Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:3866

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
24-04-2020
Datum publicatie
08-05-2020
Zaaknummer
7573515 CV EXPL 19-10330
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gedaagde is tekort geschoten in de nakoming van vaststellingsovereenkomst. Herstelkosten begroot op € 8.000,00. Subsidiaire vordering tot schadevergoeding toegewezen tot genoemd bedrag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 7573515 CV EXPL 19-10330

uitspraak: 24 april 2020

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

1. [eiser 1] ,

2. [eiser 2],

beiden wonende te [woonplaats eisers] ,

eisers,

gemachtigde: mr. D.S.J. Panis te Amsterdam,

tegen

1. de vennootschap onder firma

[gedaagde 1] ,

kantoorhoudende te [plaats] , gemeente [gemeente] ,

2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats gedaagde 2] , gemeente [gemeente] ,

3. [gedaagde 3],

wonende te [woonplaats gedaagde 3] , gemeente [gemeente] ,

gedaagden,

gemachtigde: mr. M.J. Biesheuvel te Gorinchem.

Partijen worden hierna (gezamenlijk) aangeduid als “ [eiser 1] c.s.” en “ [gedaagde 1] ”. De heer [gedaagde 2] en de heer [gedaagde 3] worden hierna afzonderlijk aangeduid als “ [gedaagde 2] ” en “ [gedaagde 3] ”.

1. Het verloop van de procedure

1.1

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen.

  • -

    het exploot van dagvaarding van 22 februari 2019, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties;

  • -

    het tussenvonnis van 24 april 2019, waarin een comparitie van partijen is bepaald;

  • -

    de voorafgaande aan de comparitie van partijen aan de zijde van [eiser 1] c.s. bij brief van 21 mei 2019 overgelegde akte houdende overlegging productie;

  • -

    de voorafgaande aan de comparitie van partijen aan de zijde van [gedaagde 1] overgelegde (fax)brieven van 21 mei en 23 mei 2019, met producties;

  • -

    het proces-verbaal van de op 29 mei 2019 gehouden comparitie van partijen;

  • -

    de (fax)brief van 10 september 2019 aan de zijde van [eiser 1] c.s.;

  • -

    de akte houdende uitlating aan de zijde van [eiser 1] c.s., met producties;

  • -

    de akte houdende uitlating aan de zijde van [gedaagde 1] , met producties;

  • -

    de akte houdende uitlating aan de zijde van [eiser 1] c.s.

1.2

Tijdens de comparitie van partijen hebben partijen een regeling getroffen. Die regeling is door middel van een vaststellingsovereenkomst vastgelegd in het proces-verbaal van de zitting. De kantonrechter heeft de zaak vervolgens verwezen naar de rolzitting van
11 september 2019, waar de gemachtigden van partijen de kantonrechter dienden te berichten over (kort gezegd) de stand van zaken met betrekking tot de gemaakte afspraken en een eventueel gewenst vervolg van de procedure. Bij voormelde (fax)brief van
10 september 2019 heeft de gemachtigde van [eiser 1] c.s. namens beide partijen verzocht om uitstel. De kantonrechter heeft dat uitstel verleend en heeft partijen vervolgens in de gelegenheid gesteld om voormelde aktes te nemen.

1.3

De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

De kantonrechter gaat uit van de volgende feiten.

2.1

Partijen hebben in of omstreeks oktober 2017 mondeling een overeenkomst gesloten met betrekking tot betonherstelwerkzaamheden, het aanbrengen van een vloercoating op de balkons en het uitvoeren van stuc- en schilderwerkzaamheden aan de woning van [eiser 1] c.s. gelegen aan de [adres] te Brielle (hierna: de woning).

De woning wordt door [eiser 1] c.s. verhuurd aan derden.

