsing van het ongeboren kind. De moeder wil een kans krijgen om het ongeboren kind zelfstandig, samen met de vader, op te voeden. Er zijn twee opties om dit mogelijk te maken, namelijk ofwel verblijf van de moeder samen met haar kindje bij de vader van de moeder, die hiermee instemt, ofwel verblijf van het kindje bij de moeder bij Pameijer met 24-uursbegeleiding en een passend zorgarrangement. Beide opties zijn nog niet nader onderzocht. Het KSCD-onderzoek dateert van mei 2019 en is daarmee verouderd. De moeder werkt mee met de GI en met hulpverlening. De moeder heeft op dit moment meer hulpverlening dan zij destijds had toen [voornaam minderjarige] uit huis geplaatst werd. De moeder bevindt zich nu in rustiger vaarwater en wil niets liever dan een kans om haar baby op te voeden.

De vader stemt in met de verlenging van de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] en de ondertoezichtstelling van het ongeboren kind. Door en namens de vader is verweer gevoerd tegen de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] en de machtiging tot uithuisplaatsing van het ongeboren kind. Ten aanzien van [voornaam minderjarige] verzoekt de vader primair afwijzing van de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing en subsidiair de machtiging te verlengen voor de duur van zes maanden. In de onderzoeken is vooral de focus gelegd op de moeder, maar er is nauwelijks gekeken naar de vraag of de vader in staat is om voor [voornaam minderjarige] te zorgen. De vader is heel bereidwillend en initieert zelf hulpverlening. Hij heeft een vaste baan en heeft zijn zaken op orde. Ten aanzien van het ongeboren kind is het te prematuur om nu al te concluderen dat de vader niet voor hem kan zorgen zonder dat daartoe enig onderzoek is gedaan. De vader stelt voor om na de geboorte een onderzoek in te stellen naar zijn interactie met de kinderen.

De beoordeling

Ten aanzien van het verzoek met zaaknummer C/10/593126:

Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat [voornaam minderjarige] ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Bij de ouders is sprake van een verstandelijke beperking en zij krijgen 24-uursbegeleiding vanuit Pameijer. Er zijn zorgen over de opvoedvaardigheden van de ouders. In het verleden is gebleken dat de ouders de zorg en opvoeding over [voornaam minderjarige] niet aankunnen en hierin ook niet leerbaar zijn, waardoor [voornaam minderjarige] in een pleeggezin is geplaatst met een algehele ontwikkelingsachterstand. Uit het KSCD-onderzoek volgt dat het perspectief van [voornaam minderjarige] in een pleeggezin ligt dat om kan gaan met zijn specifieke opvoedvraag. Sinds kort verblijft [voornaam minderjarige] in een perspectiefbiedend pleeggezin. In afwachting van de resultaten van het onderzoek van de Raad naar de gezagsbeëindiging van de ouders over [voornaam minderjarige] , is het in zijn belang dat deze huidige situatie gecontinueerd wordt.

Uit het voorgaande volgt dat is voldaan aan het wettelijke criterium genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW). De kinderrechter zal daarom de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] verlengen voor de duur van twaalf maanden. Ook is een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding (artikel 1:265b BW).

Ten aanzien van het verzoek met zaaknummer C/10/593240:

De kinderrechter concludeert dat het verzoek tot gezagsbeëindiging van de ouders over het ongeboren kind zich niet leent voor een enkelvoudige telefonische zitting en zal om die reden worden aangehouden naar de meervoudige kamer op hierna te noemen zittingsdatum.

Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat het ongeboren kind ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Er zijn zorgen over de invloed van de verstandelijke beperking van de ouders op het ongeboren kind. Het ongeboren kind zal vanwege zijn kwetsbaarheid veel van de ouders vragen. In onderzoeken ten aanzien van [voornaam minderjarige] hebben de ouders aangetoond onvoldoende leerbaar te zijn in hun opvoedvaardigheden. Daarnaast hebben de ouders veel hulp en structuur in de huishoudelijke taken nodig.

Uit het voorgaande volgt dat is voldaan aan het wettelijke criterium genoemd in artikel 1:255 BW. De kinderrechter zal daarom het ongeboren kind onder toezicht stellen voor de duur van twaalf maanden.

