Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:3851

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
17-04-2020
Datum publicatie
30-04-2020
Zaaknummer
7933212 CV EXPL 19-32043
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verschuldigdheid eigen bijdrage zorgverzekeringsovereenkomst. Proceskosten gedeeltelijk toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 7933212 \ CV EXPL 19-32043

uitspraak: 17 april 2020

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

de naamloze vennootschap

Menzis Zorgverzekeraar N.V,,

gevestigd te: Wageningen,

eiseres bij exploot van dagvaarding van 10 juli 2019,

gemachtigde: GGN Mastering Credit B.V. te Rotterdam,

tegen

[gedaagde] ,

woonplaats: [woonplaats gedaagde] ,

gedaagde,

die in persoon procedeert.

Partijen worden hierna aangeduid als Menzis en [gedaagde] .

1. Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken:

  • -

    het exploot van dagvaarding, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties;

  • -

    de conclusie van repliek, met producties;

  • -

    de conclusie van dupliek, met producties;

  • -

    de akte aan de zijde van Menzis van 13 februari 2020;

  • -

    de akte aan de zijde van [gedaagde] van 5 maart 2020.

1.2

De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, alsmede op grond van de in zoverre niet weersproken inhoud van de producties, staat tussen partijen het volgende vast.

2.1

[gedaagde] heeft met Menzis een zorgverzekeringsovereenkomst gesloten onder nummer [polisnummer] . Deze zorgverzekeringsovereenkomst heeft betrekking op de basisverzekering en/of de aanvullende verzekering.

2.2

[gedaagde] is uit hoofde van deze zorgverzekeringsovereenkomst een eigen bijdrage verschuldigd voor de aan hem verleende zorg.

2.3

Menzis, althans haar gemachtigde GGN (hierna: GGN) namens Menzis, heeft [gedaagde] in de periode 5 april 2014 tot en met 25 april 2019 aanmaningen gezonden.

2.4

[gedaagde] heeft op 2 mei 2019 via het klachtformulier op de website van GGN het volgende bericht gestuurd:

“(…)

Brief op 1 mei ontvangen. Kan van het gepresenteerde geen soep maken. Volgens u zijn te naaste bij 170 facturen onbetaald gebleven, waarbij facturen ter grootte van € 1 en € 2. Deze heb ik nooit ontvangen. Al die andere facturen ook niet. Ik betwist dat Menzis die ooit gestuurd heeft. Onbetaald volgens uw opgave € 1852. Echter, u vordert € 1492.

Vanwaar het verschil? Specificatie graag. Tevens graag berekening van de rente.

Blijkbaar is deze brief in alle haast geproduceerd. Wil kopieën van die vermeende facturen zien. Zonder een degelijke onderbouwing van uw vordering is solide verweer niet mogelijk. U schaadt dan (bewust) mijn bewijspositie, met als doel maximalisatie van uw opbrengst.

Ik wil ook weten of u of Menzis van mening is op dit moment nog meer van mij te vorderen te hebben. Geen al dan niet bewuste salamitactiek dus! Als u over het antwoord te lang doet, of één of meer van mijn legitieme eisen negeert, zie ik dat als een laakbare poging zo snel mogelijk tot realisatie van onder andere de buitengerechtelijke incassokosten te komen.

(…)”

2.5

Bij e-mail van 16 mei 2019 (vanaf e-mailadres [e-mailadres]) heeft [gedaagde] GGN verzocht om op zijn bericht van 2 mei 2019 te reageren.

2.6

Op 15 juli 2019 heeft [gedaagde] de volgende e-mail aan GGN gestuurd:

“(…)

Onder voorbehoud van alle rechten en weren breng ik het volgende bij u voor.

Menzis heeft mij gedagvaard voor betaling van achterstallige zorgkosten. Het betreft een langere periode, die start in 2013 en loopt tot in 2017. Het betreft vele kleine bedragen, voortkomende uit de eigen risicosfeer. Volgens uw opgaaf totaal 1877,85.