2.2

Op 23 november 2017 heeft [gedaagde 1] een factuur, gedateerd

2 november 2017, aan [eiser 1] c.s. toegestuurd. Daarin is een bedrag van € 7.199,50 (inclusief btw) met betrekking tot de werkzaamheden bij [eiser 1] c.s. in rekening gebracht. [eiser 1] c.s. hebben deze factuur betaald.

2.3

Bij brief van 8 september 2018 hebben [eiser 1] c.s. [gedaagde 1] bericht dat het werk niet voldoet, haar in gebreke gesteld en gesommeerd de gebreken binnen 14 dagen te herstellen en haar aansprakelijk gesteld voor alle geleden en nog te lijden schade.

2.4

Door partijen is veelvuldig gecorrespondeerd over door [eiser 1] c.s. gestelde gebreken ten aanzien van de verrichte werkzaamheden.

2.5

Tijdens de op 29 mei 2019 gehouden comparitie van partijen hebben partijen een vaststellingsovereenkomst gesloten, die is vastgelegd in het proces-verbaal van de zitting en door beide partijen is ondertekend. De vaststellingsovereenkomst luidt als volgt:

“1. [gedaagde 1] zal de discussiepunten aan het voegwerk en de coating waarover partijen in deze procedure een geschil hebben deugdelijk oplossen, waarbij voor het stucwerk tussen de ondergrond en het stucwerk een hechtbrug zal worden aangebracht en waarbij voor de delen waar de coating blaasvorming vertoont de werkzaamheden in ieder geval de volgende stappen zullen betreffen:

- de bestaande laag coating zal er worden afgehaald, de blazen zullen eruit worden gesneden en de vloer zal licht worden opgeschuurd;

- vervolgens zal er een droogperiode van de ondergrond worden ingelast;

- en tenslotte zal er daar waar de blazen zijn uitgesneden de ruimte worden opgevuld en tot slot de vloer van een definitieve toplaag worden voorzien. Met deze werkzaamheden zal een waterdicht resultaat worden bereikt.

2. De werkzaamheden zullen uiterlijk 1 augustus 2019 zijn afgerond.

3. De kosten van het bovenstaande komen voor rekening van [gedaagde 1] .

4. De procedure zal in afwachting van het bovenstaande worden aangehouden tot de rolzitting van woensdag 11 september 2019 om 14.30 uur, waar de gemachtigden van partijen de kantonrechter zullen berichten over de stand van zaken van het bovenstaande, eventueel doorhaling van de procedure zullen verzoeken dan wel de kantonrechter zullen berichten over een eventueel gewenst vervolg van de procedure.

5. Ingeval van het verzoek om de procedure door te halen zullen partijen ieder de eigen kosten dragen van de procedure.”

3. De vordering

3.1

[eiser 1] c.s. hebben bij dagvaarding gevorderd bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

primair:

a. [eiser 1] c.s. te machtigen om de herstelwerkzaamheden uit te (laten) voeren en [gedaagde 1] hoofdelijk te veroordelen tot vergoeding aan [eiser 1] c.s. van de kosten die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van deze machtiging, binnen
14 dagen na overlegging door [eiser 1] c.s. aan [gedaagde 1] van de factuur (of facturen) die op de herstelwerkzaamheden zien dan wel andere door de kantonrechter nodig geachte bescheiden, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf
14 dagen na overlegging van de factuur (of facturen), althans vanaf een door de kantonrechter te bepalen datum, tot aan de dag der algehele voldoening;

subsidiair:

b. [gedaagde 1] hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan [eiser 1] c.s. van een bedrag van € 15.233,51, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 23 september 2018, dan wel vanaf de dag der dagvaarding, tot aan de dag der algehele voldoening;

primair en subsidiair:

c. [gedaagde 1] te veroordelen in de proces- en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.2

Aan hun vordering hebben [eiser 1] c.s. in de dagvaarding - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - het volgende ten grondslag gelegd.

