Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:3908

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
10-04-2020
Datum publicatie
29-04-2020
Zaaknummer
C/10/592214 / JE RK 20-563 en C/10/594388 / JE RK 20-932
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing. Gewezen ten tijde van corona-maatregelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd

zaakgegevens: C/10/592214 / JE RK 20-563 en C/10/594388 / JE RK 20-932

datum uitspraak: 10 april 2020

beschikking verlenging ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing

in de zaken van

de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering,

hierna te noemen de GI, gevestigd te Rotterdam,

betreffende

[naam minderjarige 1] ,

geboren op [geboortedatum minderjarige 1] 2017 te [geboorteplaats minderjarige 1] , hierna te noemen [voornaam minderjarige 1] ,

[naam minderjarige 2] ,

geboren op [geboortedatum minderjarige 2] 2020 te [geboorteplaats minderjarige 2] , hierna te noemen [voornaam minderjarige 2] .

De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:

[naam moeder] ,

hierna te noemen de moeder, wonende te [woonplaats moeder] .

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 26 februari 2020, ingekomen bij de griffie op 27 februari 2020;

- de beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 3 april 2020 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;

- het faxbericht met bijlage van mr. G. Veen van 7 april 2020;

- het faxbericht met bijlage van mr. G. Veen van 8 april 2020.

Vanwege het beleid van de Raad voor de rechtspraak om verspreiding van het Covid-19-(corona)virus tegen te gaan, zoals dat op www.rechtspraak.nl is gepubliceerd, heeft er geen fysieke zitting plaatsgevonden. De partijen zijn in de gelegenheid gesteld om door de kinderrechter telefonisch gehoord te worden.

De kinderrechter heeft, in aanwezigheid van de griffier, op 10 april 2020 de volgende personen, door middel van een groepsgesprek, telefonisch gehoord:

- de moeder,

- de advocaat van de moeder, mr. G. Veen,

- twee vertegenwoordigsters van de GI, mw. [naam vertegenwoordigster 1] en mw. [naam vertegenwoordigster 2] .

De kinderrechter is van oordeel dat deze manier van horen – gelet op de huidige uitzonderlijke omstandigheden – in deze zaak voldoende is om tot een goed oordeel te komen en een beslissing te kunnen nemen, zonder verdere mondelinge behandeling.

De feiten

Het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] wordt uitgeoefend door de moeder.


[voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] verblijven in verschillende pleeggezinnen.

Bij beschikking van 12 april 2019 is de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] verlengd tot 3 mei 2020.

Bij beschikking van 6 december 2019 is [voornaam minderjarige 2] (toen nog ongeboren) onder toezicht gesteld tot 6 december 2020.

Bij beschikking van 3 april 2020 is een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg verleend voor de duur van vier weken. De beslissing is voor het overige aangehouden.

De (aangehouden) verzoeken

De GI heeft een verlenging van de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] verzocht tot 6 december 2020.

Daarnaast heeft de GI een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] in een crisispleeggezin verzocht voor de duur van de ondertoezichtstelling, voor [voornaam minderjarige 2] zijnde tot en met 5 december 2020 en voor [voornaam minderjarige 1] zijnde tot en met 2 mei 2020.

De standpunten

De GI heeft naar voren gebracht dat alle belanghebbenden het erover eens zijn dat de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] verlengd moet worden. De zorgen die ten grondslag liggen aan dat verzoek zijn uitgebreid beschreven in het verzoekschrift. Ten aanzien van de machtiging tot uithuisplaatsing van beide kinderen heeft de GI naar voren gebracht dat [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] op 3 april 2020 uit huis zijn geplaatst in verschillende pleeggezinnen. Beide kinderen ontwikkelen zich positief. [voornaam minderjarige 1] verblijft in de vertrouwde omgeving van het weekendpleeggezin en [voornaam minderjarige 2] is enorm gegroeid en reageert alert. De moeder heeft wekelijks een uur bezoek met de kinderen. Op 9 april 2020 is er een bezoekmoment in aanwezigheid van de pleegouders. Dat bezoek verliep moeizaam. De moeder gaf direct aan dat de kinderen na de zitting terug komen bij haar en zij heeft na ongeveer een half uur gevraagd het bezoek vroegtijdig te beëindigen. Inmiddels is duidelijk dat een gezinsopname bij Yulius binnen drie maanden te realiseren is. Binnen nu en twee weken kan een intake worden gepland, vervolgens wordt de moeder voor de duur van 3 tot 4 weken opgenomen en daarna worden de kinderen bij haar geplaatst. Gelet hierop wijzigt de GI het verzoek ten aanzien van beide kinderen in een machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van drie maanden.