Menzis vordert 1491,98. Menzis geeft niet aan waar het verschil in zit. Aangezien u de redactie van de dagvaarding hebt verzorgd kunt mij ongetwijfeld aangeven waar het verschil vandaan komt.

Ik overweeg een procedure te vermijden door betaling aan Menzis te doen. Dat zou dan betreffen de betaling van de nog niet verjaarde vorderingen. Daarenboven zou betaald worden het bijpassende bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten, het door u uitgebrachte exploot en een bedragje voor de vertragingsrente. Overige ‘kosten’ betaal ik niet. Er is daar wel een voorwaarde aan verbonden. Ik wil een garantie dat daarmede alle achterstallige betalingen tot en met 2017 zijn voldaan en dat Menzis mij afmeldt bij het CAK. Mijn belang bij de besparing op de boete in de bestuursrechtelijke premie is evident. Op mijn voorstel ontvang ik gaarne een reactie.

U begrijpt dat er enige voortvarendheid geboden is. U kunt mij desgewenst bereiken op nummer (…)

(…)”

2.7

GGN heeft bij e-mail van 23 juli 2019 aan [gedaagde] meegedeeld dat zij niet akkoord gaat met zijn voorstel en dat, als hij de zitting van 1 augustus 2019 wil voorkomen, hij het bedrag van € 2.160,92 uiterlijk 3 werkdagen voor de zitting aan GGN dient te betalen.

2.8

Bij e-mail van 24 juli 2019 heeft [gedaagde] nogmaals om uitleg gevraagd over het verschil van bijna € 400,- tussen het volgens de dagvaarding openstaande bedrag en het door Menzis geclaimde bedrag.

2.9

Bij e-mail van 12 augustus 2019 heeft GGN het volgende aan [gedaagde] bericht:

“ (…)

Aa de dagvaarding was per abuis een onjuiste specificatie gehecht. Een aantal bedrage in de betreffende specificatie maken geen onderdeel uit van onderhavige procedure. Bijgaand treft u de juiste specificatie aan.

Hen een en ander houdt niet in dat u de betreffende bedragen niet aan Menzis verschuldigd bent, doch de vordering waarin u gedagvaard bent bedraagt aan hoofdsom 1.491,98.

(…)”

3. De vordering

3.1

Menzis heeft bij dagvaarding gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen aan haar te betalen een bedrag van € 1.877,85 te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 1.491,98, te berekenen vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening en met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten, waaronder een bedrag aan salaris voor de gemachtigde van Menzis.

3.2

Menzis heeft naast de onder 2. genoemde vaststaande feiten -zakelijk weergegeven- aan haar vordering ten grondslag gelegd dat [gedaagde] tekort is geschoten in de nakoming van de tussen hem en Menzis gesloten zorgverzekeringsovereenkomst door in de periode 1 maart 2014 tot en met 13 mei 2017 een bedrag van € 1.491,98 aan eigen bijdragen onbetaald te laten. Menzis vordert dit bedrag aan hoofdsom.

Op grond van het bepaalde in artikel 6:119 BW maakt Menzis tevens aanspraak op de wettelijke rente die berekend vanaf de dag van verzuim tot 10 juli 2019 € 115,07 bedraagt.

Menzis vordert tot slot op grond van het bepaalde in artikel 6:96 lid 5 BW een bedrag van € 270,80 (incl. € 47,00 btw) aan buitengerechtelijke incassokosten.

4. Het verweer

4.1

[gedaagde] heeft -zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang- het volgende verweer gevoerd.

4.1.1

Menzis heeft niet aan de op haar rustende stelplicht voldaan. Uit de bij dagvaarding overgelegde specificatie kan niet worden afgeleid hoe de gevorderde hoofdsom van

€ 1.491,98 is opgebouwd. Dezelfde declaratienummers komen meerdere keren op de specificatie voor, maar met andere bedragen. Daarnaast is onduidelijk op welke verleende zorg de op de specificatie vermelde bedragen betrekking hebben.