[gedaagde 1] is tekort geschoten in de nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomst, doordat zij de overeengekomen werkzaamheden niet deugdelijk heeft uitgevoerd. [eiser 1] c.s. hebben [gedaagde 1] in de gelegenheid gesteld om de gebreken te herstellen. Nu [gedaagde 1] dat heeft nagelaten, is zij in verzuim geraakt. [eiser 1] c.s. dienen daarom op grond van artikel 3:299 BW gemachtigd te worden om zelf te bewerkstelligen waartoe deugdelijke nakoming zou hebben geleid, dat wil zeggen om zelf de herstelwerkzaamheden te (laten) verrichten. De kosten die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de machtiging, oftewel de kosten van de herstelwerkzaamheden, komen op grond van artikel 3:299 lid 3 BW voor rekening van [gedaagde 1] .

Subsidiair maken [eiser 1] c.s. op grond van artikel 6:74 BW aanspraak op (vervangende) schadevergoeding ter hoogte van de benodigde herstelwerkzaamheden van in totaal € 15.233,51. De dagvaarding dient te worden beschouwd als een omzettingsverklaring in de zin van artikel 6:87 BW.

Voorts maken [eiser 1] c.s. aanspraak op vergoeding van de wettelijke rente.

3.3

Op hetgeen door [eiser 1] c.s. in voormelde aktes is aangevoerd, voor zover althans van belang voor de uitkomst van de procedure, wordt hierna teruggekomen.

4. Het verweer

4.1

[gedaagde 1] heeft de vordering betwist en heeft geconcludeerd tot het niet-ontvankelijk verklaren van [eiser 1] c.s. in hun vordering dan wel deze af te wijzen, met veroordeling van [eiser 1] c.s. in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente, en de nakosten. Daartoe heeft [gedaagde 1] in de conclusie van antwoord het volgende - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - aangevoerd.

Het werk is door [eiser 1] c.s. aanvaard. [gedaagde 1] is niet in verzuim geraakt. [gedaagde 1] betwist ook tekort te zijn geschoten in de nakoming van de overeenkomst. Van gebreken aan de uitgevoerde werkzaamheden is geen sprake. Er bestaat dan ook geen grond voor de (primaire en subsidiaire) vordering van [eiser 1] c.s.

4.2

Op hetgeen door [gedaagde 1] in voormelde akte is aangevoerd, voor zover althans van belang voor de uitkomst van de procedure, wordt hierna teruggekomen.

5. De beoordeling van de vordering

5.1

Zoals hiervoor reeds is vermeld hebben partijen tijdens de comparitie van partijen een minnelijke regeling getroffen. Die regeling is vastgelegd in de door beide partijen ondertekende vaststellingsovereenkomst, waarvan de inhoud hiervoor onder 2.5 is geciteerd. Ingevolge het bepaalde in artikel 7:900 lid 1 BW hebben beide partijen door deze schikking ter beëindiging of ter voorkoming van onzekerheid of geschil omtrent hetgeen tussen hen rechtens geldt, zich jegens elkaar aan deze vaststelling gebonden en geldt deze vaststelling ook voor zover deze van de tevoren bestaande rechtstoestand afwijkt.

Dit betekent dat de door partijen ingenomen stellingen en overgelegde stukken die geen (rechtstreeks) verband houden met de vaststellingsovereenkomst niet meer relevant zijn voor de beoordeling van het geschil en daarom geen bespreking meer behoeven, omdat partijen gebonden zijn aan de vaststellingsovereenkomst.

5.2

Partijen twisten over de vraag of [gedaagde 1] de regeling correct is nagekomen. [eiser 1] c.s. hebben gesteld dat dit niet het geval is, hetgeen door

[gedaagde 1] is betwist. De kantonrechter oordeelt daarover als volgt.