Ondanks de grote zorgen die er zijn of de ouders wel in staat zijn om voor het ongeboren kind te zorgen, is de kinderrechter met de ouders van mening dat zij een kans verdienen om de door de moeder aangedragen mogelijkheden nader te onderzoeken. Aangezien de moeder over ongeveer drie weken zal worden ingeleid, zal het verzoek ten aanzien van de machtiging tot uithuisplaatsing van het ongeboren kind met drie weken worden aangehouden tot hierna te noemen zittingsdatum, zodat in die periode kan worden onderzocht in hoeverre de moeder en het ongeboren kind met intensieve hulpverlening bij de vader van de moeder kunnen verblijven en tevens of het tot de mogelijkheden behoort dat het ongeboren kind bij de moeder met 24-uursbegeleiding zal verblijven. De kinderrechter benadrukt dat het belang van het ongeboren kind daarbij voorop dient te staan.

De kinderrechter verzoekt de Raad om uiterlijk één week voor hierna te noemen zittingsdatum een rapportage te doen toekomen met daarin de uitkomsten van bovengenoemd onderzoek, indien mogelijk met een concreet plan van aanpak, en daarin te laten weten of het verzoek al dan niet wordt gehandhaafd.

De beslissing

De kinderrechter:

verlengt de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] tot 14 mei 2021;

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg tot 14 mei 2021;

stelt het ongeboren kind onder toezicht van de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, gevestigd te Amsterdam, met ingang van 28 april 2020 tot 28 april 2021;

verklaart deze beschikking tot dusver uitvoerbaar bij voorraad;

en alvorens verder te beslissen:

houdt de beslissing ten aanzien van het subsidiaire verzoek van de Raad om een machtiging tot uithuisplaatsing van het ongeboren kind te verlenen aan en bepaalt dat het telefonische verhoor van de Raad, de GI, de belanghebbenden, mr. T. Grootenhuis en mr. J.I. Dierkx in deze zaak zal plaatsvinden op 19 mei 2020 om 11.30 uur;

vanwege de landelijke maatregelen die zijn genomen tegen de verspreiding van het coronavirus (COVID-19) zal er geen fysieke zitting in het gerechtsgebouw te Rotterdam, Wilhelminaplein 100/125 plaatsvinden, maar zullen betrokkenen op voornoemd tijdstip telefonisch gehoord worden;

verzoekt de Raad uiterlijk één week voor de genoemde datum aan de griffie schriftelijk de telefoonnummers van de Raad, de GI, de belanghebbenden, mr. T. Grootenhuis en mr. J.I. Dierkx te verstrekken;

de zaak zal op genoemde datum en tijdstip, behoudens onvoorziene omstandigheden, worden behandeld door mr. J. van Driel, kinderrechter;

bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping van de Raad, de GI, de belanghebbenden, mr. T. Grootenhuis en mr. J.I. Dierkx;

verzoekt de Raad uiterlijk één week voor de genoemde datum de kinderrechter (met afschrift aan de GI, de belanghebbenden, mr. T. Grootenhuis en mr. J.I. Dierkx ) de verzochte rapportage te doen toekomen;

houdt de beslissing ten aanzien van het primaire verzoek van de Raad om het ouderlijk van gezag van beide ouders over het ongeboren kind te beëindigen aan en verwijst het verzoek, voor zover daarop thans niet is beslist en evenmin ter zitting van 19 mei 2020 zal worden beslist, naar de meervoudige kamer van deze rechtbank;

bepaalt dat het verhoor van de Raad, de GI, de belanghebbenden, mr. T. Grootenhuis en mr. J.I. Dierkx in deze zaak zal plaatsvinden op 25 augustus 2020 om 13.00 uur;

naar alle waarschijnlijkheid zal de zitting op genoemde datum en tijdstip plaatsvinden in het gerechtsgebouw te Rotterdam, Wilhelminaplein 100/125;

de zaak zal op genoemde datum en tijdstip, behoudens onvoorziene omstandigheden, worden behandeld door mr. M.J.M. Marseille, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. A.C. Enkelaar en mr. A. Verweij, rechters, tevens kinderrechters;

bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping van de Raad, de GI, de belanghebbenden, mr. T. Grootenhuis en mr. J.I. Dierkx;

verzoekt de Raad uiterlijk twee weken voor de genoemde datum de kinderrechter (met afschrift aan de GI, de belanghebbenden, mr. T. Grootenhuis en mr. J.I. Dierkx) de verzochte rapportage te doen toekomen.

Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 28 april 2020 door mr. A.C. Enkelaar, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.C.J. Holierhoek als griffier.

De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 29 april 2020.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Den Haag.