[gedaagde] heeft GGN op 2 mei 2019 om uitleg over de vordering gevraagd en verzocht om de onderliggende facturen aan hem te verstrekken. Hoewel GGN daarop meedeelde binnen 8 dagen te zullen reageren, heeft GGN pas op 12 augustus 2019 een specificatie aan [gedaagde] gestuurd. De vordering moet daarom worden afgewezen.

4.1.2

De vordering ten aanzien van het eigen risico voor verleende zorg op de behandeldata 27 januari 2014, 12 februari 2014, 25 februari 2014, 1 april 2014, 16 april 2014 en 25 april 2014 is verjaard, waardoor in totaal een bedrag van € 185,78 op de vordering in mindering moet worden gebracht.

4.1.3

[gedaagde] betwist de verschuldigdheid van de wettelijke rente omdat niet inzichtelijk is gemaakt hoe het gevorderde bedrag is opgebouwd.

4.1.4

[gedaagde] betwist de verschuldigdheid van de buitengerechtelijke incassokosten.

De 14 dagen-brief van 25 april 2019 kan niet als afschrift in de zin van artikel 85 RV worden aangemerkt. Menzis had ook de voor de 14 dagen-brief verstuurde aanmaningen in het geding moeten brengen. Menzis is bovendien niet binnen de gestelde termijn van 14 dagen ingegaan op het verzoek van [gedaagde] om de vordering nader te specificeren en Menzis stond ook niet open voor het verzoek van [gedaagde] bij brief van 15 juli 2019 om een regeling in der minne te treffen.

4.1.5

[gedaagde] heeft tot slot aangevoerd dat Menzis in de proceskosten en alle bijkomende kosten moet worden veroordeeld.

5. De beoordeling van de vordering

5.1

De kantonrechter stelt allereerst vast dat bij dagvaarding een bedrag van € 1.491,98 wordt gevorderd, maar dat onder de specificatie een totaalbedrag van € 1.852,17 staat vermeld. Zonder nadere toelichting -die ontbreekt- kan het verschil tussen deze bedragen niet uit de dagvaarding worden afgeleid en is onduidelijk welke bedragen op de specificatie wel en welke niet onder de gevorderde hoofdsom vallen. Daarnaast constateert de kantonrechter dat uit de bij dagvaarding gevoegde specificatie, die uit 7 pagina’s bestaat met daarop alleen een referentie, periode, bedrag en factuurdatum vermeld, niet kan worden afgeleid waar de in rekening gebrachte bedragen betrekking op hebben.

Naar het oordeel van de kantonrechter heeft Menzis met deze ondoorzichtige dagvaarding niet aan haar substantiëringsplicht voldaan en zij gaat ervan uit dat [gedaagde] dit bedoeld heeft te stellen daar waar hij spreekt over de stelplicht.

[gedaagde] heeft in dit verband tot afwijzing van de vordering geconcludeerd. Schending van het hier aan de orde zijnde artikel 21 van het Wetboek van Rechtsvordering leidt echter niet zonder meer tot het afwijzen van de vordering, maar geeft de kantonrechter de mogelijkheid daaruit de gevolgtrekking te maken die zij geraden acht. De kantonrechter komt hierop onder 5.7 terug.

5.2

De kantonrechter stelt voorts vast dat pas uit de bij repliek overgelegde onderliggende specificaties van 1 maart 2014, 9 maart 2014, 6 mei 2014, 7 juni 2014, 12 juli 2014, 7 februari 2015, 14 maart 2015, 4 april 2015, 12 maart 2016, 24 april 2016, 8 mei 2016, 19 maart 2017, 19 februari 2017 en 13 mei 2017 duidelijk is geworden waar de hoofdsom van

€ 1.491,98 betrekking op heeft, namelijk op in rekening gebrachte eigen bijdragen voor de op de specificaties vermelde behandeldata verrichte zorg.