5.2.1

De kantonrechter gaat voorbij aan de stelling van [eiser 1] c.s. dat de (herstel)werkzaamheden niet uiterlijk op de in de vaststellingsovereenkomst bepaalde datum van 1 augustus 2019 waren voltooid, maar (pas) op 12 september 2019. Tussen partijen is niet in geschil dat in onderling overleg een latere datum is overeengekomen waarop de werkzaamheden afgerond zouden worden, in verband met de vakantie van één van partijen (partijen verschillen van mening welke partij dit betreft) en de (wisselende) weersomstandigheden. Dit betekent dat die (enkele) omstandigheid niet tot het oordeel kan leiden dat [gedaagde 1] de regeling niet correct is nagekomen.

5.3

[eiser 1] c.s. hebben gesteld dat de in de vaststellingsovereenkomst afgesproken (herstel)werkzaamheden niet deugdelijk zijn verricht, onder andere omdat de vloer van het balkon aan de voorzijde van de woning niet is gladgestreken op de plaatsen van de uitgesneden blazen en er zeer onzorgvuldig is geschilderd, onder andere omdat er grote druipsporen aanwezig zijn. Ter onderbouwing daarvan hebben [eiser 1] c.s. diverse foto’s overgelegd. De kantonrechter stelt vast dat uit die foto’s inderdaad blijkt dat de plekken waar de blazen zijn uitgesneden nog duidelijk zichtbaar zijn en dat er een aantal aanzienlijke en in het oog springende druipsporen aanwezig zijn. [gedaagde 1] heeft ook erkend dat het resultaat niet spiegelglad is en dat er druipsporen zichtbaar zijn.

Partijen zijn in de vaststellingsovereenkomst niet overeengekomen dat, daar waar de blazen zijn uitgesneden en de ruimte wordt opgevuld, de definitieve toplaag op de vloer niet glad afgewerkt zou worden. [eiser 1] c.s. mochten er dan ook vanuit gaan dat [gedaagde 1] de vloer op een gladde wijze zou afwerken. Voor zover dat niet haalbaar is, zoals [gedaagde 1] heeft aangevoerd, nog afgezien van het feit dat door haar niet is onderbouwd waarom een dergelijk resultaat niet te realiseren valt, had het op de weg van [gedaagde 1] gelegen om dat expliciet met [eiser 1] c.s. af te spreken en in de vaststellingsovereenkomst op te (laten) nemen. Nu [gedaagde 1] dat niet heeft gedaan, komt het voor haar rekening en risico dat de plekken waar de blazen zijn uitgesneden nog duidelijk zichtbaar zijn en dat de definitieve toplaag niet glad is.

5.3.1

Het verweer van [gedaagde 1] dat (door toedoen van [eiser 1] c.s.) geen oplevering van het (herstel)werk heeft plaatsgevonden en dat de druipsporen bij een oplevering nog verholpen hadden kunnen worden, kan niet slagen.

Partijen hebben afgesproken dat [gedaagde 1] de discussiepunten aan het voegwerk en de coating waarover partijen in deze procedure een geschil hebben (alsnog) deugdelijk (uiterlijk 1 augustus 2019) zou oplossen. Dit betekent dat [gedaagde 1] de afgesproken (herstel)werkzaamheden volledig en correct had moeten uitvoeren en dat het eindresultaat geheel deugdelijk diende te zijn. Niet is afgesproken, en dat ligt gezien de voorgeschiedenis tussen partijen overigens ook niet direct voor de hand, dat vervolgens ook nog een (officiële) oplevering diende plaats te vinden. Het kan in redelijkheid ook niet van [eiser 1] c.s. worden gevergd om [gedaagde 1] in de gelegenheid te stellen om wederom herstelwerkzaamheden te verrichten. Daarbij komt nog dat de druipsporen zodanig zichtbaar zijn, dat [gedaagde 1] die verfsporen zelf direct had moeten opmerken. Het had op haar weg gelegen om een en ander te verhelpen voordat zij de woning verliet.

5.4

Het voorgaande leidt er reeds toe dat [gedaagde 1] de overeengekomen (herstel)werkzaamheden niet deugdelijk heeft uitgevoerd. Daar komt nog het volgende bij.

