Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:3907

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
24-04-2020
Datum publicatie
08-05-2020
Zaaknummer
8157981 \ CV EXPL 19-48532
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige daad 6:162 BW. Verzoek schadevergoeding na mishandeling. Geen causaal verband

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2020-0348
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8157981 \ CV EXPL 19-48532

uitspraak: 24 april 2020

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

[eiseres] ,

woonplaats: [woonplaats eiseres] ,

eiseres bij exploot van dagvaarding van 7 november 2019,

gemachtigde: mr. M.R. de Kok te Rotterdam,

tegen

[gedaagde] ,

woonplaats: [woonplaats gedaagde]

gedaagde,

procederend in persoon.

Partijen zullen hierna worden aangeduid als “ [eiseres] ” en “ [gedaagde] ”.

1. Het verloop van de procedure

1.1.

Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen:

  • -

    de dagvaarding, met producties;

  • -

    de aantekeningen van de griffier van het ter rolzitting van 19 november 2019 door [gedaagde] mondeling gegeven antwoord;

  • -

    het tussenvonnis van 25 november 2019 waarin een mondelinge behandeling is bepaald;

  • -

    de akte uitlaten van [eiseres] , met producties;

  • -

    de akte uitlaten van [gedaagde] .

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 15 januari 2020. Bij deze gelegenheid is [eiseres] in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. [gedaagde] is ook in persoon verschenen. Van het verhandelde ter zitting heeft de griffier aantekeningen gehouden.

1.3.

De datum van de uitspraak van dit vonnis is door de kantonrechter bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

De kantonrechter gaat uit van de volgende feiten:

2.1.

[gedaagde] heeft [eiseres] op 12 juni 2019 met zijn vinger in het gezicht aangeraakt / aangetikt. [eiseres] heeft hierbij een bebloede lip opgelopen.

[eiseres] is die middag ook gevallen.

2.2.

[eiseres] heeft van de tik door [gedaagde] op 24 juni 2019 aangifte gedaan bij de politie.

Hij heeft tegenover de politie – zakelijk weergegeven en voor zover van belang- het volgende verklaard:

“(…) Voordat ik er erg inhad zag ik dat [gedaagde] met zijn vlakke hand mij opzettelijk sloeg in mijn gezicht. Ik voelde een klap op mijn linker kant van mijn mond. Ik voelde een pijnlijke steek. Ik schrok hierdoor en deed een stap naar achter, waardoor ik viel op mijn rechter zij, op de grond. (…) Ik kreeg van een vrouw een tissue omdat mijn onderlip aan het bloeden was (…)”.

2.3.

[gedaagde] is door de politie niet gehoord. De zaak is geseponeerd.

2.4.

In de visitegegeven van de huisarts van [eiseres] is het volgende - zakelijk weergegeven en voor zover van belang - het volgende opgenomen:

“(…) 13-06-19

S: gisteren in de flat mishandeld door een medebewoner (…)

S: (..) tevens tand door de lip (…)

O: klein wondje op de lip

(…)”

2.5.

De heer [naam persoon] heeft op 27-01-2020 namens de huisarts een verklaring opgesteld waarin is opgenomen dat [eiseres] na het incident 7 keer op het spreekuur is geweest wegens aanhoudende pijnklachten aan de heup en dat hij wegens psychische klachten met betrekking tot het incident is verwezen nar de praktijk ondersteuner Geestelijke Gezondheidszorg.

2.6.

[eiseres] is op 16 juli 2019 aangemeld bij De Waag.

3. De vordering

3.1.

[eiseres] vordert bij dagvaarding bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,
I. voor recht te verklaren dat [gedaagde] jegens [eiseres] onrechtmatig heeft gehandeld door [eiseres] te mishandelen c.q. lichamelijk letsel toe te brengen;

primair:

II. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een vergoeding van € 2.530,91, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag van het ontstaan van de schade tot en met de dag der algehele voldoening;

subsidiair:

III. [gedaagde] te veroordelen tot schadevergoeding op te maken bij staat;

zowel primair als subsidiair:

IV. [gedaagde] te veroordelen in de kosten van de procedure en de nakosten.

3.2.

Aan zijn vordering legt [eiseres] ten grondslag dat [gedaagde] hem op 12 juni 2019 heeft mishandeld door met vlakke hand met kracht in zijn gezicht te slaan, waarbij [eiseres] ten val is gekomen. Door deze klap heeft [eiseres] letsel bekomen dat bestaat uit een gescheurde lip, een rood gekleurde wang en een pijnlijke heup. De mishandeling heeft verder geresulteerd in psychische klachten. [eiseres] heeft last van angst- en paniekaanvallen en stress gerelateerde klachten. Omdat [gedaagde] [eiseres] heeft uitgescholden heeft [eiseres] gerede vrees dat [gedaagde] hem de volgende keer weer (ernstiger) mishandeld. Op grond van artikel 6:162 BW is [gedaagde] aansprakelijk voor de door [eiseres] geleden schade als gevolg van de mishandeling.