5.3

[gedaagde] heeft aangevoerd dat de vordering voor wat betreft de voor de op 27 januari 2014, 12 februari 2014, 25 februari 2014, 1 april 2014, 16 april 2014 en 25 april 2014 verrichte zorg in rekening gebrachte eigen bijdragen is verjaard.

Deze behandelingen zijn blijkens de bij repliek overgelegde specificaties bij facturen van

1 maart 2014, 9 maart 2014 en 6 mei 2014 aan [gedaagde] in rekening gebracht. Uit de door Menzis bij repliek als productie 5 overgelegde correspondentie blijkt dat [gedaagde] in meerdere brieven tot betaling van deze bedragen is gemaand. Bij de brief van 8 mei 2014 is hij zelfs gemaand tot betaling van al deze bedragen. [gedaagde] heeft de ontvangst van deze brieven niet betwist, zodat de verjaring – in elk geval met de brief van 8 mei 2018 – is gestuit. Van verjaring is dan ook geen sprake, zodat dit verweer wordt verworpen.

5.4

Nu [gedaagde] verder geen verweer heeft gevoerd tegen de gevorderde hoofdsom, wordt het gevorderde bedrag van € 1.491,98 toegewezen.

5.5

De wettelijke rente wordt eveneens toegewezen nu [gedaagde] daartegen geen voldoende concreet en onderbouwd verweer heeft gevoerd.

5.6

De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten komt eveneens voor toewijzing in aanmerking, nu met het versturen van de brief van 25 april 2019 anders dan [gedaagde] meent, is voldaan aan de vereisten zoals neergelegd in artikel 6:96, zesde lid BW. Er is voorts geen verplichting voor een eiser om in te gaan om een verzoek om een regeling in der minne te treffen. Deze vordering zal worden toegewezen voor het gevorderde bedrag van € 270,80 (incl. 47,00 btw), nu dit overeenkomstig de daarvoor geldende tarieven is berekend.

5.7

Omdat [gedaagde] in het ongelijk is gesteld wordt hij veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van Menzis. Daarbij is van belang dat uit de door [gedaagde] overgelegde correspondentie blijkt dat hij meerdere malen om uitleg over de vordering heeft gevraagd. Menzis heeft weliswaar gesteld dat GGN bij e-mails van 10 mei 2019 en 18 juni 2019 de onderliggende facturen aan [gedaagde] heeft gemaild, maar zij heeft haar stelling dat deze e-mails naar het juiste e-mailadres zijn gestuurd, tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door [gedaagde] , onvoldoende onderbouwd. De door Menzis in dat verband overgelegde screenprint toont niet aan dat de betreffende e-mails aan het emailadres [e-mailadres] zijn gestuurd, noch dat deze e-mails door [gedaagde] zijn ontvangen. In rechte wordt er dan ook vanuit gegaan dat [gedaagde] , ondanks zijn herhaalde verzoeken daartoe, vóór 12 augustus 2019 geen antwoord op zijn vragen heeft gekregen. In plaats daarvan ontving hij een dagvaarding die aan helderheid het nodige te wensen overliet. De kantonrechter ziet in deze omstandigheden reden om de dagvaardingskosten voor rekening van Menzis te laten en om evenmin punten aan gemachtigdensalaris voor de dagvaarding toe te kennen. De proceskosten aan de zijde van Menzis worden met inachtneming hiervan vastgesteld op € 486,00 aan griffierecht en € 270,00 aan salaris voor de gemachtigde (1,5 punt van € 180,00 per punt).

6. De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] om aan Menzis tegen kwijting te betalen een bedrag van € 1.877,85, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 1.491,98 vanaf 10 juli 2019 tot aan de dag van algehele voldoening;

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Menzis vastgesteld op € 486,00 aan griffierecht en € 270,00 aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. van Kalmthout en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

426