Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:3917

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
23-04-2020
Datum publicatie
04-06-2020
Zaaknummer
C/10/594241 / JE RK 20-912
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Beslissing op verzoek Raad voor de Kinderbescherming om een ondertoezichtstelling (ots) aangehouden. Uitspraak gewezen t.t.v. corona. Ondanks de bestaande zorgen is vooralsnog onvoldoende gebleken dat aan de voorwaarden voor een ots wordt voldaan. Prille positieve ontwikkelingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd

Zaakgegevens: C/10/594241 / JE RK 20-912

datum uitspraak: 23 april 2020

beschikking ondertoezichtstelling

in de zaak van

de Raad voor de Kinderbescherming regio Rotterdam-Dordrecht,

hierna te noemen de Raad, gevestigd te Rotterdam,

betreffende

[naam minderjarige] ,

geboren op [geboortedatum minderjarige] 2009 te [geboorteplaats minderjarige] , hierna te noemen [voornaam minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:

[naam moeder] , hierna te noemen de moeder, wonende te [woonplaats moeder] .

De kinderrechter merkt als informant aan:

[naam vader] , hierna te noemen de vader,

wonende te ’ [woonplaats vader] .

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- het verzoek met bijlagen van de Raad van 1 april 2020, ingekomen bij de griffie op
2 april 2020;

- een e-mailbericht met bijlagen van mr. R.A.A.H. van Leur van 16 april 2020, ingekomen bij de griffie op 16 april 2020.

Op 17 april 2020 zou de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandelen.

Omdat in verband met het COVID-19 virus de rechtbanken slechts zeer beperkt toegankelijk zijn, zijn betrokkenen in de gelegenheid gesteld om telefonisch gehoord te worden.

De kinderrechter heeft tijdens een groepsgesprek telefonisch gehoord:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat mr. R.A.A.H. van Leur,

- de vader,

- een vertegenwoordigster van de Raad, te weten mw. [naam vertegenwoordigster 1] ,

- een vertegenwoordigster van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming west,
hierna de GI, te weten mw. [naam vertegenwoordigster 2] .

De kinderrechter is van oordeel dat deze manier van horen – gelet op de huidige uitzonderlijke omstandigheden – in deze zaak voldoende is om de zaak te behandelen en tot een goed oordeel te komen.

De feiten

Het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige] wordt uitgeoefend door de moeder.

[voornaam minderjarige] woont bij de moeder.

Het verzoek en het standpunt van de Raad
De Raad heeft de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] verzocht voor de duur van twaalf maanden.

De Raad heeft ter zitting het verzoek gehandhaafd en als volgt nader toegelicht. Er zijn zorgen over de instabiele, onrustige en onvoorspelbare opvoedsituatie. Het is voor [voornaam minderjarige] een verwarrende periode geweest dat de vader en halfbroer [naam halfbroer] opeens in haar leven zijn verschenen en dat deze situatie inmiddels is veranderd. Van de vele gebeurtenissen heeft [voornaam minderjarige] last. Zo wil zij niet dat haar moeder bezorgd over haar is en vertelt [voornaam minderjarige] haar bepaalde zaken niet. De problematiek overstijgt de mogelijkheden van de ouders.

Hulp vanuit de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering is nodig geweest om bepaalde zaken te regelen, zoals een bezoekregeling met [naam halfbroer] . Op de lange termijn is stabiliteit voor [voornaam minderjarige] noodzakelijk, wat in het vrijwillig kader niet bereikt kan worden. Vanwege het contact- en een straatverbod van de stiefvader is er momenteel sprake van rust. Het contactverbod loopt echter binnenkort af. De vraag is op welke wijze de contacten met de stiefvader dan zullen verlopen. Het is van belang om in het kader van een ondertoezichtstelling een jeugdbeschermer aan te stellen om de belangen van [voornaam minderjarige] te behartigen en te bezien wat nodig is zodat het in toekomst goed blijft gaan.