Desgevraagd heeft de GI aangegeven dat het ter overbrugging naar een gezinsopname niet verantwoord is dat de moeder zelfstandig met de kinderen gaat wonen omdat zij afhankelijk is van de zorg van haar oma. Daarnaast heeft de moeder onvoldoende spullen om haar eigen woning te betrekken en komt de hulpverlening door het coronavirus bijna niet binnen bij de moeder. Ook is onduidelijk of de moeder de veiligheid van de kinderen kan waarborgen gelet op de zorgen over het contact tussen de vader en [voornaam minderjarige 1] . De moeder deelt de zorgen over de seksuele ontwikkeling van [voornaam minderjarige 1] en wil meewerken aan het Goofy-spreekuur, maar zij is niet in staat om de vader te weren.

Door en namens de moeder is naar voren gebracht dat zij geen bezwaar heeft tegen een verlenging van de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] . Ten aanzien van het verzoek tot een machtiging tot uithuisplaatsing van beide kinderen is naar voren gebracht dat het verzoek is gebaseerd op aannames en dat er geen gronden zijn voor een (voortzetting van de) uithuisplaatsing. De moeder heeft zich nooit aan hulpverlening onttrokken en is volledig gestopt met het gebruik van middelen. Zij verblijft tijdelijk bij haar oma door een renovatie van haar eigen woning, waar een kennis van haar wel eens langskomt om klusjes te doen. Daarnaast heeft het consultatiebureau aan de moeder aangegeven dat [voornaam minderjarige 2] over het algemeen wat aan de lichte kant is, maar dat haar ontwikkeling op zich wel goed is. Wat de gezinsopname betreft heeft de moeder er moeite mee dat zij eerst alleen zal worden opgenomen. De huidige situatie en de aanpak van de GI veroorzaakt veel stress bij de moeder waardoor een onwerkbare relatie is ontstaan. De moeder deelt de zorgen over de seksuele ontwikkeling van [voornaam minderjarige 1] en wil graag aanwezig zijn bij het Goofy-spreekuur op 24 april 2020.

Desgevraagd heeft de moeder aangegeven dat haar oma waar nodig ondersteunt bij de verzorging van de kinderen. De moeder verblijft bij haar oma omdat zij van de GI niet zelfstandig met de kinderen mag wonen. Doordat de moeder soms nachten wakker is omdat de kinderen niet slapen, slaapt zij overdag wel eens een paar uur. Haar oma zorgt dan voor de kinderen als zij wakker zijn. Het is een paar keer voorgekomen dat de moeder lag te slapen toen de hulpverlening langskwam.

De beoordeling

Uit de overgelegde stukken en hetgeen partijen telefonisch naar voren hebben gebracht, is gebleken dat er al langere tijd zorgen zijn over de opvoedsituatie van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] . De moeder heeft een belast verleden en is gediagnosticeerd met een afhankelijke persoonlijkheidsstoornis. De moeder heeft hierdoor beperkt inzicht in oorzaak en gevolg, wat mogelijk van invloed kan zijn op haar opvoedvaardigheden. Hoewel de moeder de intentie heeft om zo goed mogelijk voor [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] te zorgen, valt de opvoeding en zorg voor twee kwetsbare kinderen haar zwaar. Vanwege een toename in zorgen zijn [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] op 3 april 2020 uit huis geplaatst in verschillende pleeggezinnen, waar zij zich positief ontwikkelen. De kinderrechter is van oordeel dat een gezinsopname bij Yulius noodzakelijk is om zicht te krijgen op de opvoedvaardigheden van de moeder en op de hulp en begeleiding die zij daarbij nodig heeft in de thuissituatie. Als tijdens die gezinsopname of daarna ook zou blijken dat hulpverlening voor [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] nodig is, kan die met behulp van de GI worden ingezet. Tot een gezinsopname is gerealiseerd, dient de plaatsing van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] in de pleeggezinnen te worden voortgezet. Tot slot geeft de kinderrechter aan de GI mee dat de moeder in de gelegenheid moet worden gesteld om aanwezig te zijn bij medische afspraken van haar kinderen, zoals het Goofy-spreekuur.

Uit het voorgaande volgt dat is voldaan aan het wettelijke criterium genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek. De kinderrechter zal de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] daarom verlengen voor de verzochte duur. Ook is de kinderrechter van oordeel dat de uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en de opvoeding als bedoeld in artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek.

De beslissing

De kinderrechter:

verlengt de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] tot 6 december 2020;

verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg, met ingang van 10 april 2020 tot 10 juli 2020;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het anders of meer verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. A. Verweij, kinderrechter, in tegenwoordigheid van

mr. D.R. van Staveren als griffier en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2020.

De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Den Haag.