Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:3890

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
09-04-2020
Datum publicatie
30-04-2020
Zaaknummer
C/10/590813 / JE RK 20-330
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verlenging ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing. Gewezen t.t.v. corona-maatregelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd

zaakgegevens: C/10/590813 / JE RK 20-330

datum uitspraak: 9 april 2020

beschikking verlenging ondertoezichtstelling en verlenging uithuisplaatsing

in de zaak van

de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering,

hierna te noemen de GI, gevestigd te Rotterdam,

betreffende

[naam kind] ,

geboren op [geboortedatum kind] 2012 te [geboorteplaats kind] , hierna te noemen [naam kind] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[naam moeder] ,

hierna te noemen de moeder, wonende te [woonplaats moeder] ,

[naam vader] ,

hierna te noemen de vader, wonende te [woonplaats vader] .

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 23 januari 2020, ingekomen bij de griffie op 5 februari 2020.


De mondelinge behandeling van deze zaak ter zitting stond gepland op 9 april 2020. Vanwege het beleid van de Raad voor de rechtspraak om verspreiding van het coronavirus tegen te gaan, zoals dat op 16 maart 2020 op www.rechtspraak.nl is gepubliceerd, heeft er geen fysieke zitting plaatsgevonden. Gelet hierop heeft de kinderrechter de betrokkenen telefonisch gehoord.

Gehoord zijn:

- de moeder, bijgestaan door mr. L. Middelkoop, advocaat te Rotterdam,

- de vader,

- een vertegenwoordigster van de GI, mw. [naam vertegenwoordigster] .

De kinderrechter is van oordeel dat deze manier van horen – gelet op de huidige uitzonderlijke omstandigheden – op dit moment voldoende is om tot een goed oordeel te komen en zal daarom een beslissing nemen, zonder verdere mondelinge behandeling.

De feiten

Het ouderlijk gezag over [naam kind] wordt uitgeoefend door de moeder.

[naam kind] woont bij de vader.

Bij beschikking van 23 april 2019 is [naam kind] onder toezicht gesteld tot 23 april 2020.

De kinderrechter heeft bij beschikking van 23 april 2019 ook een machtiging tot uithuisplaatsing van [naam kind] bij de ouder zonder gezag verleend tot 23 april 2020.

Het verzoek

De GI heeft verzocht de ondertoezichtstelling van [naam kind] te verlengen voor de duur van een jaar. Tevens wordt verzocht de machtiging tot uithuisplaatsing van [naam kind] bij de ouder zonder gezag te verlengen voor de duur van een jaar.


De GI heeft het verzoek gehandhaafd en als volgt toegelicht. [naam kind] heeft al enige tijd geen contact met haar moeder. Zij verblijft bij haar vader, die geen gezag over haar heeft. Er is bij de Raad voor de Kinderbescherming een verzoek gedaan tot onderzoek naar eenhoofdig gezag van de vader.

Het standpunt van belanghebbenden

De moeder heeft ingestemd met het verzoek van de GI. De moeder was vanwege persoonlijke problematiek niet meer in staat om voor [naam kind] te zorgen. Daarna is zij in de Ziektewet terechtgekomen. De voormalige jeugdbeschermer wilde de contacten tussen de moeder en [naam kind] snel opbouwen. De moeder voelde zich hierin opgejaagd en kon op dat moment niet bieden wat van haar gevraagd werd. Zij zou graag afspraken maken die voor haar haalbaar zijn om zo te bezien of tot contactherstel met [naam kind] kan worden gekomen. Zonder betrokkenheid van een derde lukt dat de ouders niet. De moeder stemt in met het verblijf van [naam kind] bij haar vader.

Ook de vader stemt in met het verzoek. De vader vindt het belangrijk dat [naam kind] een rustig leven kan leiden en niet hoeft te denken aan de problemen tussen haar ouders. Hij is van mening dat de moeder op dit moment niet de beslissingen neemt die in het belang van [naam kind] zijn.

De beoordeling

Uit de overgelegde stukken en hetgeen door betrokkenen naar voren is gebracht is het volgende gebleken. [naam kind] verblijft sinds juni 2018 bij haar vader. Zij heeft al geruime tijd geen contact gehad met haar moeder. Haar moeder is momenteel door persoonlijke problematiek niet in staat om voor [naam kind] te zorgen. [naam kind] ontwikkelt zich positief bij de vader. De kinderrechter begrijpt dat de GI ervan uitgaat dat [naam kind] bij haar vader zal opgroeien, aangezien er al lange tijd weinig tot geen contact is tussen [naam kind] en haar moeder. De kinderrechter benadrukt daarbij wel dat het voor de ontwikkeling van [naam kind] van groot belang is om op onbelaste wijze contact te kunnen hebben met haar beide ouders. Het ontbreken van (structureel) contact met de moeder is een ernstige ontwikkelingsbedreiging voor [naam kind] . Het lukt de moeder niet zelfstandig om tot een goede, gestructureerde contactregeling met [naam kind] te komen. De kinderrechter gaat er daarom vanuit dat de GI de komende periode zal onderzoeken op welke manier contactherstel tussen [naam kind] en de moeder kan plaatsvinden. Mede omdat de vader geen gezag heeft en de moeder niet altijd goed bereikbaar is, is verlenging van de ondertoezichtstelling nodig.

Uit het voorgaande volgt dat is voldaan aan het wettelijke criterium genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW). De kinderrechter zal daarom de ondertoezichtstelling van [naam kind] verlengen voor de duur van een jaar. Ook is de verlenging van de uithuisplaatsing van [naam kind] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding (artikel 1:265c, tweede lid, BW).

De beslissing
De kinderrechter:

verlengt de ondertoezichtstelling van [naam kind] tot 23 april 2021;

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [naam kind] bij de ouder zonder gezag tot
23 april 2021;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 9 april 2020 door mr. S.C.C. Hes-Bakkeren, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. L.F. Verhaart als griffier. De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 23 april 2020.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Den Haag.