Het standpunt van de GI, de belanghebbende en de informant

De GI heeft ter zitting naar aanleiding van de mondelinge toelichting van de Raad het verzoek ondersteund en het volgende meegedeeld. De GI heeft het rapport van de Raad niet ontvangen en daardoor van de inhoud ervan geen kennis kunnen nemen. Vanwege de ernstige zorgen over de opvoedsituatie, die door de Raad genoemd worden, is het van belang om te bezien welke hulpverlening nodig is om de langdurige patronen te doorbreken.

Namens de moeder heeft haar advocaat ter zitting naar voren gebracht dat niet wordt voldaan aan de wettelijke criteria voor een ondertoezichtstelling. Ter onderbouwing van dit standpunt is het volgende aangevoerd.

Het verblijf van [naam halfbroer] bij zijn moeder is niet goed verlopen. De vader van [naam halfbroer] was dakloos en kon ook niet voor hem zorgen. De moeder werkt op een kinderdagverblijf. Zij is altijd pedagogisch als zeer vaardig gezien. Daarom is [naam halfbroer] in augustus 2018 bij de moeder geplaatst. Dit heeft veel onrust veroorzaakt, omdat er nauwelijks hulp is aangeboden. De jeugdbeschermer, werkzaam in ’s-Gravenhage, was niet op de hoogte van de sociale kaart in [plaats] . De moeder erkent de zorgen over [voornaam minderjarige] . De vader heeft te weinig aandacht voor [voornaam minderjarige] gehad. De onrust vanwege de situatie met [naam halfbroer] heeft [voornaam minderjarige] niet goed gedaan. De situatie is nu echter veranderd. Inmiddels verblijft [naam halfbroer] in een crisisgezin. De vader komt niet meer bij de moeder. Daardoor is er rust ontstaan. De moeder heeft zelf hulp gezocht en contact met praktijk Anders-Om opgenomen. Het heeft echter enige tijd geduurd voordat zij geholpen zou worden. Speltherapie voor [voornaam minderjarige] kan afhankelijk van de door de regering te nemen beslissingen rond de Coronasituatie op 28 april 2020 of vier weken later starten. Er staat wel al een afspraak gepland op woensdag van 17:00 tot 17:45 uur. De moeder staat zonodig ook open voor systeemtherapie. Het inzetten van hulp zal in het kader van een ondertoezichtstelling niet sneller en beter verlopen. Ook is het niet nodig dat de GI gaat bekijken welke hulp nodig is. De noodzakelijke hulp is immers al door de moeder zelf geregeld en zal starten. Daarmee is zij zelfstandig in staat de nodige hulp in het vrijwillig kader te regelen en is het wettelijk kader van drang om die reden niet nodig.

In aanvulling op het betoog van haar advocaat heeft de moeder ter zitting desgevraagd het volgende verklaard.

Sinds 26 maart 2020 woont [naam halfbroer] niet meer bij haar. Op 2 mei 2020 zal het contactverbod van de stiefvader verlopen. Hij heeft het contactverbod echter overtreden. Op 13 maart 2020 is de stiefvader bij de moeder ’s nachts voor haar woning geweest. Vervolgens heeft zij contact met de politie opgenomen en aangifte van stalking gedaan. Desgevraagd heeft de moeder aangegeven dat het zou kunnen dat het contactverbod wordt verlengd nu de stiefvader het overtreden heeft.

De vader heeft ter zitting verklaard dat hij het niet eens is met een ondertoezichtstelling, omdat het de situatie niet zal verbeteren.

De beoordeling

Nu ter zitting is gesproken over de eerdere beslissing ten aanzien van [naam halfbroertje] , het halfbroertje van [voornaam minderjarige] , heeft de kinderrechter ambtshalve, in het belang van [voornaam minderjarige] , kennis genomen van de beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 10 januari 2020.

Op grond van het bepaalde in artikel 1:255, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een GI indien een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en dat de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd en de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 247, tweede lid, in staat zijn te dragen.