[eiser 1] c.s. heeft op 30 september 2019 (nogmaals) [naam aannemingsbedrijf] . (hierna: [naam aannemingsbedrijf] ) naar de door [gedaagde 1] verrichte (herstel)werkzaamheden laten kijken. De constateringen, die door [naam aannemingsbedrijf] op 1 oktober 2019 schriftelijk aan [eiser 1] c.s. zijn meegedeeld, zijn door hen in het geding gebracht. In dat stuk is vermeld dat de afwerklaag aan de bovenzijde van de balkons op sommige plekken nog steeds hol klinkt, dat dit betekent dat die afwerklaag niet goed hecht aan de ondergrond en dat nog steeds een kier aanwezig is bij de rvs strip aan de bovenzijde van de balkons, als gevolg waarvan daar water achterlangs kan sijpelen en tussen de afwerklaag en de betonconstructie kan komen. Daardoor kunnen op langere termijn de afwerkvloeren van de balkons opnieuw los komen te liggen en trekt het water ook door naar de onderzijde van de balkons, aldus [naam aannemingsbedrijf] .

5.4.1

Vastgesteld moet worden dat [gedaagde 1] deze (bouwtechnische) bevindingen onvoldoende heeft weersproken. De enkele betwisting daarvan is (volstrekt) onvoldoende. Dat zich in de periode tussen de voltooiing van het (herstel)werk op
12 september 2019 en de datum waarop de akte uitlaten aan de zijde van [gedaagde 1] bij de rechtbank is ingediend (op 5 november 2019) nog geen problemen met de vloeren hebben voorgedaan, zoals door [gedaagde 1] is aangevoerd, betekent niet dat het werk “dus” deugdelijk is uitgevoerd. Die periode bedraagt nog geen twee maanden. [naam aannemingsbedrijf] heeft niet verklaard dat op zo’n korte termijn al problemen te verwachten zijn met de afwerkvloeren. Het voorgaande betekent dat er in rechte vanuit wordt gegaan dat (ook) de afwerklagen niet goed zijn aangebracht en dat er geen waterdicht resultaat is bereikt met de werkzaamheden, hetgeen partijen wel uitdrukkelijk zijn overeengekomen in de vaststellingsovereenkomst.

5.5

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [gedaagde 1] tekort is geschoten in de nakoming van de vaststellingsovereenkomst.

5.6

[naam aannemingsbedrijf] heeft de herstelkosten begroot op een totaalbedrag van € 8.602,97 (inclusief btw). Nu partijen erover van mening verschillen of de schade aan en de verfresten op de plafonnière, balkondeur, vensterbank, balustrade en de parketvloer al dan niet door [gedaagde 1] is veroorzaakt en die vraag op basis van de thans voorhanden stukken niet valt te beantwoorden, dienen de daarmee verband houdende kosten nog in mindering te worden gebracht op voormeld bedrag. De kantonrechter acht een bedrag van € 600,00 (inclusief btw) aan minderwerk ten aanzien van die punten redelijk, nu in verhouding tot het totaalpakket aan begrote herstelwerkzaamheden slechts sprake is van relatief geringe herstelpunten aan voornoemde zaken.

Het verweer van [gedaagde 1] dat de herstelkosten slechts enkele honderden euro’s bedragen is gelet op de ter onderbouwing van haar vordering door [eiser 1] c.s. overgelegde begroting van [naam aannemingsbedrijf] onvoldoende. [gedaagde 1] heeft niets overgelegd waaruit de juistheid van haar stelling aannemelijk wordt gemaakt, hetgeen wel op haar weg had gelegen, en voor een dergelijk (zeer) laag bedrag aan herstelkosten bestaat ook anderszins geen enkele aanwijzing.

Het voorgaande leidt ertoe dat de herstelkosten worden begroot op een totaalbedrag van (afgerond) € 8.000,00 (inclusief btw).