Het gevorderde schadebedrag van € 2.530,91 bestaat uit reiskosten (€ 14,04), ziektekosten (€ 16,87) en smartengeld (€ 2.500).

3.3.

[eiseres] heeft eind december 2018 een geldbedrag van € 250,00 aan [gedaagde] uitgeleend, waarbij partijen hebben afgesproken dat [gedaagde] dit bedrag zou terugbetalen als hij zijn vakantiegeld van 2019 zou ontvangen. Toen [eiseres] in juni navraag deed naar de terugbetaling vond de mishandeling plaats.

3.4.

[eiseres] heeft zijn primaire vordering bij nadere akte gewijzigd in die zin dat hij thans, naast de gevorderde verklaring voor recht vordert:

II. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een vergoeding van € 2.935,92, althans een in goede justitie te betalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag van het ontstaan van de schade tot en met de dag der algehele voldoening;

III. [gedaagde] te veroordelen tot nakoming van de tussen [eiseres] en [gedaagde] gesloten geldleningsovereenkomst en derhalve tot betaling van € 250,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag dat [gedaagde] in verzuim is komen te verkeren tot en met de dag der algehele voldoening.

3.5.

Het bedrag aan schadevergoeding is verhoogd met een bedrag van € 405,10 aan zorgkosten voor de pijnkliniek die niet door de zorgverzekering worden vergoed.

4. Het verweer

4.1.

[gedaagde] betwist de vordering en voert daartoe aan dat hij [eiseres] niet heeft geslagen. [eiseres] heeft zijn stok weggegooid en zich laten vallen. [gedaagde] heeft [eiseres] slechts met zijn vinger tegen de kin aangeraakt. De politie is langs geweest en heeft de filmpjes uit het trappenhuis bekeken. De zaak is geseponeerd bij gebrek aan bewijs. [eiseres] is niet door de politie gehoord. Het is onzin dat [eiseres] bang zou zijn voor [gedaagde] .

4.2.

Bij nadere akte heeft [gedaagde] als reactie op de eisvermeerdering van [eiseres] aangevoerd dat [eiseres] aan hem ter waarde van € 250,00 aan ADS-packs van Futurenet heeft gegeven.

5. De beoordeling

5.1.

[eiseres] grondt zijn vordering op een onrechtmatige daad die gelegen is in de gestelde mishandeling door [gedaagde] . Ten aanzien van de gestelde mishandeling overweegt de kantonrechter dat uit de feitelijke nadere onderbouwing van [gedaagde] bij zijn vordering niet volgt dat [gedaagde] [eiseres] heeft geslagen, laat staan dat hij door dit slaan ten val is gekomen. Ter onderbouwing heeft [eiseres] zijn aangifte bij de politie overgelegd en diverse schriftelijke verklaringen van getuigen. Uit de verklaringen van deze getuigen kan echter niet worden afgeleid dat [gedaagde] [eiseres] daadwerkelijk heeft geslagen, aangezien niemand het slaan heeft waargenomen.

Wat wel vaststaat is dat [eiseres] een woordenwisseling met [gedaagde] heeft gehad en dat hij direct daarna een bebloede lip had. [gedaagde] heeft betwist [eiseres] een klap in het gezicht te hebben gegeven, maar geeft aan hem wel met zijn vinger tegen de kin te hebben geraakt. Onder deze omstandigheden neemt de kantonrechter als voldoende vaststaand aan dat de bebloede lip van [eiseres] is veroorzaakt door deze vingertik van [gedaagde] . [gedaagde] heeft hiermee de lichamelijke integriteit van [eiseres] geschonden en aldus onrechtmatig jegens hem gehandeld. De gevorderde verklaring voor recht dat [gedaagde] onrechtmatig gehandeld heeft zal dan ook worden toegewezen in na te melden zin.

5.2.

Vervolgens is de vraag of de door [eiseres] gestelde schade is geleden en of er causaal verband bestaat tussen de gestelde schade en de onrechtmatige gedraging door [gedaagde] .

De gevorderde schadevergoeding heeft hoofdzakelijk betrekking op de (gevolgen van de) gestelde heupklachten. Tussen partijen staat vast dat [eiseres] tijdens de woordenwisseling op de grond terecht is gekomen. Dat de vingertik van dusdanige kracht was dat [eiseres] hierdoor ten val zou zijn gekomen is echter niet gebleken.