De kinderrechter is van oordeel dat, ondanks de bestaande zorgen, vooralsnog onvoldoende is gebleken dat aan het genoemde criterium wordt voldaan en overweegt daartoe als volgt.

Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat de informanten met name een vermoeden hebben uitgesproken dat de draaglast van de moeder haar draagkracht overschrijdt. Deze vermoedens zijn echter gebaseerd op de gebeurtenissen ten tijde van de periode dat [naam halfbroer] nog in het gezin woonde. Dat is nu echter - zij het pas kort - niet meer het geval. Enerzijds betekent dit opnieuw een ingrijpende, niet te onderschatten wijziging in het leven van [voornaam minderjarige] . Anderzijds veroorzaakt deze wijziging meer rust, omdat de moeder haar aandacht en energie nu over twee in plaats van drie kinderen kan verdelen en omdat hierdoor de vader niet meer in het gezin verblijft.

Daarnaast is weliswaar gebleken dat er zorgen zijn over de opvoedsituatie, waarin [voornaam minderjarige] opgroeit, maar lijkt de moeder op dit moment voldoende actie te ondernemen om deze zorgen aan te pakken. Zo zal [voornaam minderjarige] op korte termijn met speltherapie starten, waarmee onder meer aan de wens van [voornaam minderjarige] tegemoet wordt gekomen dat zij graag met iemand wil praten om haar gevoelens te kunnen uiten.

Gelet op vorenstaande ziet de kinderrechter aanleiding om het verzoek van de Raad aan te houden tot de hierna vermelde zittingsdatum. De komende periode kan de moeder laten zien dat het haar lukt de zorgen rond [voornaam minderjarige] adequaat aan te pakken en te zorgen voor een voldoende stabiele, veilige en affectieve opvoedomgeving, waarin [voornaam minderjarige] niet geconfronteerd wordt met spanningen, stress en agressie en waarin aan de (opvoed)behoeften van [voornaam minderjarige] wordt tegemoet gekomen. De kinderrechter gaat er daarbij vanuit dat de moeder de adviezen van de speltherapeut serieus neemt, ook als dat zou inhouden dat systeemtherapie en/of traumabehandeling (ook eventueel van of samen met de moeder) in het belang van [voornaam minderjarige] is. Dit valt niet uit te sluiten nu er in het Raadsonderzoek aanwijzingen zijn gevonden dat [voornaam minderjarige] belast wordt met volwassen zaken en spanningen en stress van de moeder, dat zij getuige is geweest van huiselijk geweld en er een complexe verhouding bestaat tot de vader en de stiefvader.

De Raad wordt, in geval van handhaving van het verzoek, verzocht om uiterlijk twee weken vóór de hierna vermelde zittingsdatum de stand van zaken aan de kinderrechter (met afschrift aan de GI, de belanghebbende en de advocaat) kenbaar te maken; met name acht de kinderrechter de visie van de speltherapeut en de school van belang. De kinderrechter gaat er daarbij vanuit dat de moeder toestemming zal geven aan de Raad om deze informanten te raadplegen.

De beslissing

De kinderrechter:

houdt de behandeling van het verzoek aan tot de hierna vermelde zittingsdatum.

En alvorens verder te beslissen:

Bepaalt dat het verhoor van de Raad, de GI en de belanghebbende in deze zaak zal plaatsvinden op 25 september 2020 te 14:00 uur in het gerechtsgebouw te Dordrecht, Steegoversloot 36.

De zaak zal op genoemde datum en tijdstip, behoudens onvoorziene omstandigheden, worden behandeld door mr. A.A.J. de Nijs, kinderrechter.

Bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping van de Raad, de GI, de belanghebbende en de advocaat.

Gelast de oproeping van de vader als informant tegen voormelde zittingsdatum en tijdstip.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.A.J. de Nijs, kinderrechter, in tegenwoordigheid van D. van der Aa als griffier en in het openbaar uitgesproken op 23 april 2020.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Den Haag.