5.7

[eiser 1] c.s. hebben in hun voormelde aktes de (primaire en subsidiaire) vorderingen zoals geformuleerd in de dagvaarding gehandhaafd. Niet in geschil is dat [eiser 1] c.s. de factuur van [gedaagde 1] van € 7.199,50 (volledig) hebben voldaan. Nu de schade hiervoor al is begroot op een bedrag van € 8.000,00, ziet de kantonrechter geen aanleiding om de primaire vordering, strekkende tot het machtigen van [eiser 1] c.s. om een derde opdracht te geven herstelwerkzaamheden te verrichten en de daarmee verband houdende kosten voor rekening te laten komen van [gedaagde 1] , toe te wijzen. [gedaagde 1] zou daardoor mogelijk onredelijk (financieel) worden benadeeld. Het in genoemde akte door [gedaagde 1] gevoerde verweer tegen het verlenen van een dergelijke machtiging (aan [naam aannemingsbedrijf] ) kan daarom verder onbesproken blijven.

De subsidiaire vordering tot schadevergoeding is op grond van artikel 6:74 lid 1 BW en gelet op hetgeen hiervoor is overwogen wel toewijsbaar tot het bedrag van € 8.000,00. Ingevolge artikel 6:83 aanhef en onder a BW is het verzuim van [gedaagde 1] zonder ingebrekestelling ingetreden, nu een voor de voldoening bepaalde termijn is verstreken zonder dat de verbintenis is nagekomen. Die vordering wordt dan ook in zoverre toegewezen.

5.8

De gevorderde wettelijke rente zal als (inhoudelijk) onweersproken en op de wet gegrond worden toegewezen over het toewijsbare bedrag van € 8.000,00 en vanaf
12 september 2019, zijnde de dag waarop de herstelwerkzaamheden ingevolge de vaststellingsovereenkomst zijn voltooid en [gedaagde 1] in verzuim is geraakt.

5.9

Hetgeen verder nog door partijen is aangevoerd, kan tot geen ander oordeel leiden en behoeft daarom geen (nadere) bespreking.

5.10

In de vaststellingsovereenkomst is bepaald dat, ingeval de kantonrechter wordt verzocht om de procedure door te halen, partijen ieder de eigen kosten zullen dragen van de procedure. Nu een dergelijk verzoek niet is gedaan en partijen verder hebben geprocedeerd, zal [gedaagde 1] gelet op de uitkomst van de procedure als de (grotendeels) in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

De door [eiser 1] c.s. gevorderde nakosten zullen worden toegewezen als hierna vermeld, nu gelet op het arrest van de Hoge Raad van 14 februari 2014 (ECLI:NL:HR:2014:335) de proceskostenveroordeling hiervoor reeds een executoriale titel geeft en de kantonrechter van oordeel is dat de nakosten zich ook vooraf laten begroten.

6. De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hoofdelijk, des dat de een betalend de ander zal zijn bevrijd, om aan [eiser 1] c.s. tegen kwijting te betalen het bedrag van € 8.000,00 (inclusief btw), vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel
6:119 BW over dat bedrag vanaf 12 september 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] eveneens hoofdelijk in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiser 1] c.s. vastgesteld op € 585,01 aan verschotten en € 750,00 aan salaris voor de gemachtigde, en voorts, indien [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] niet binnen 14 dagen na de datum van het onderhavige vonnis (vrijwillig) aan dit vonnis hebben voldaan, de wettelijke rente
ex artikel 6:119 BW over die bedragen en tevens een bedrag van € 120,00 aan nasalaris. Indien daarna betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, dient het bedrag aan nasalaris nog te worden verhoogd met de kosten van betekening, eveneens vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over al deze bedragen vanaf 14 dagen na de betekening van het vonnis tot de dag der algehele voldoening;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. K.J. Bezuijen en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

764