[gedaagde] betoogt dat [eiseres] zijn stok heeft laten vallen en daardoor ten val is gekomen, dan wel dat hij zichzelf expres heeft laten vallen. [eiseres] heeft tegenover de politie verklaard dat hij schrok toen hij een pijnlijke steek aan de linkerzijde van zijn mond voelde, vervolgens een stap naar achter deed, waardoor hij op zijn rechterzij viel. Zoals reeds is overwogen volgt uit geen van de door [eiseres] overgelegde getuigenverklaringen dat [eiseres] is geslagen door [gedaagde] , laat staan dat hij door die klap ten val zou zijn gekomen. Ook anderszins is dit niet gebleken en een nader concreet bewijsaanbod is door [eiseres] niet gedaan.

Dat [eiseres] door toedoen van [gedaagde] ten val is gekomen staat dan ook niet vast. Het causaal verband tussen de valpartij, en daardoor ontstane heupklachten, en de vingertik door [gedaagde] ontbreekt derhalve.

5.3.

Met de vaststelling dat er geen causaal verband is tussen de vingertik en de val van [eiseres] zullen de schadeposten verder worden beoordeeld.

Materiële schadevergoeding

5.4.

[eiseres] vordert vergoeding van schade bestaande uit gemaakte reiskosten omdat hij door zijn gekneusde heup niet op een andere wijze kan reizen dan met een taxi. Op de onderbouwende nota (productie 11 bij dagvaarding) is een viertal ritten vermeld daterend voor 12 juni 2019, dus voorafgaand aan de schadeveroorzakende gebeurtenis. Deze kosten komen reeds hierom niet voor vergoeding in aanraking. Ten aanzien van de overige ritten heeft te gelden dat het causaal verband tussen de vingertik en de valpartij ontbreekt. De heupklachten kunnen derhalve niet aan [gedaagde] worden toegerekend zodat hij niet aansprakelijk is voor door [eiseres] geleden schade als gevolg van die heupklachten. Dit onderdeel van de vordering wordt derhalve afgewezen.

5.5.

Ten aanzien van de gevorderde ziektekosten van € 16,87 voor paracetamol wordt overwogen dat de nota dateert van 26 juli 2019. Dit is bijna anderhalve maand na het voorval op 12 juni 2019. Hoewel [eiseres] enige pijn en hinder zal hebben ondervonden van zijn bebloede lip, valt niet in te zien dat hij hier zes weken later pijnstillende medicatie voor zou moet gebruiken. [eiseres] heeft desgevraagd ter zitting aangegeven dat hij deze pijnstillers nam in verband met zijn heupklachten. Als reeds overwogen is [gedaagde] niet aansprakelijk voor deze klachten en de gevolgen daarvan. Ook dit deel van de vordering wordt daarom afgewezen.

5.6.

De bij nadere akte gevorderde kosten ten behoeve van de pijnbestrijding delen hetzelfde lot. Daargelaten dat in de omschrijving staat dat het ‘minder complexe pijnbestrijding bij pijn bij lage rugklachten’ betreft en aldus het causaal verband met de gestelde heupklachten ook niet zonder meer vaststaat, is in ieder geval niet komen vast te staan dat er een causaal verband bestaat tussen deze pijnklachten waaraan [eiseres] behandeld moest worden en de vingertik op 12 juni 2019. [gedaagde] is dan ook niet aansprakelijk voor deze schade en dit gedeelte van de vordering wordt dus afgewezen.

Immateriële schadevergoeding

5.7.

[eiseres] heeft aan zijn vordering tot immateriële schadevergoeding ten grondslag gelegd dat hij na het incident, naast de pijnklachten aan zijn gezicht en heup, ook psychische klachten ervaart. Hij heeft last van angst- en paniekaanvallen, slapeloosheid en stress gerelateerde klachten. [gedaagde] heeft deze klachten betwist.

5.8.

Het recht op vergoeding van immateriële schade (smartengeld) bestaat slechts in de in de wet genoemde gevallen (art. 6:95 en 6:106 BW). Onder 6:106 lid 1 onder b BW is opgenomen dat de benadeelde recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is aangetast of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.

5.9.

[eiseres] is tijdens een ruzie met zijn medeflatbewoner [gedaagde] door laatstgenoemde tegen zijn gezicht geraakt en heeft daarbij een bloedlip opgelopen. [eiseres] heeft hierdoor enige pijn geleden en fysiek ongemak ondervonden. [eiseres] is ruim op leeftijd, 81 jaar, en moet zich veilig kunnen voelen in zijn woonomgeving. Dat dit incident zijn gevoel van veiligheid in elk geval in enige mate heeft aangetast ligt, anders dan [gedaagde] betoogt, in de rede. Wel weegt de kantonrechter daarbij mee dat [eiseres] zich tijdens deze ruzie zelf ook (verbaal) niet onbetuigd heeft gelaten.

Zonder deugdelijke toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien dat de door [eiseres] gestelde psychische klachten in volle omvang zijn te herleiden naar de vingertik door [gedaagde] , laat staan dat deze in redelijkheid volledig aan [gedaagde] zijn toe te rekenen.

Enige vergoeding van immateriële schade is echter gerechtvaardigd. Alle omstandigheden wegend en tevens in aanmerking nemend de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen hebben toegekend, met inachtneming van de sinds deze uitspraken opgetreden geldontwaarding (vgl. HR 17 november 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA8358), acht de kantonrechter een schadevergoeding van € 150,- passend en geboden. Het meer gevorderde wordt afgewezen.

5.10.

[eiseres] vordert tevens nakoming van een overeenkomst van geldlening die hij zou hebben gesloten met [gedaagde] voor een bedrag van € 250,-. Hoewel deze vordering in het lichaam van de dagvaarding is aangekondigd, heeft [eiseres] uiteindelijk pas bij eisvermeerdering bij nadere akte na de mondelinge behandeling dit bedrag gevorderd. Nu [gedaagde] echter bij nadere akte inhoudelijk op deze eiswijziging heeft gereageerd en tegen deze gang van zaken geen bezwaar heeft gemaakt, zal de kantonrechter de eiswijziging toestaan en hierop beslissen.

5.11.

[eiseres] stelt dat hij € 250,- heeft geleend aan [gedaagde] en dat [gedaagde] deze lening met zijn vakantiegeld van mei 2019 aan [eiseres] zou terugbetalen. Deze stelling is door [eiseres] niet met enig feitelijk stuk onderbouwd.

[gedaagde] heeft betwist dat er sprake is van een overeenkomst van geldlening. Wel heeft hij aangeven dat [eiseres] hem op enig moment 5 ADS-packs van Futurenet heeft gegeven met een waarde van 250 US dollars, met dat afspraak dat als het [gedaagde] niet zou bevallen dat hij deze dan terug zou geven aan [eiseres] . De ADS-packs zouden vervolgens in waarde zijn vermeerderd en [gedaagde] heeft dit bedrag aan [eiseres] aangeboden, die hier echter niets van zou willen weten.

Ter zitting noch bij nadere akte is deze gang van zaken door [eiseres] (voldoende) gemotiveerd weersproken. [eiseres] stelt dat [gedaagde] de geldlening ter zitting zou hebben erkend, maar dat is de kantonrechter niet gebleken.

Ook bij nadere akte heeft [eiseres] zijn vordering niet nader onderbouwd. Dit had gelet op de gemotiveerde betwisting van [gedaagde] wel op de weg van [eiseres] gelegen.

[gedaagde] geeft bij zijn laatste akte weliswaar aan dat het klopt dat [eiseres] hem voor
€ 250,- (dus niet 250 US dollars) aan ADS-packs van Futurenet heeft gegeven, maar daarmee erkent hij geenszins dat hij met [eiseres] een overeenkomst van geldlening van € 250,- heeft gesloten.

Nu [eiseres] heeft nagelaten zijn vordering feitelijk te onderbouwen, heeft hij niet aan de op hem rustende gemotiveerde stelplicht voldaan. Aan nadere bewijslevering wordt dan ook niet toegekomen. Deze vordering wordt als onvoldoende onderbouwd afgewezen.

5.12.

[eiseres] vordert wettelijke rente vanaf het moment van ontstaan van de schade.

Nu schadevergoeding ziet op (de gevolgen van) het toegebrachte lichamelijk letsel (bebloede lip) op 12 juni 2019 zal de wettelijke rente als op de wet gegrond vanaf die dag worden toegewezen.

5.13.

Nu partijen elk deels in het ongelijk worden gesteld ziet de kantonrechter aanleiding de proceskosten te compenseren, in die zin dat partijen elk de eigen kosten dienen te dragen.

6. De beslissing

De kantonrechter:

verklaart voor recht dat [gedaagde] jegens [eiseres] onrechtmatig heeft gehandeld door [eiseres] lichamelijk letsel (een bloedende lip) toe te brengen;

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] tegen kwijting te betalen € 150,-, vermeerderd met de wettelijke rente in de zin van 6:119 BW over dit bedrag vanaf 12 juni 2019 tot aan de dag van algehele voldoening;

compenseert de proceskosten aldus dat partijen elk de eigen kosten dragen;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.I. Mentink en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

32107