Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:3842

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
17-04-2020
Datum publicatie
29-04-2020
Zaaknummer
7854088 / CV EXPL 19-27404
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Deurwaarderskantoor niet aansprakelijk voor handelen deurwaarder. Geen sprake van onrechtmatige daad door deurwaarderskantoor.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2020/280
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 7854088 / CV EXPL 19-27404

uitspraak: 17 april 2020

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats eiser] ,

eiser,

gemachtigde: mr. J. Wagenmakers (De Rechtsagent B.V.), te Spijkenisse,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

GGN Mastering Credit B.V.,

gevestigd te Utrecht,

gedaagde,

gemachtigde: [gemachtigde 1] (GGN Mastering Credit B.V.), te Rotterdam.

Partijen worden hierna aangeduid als ‘ [eiser] ’ respectievelijk ‘GGN’.

1. Het verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennisgenomen heeft:

  • -

    het exploot van dagvaarding van 11 juni 2019, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties;

  • -

    de conclusie van repliek, met producties;

  • -

    de rolbeslissing van 25 oktober 2019;

  • -

    de conclusie van dupliek;

  • -

    het tussenvonnis van 7 februari 2020, waarin de kantonrechter een comparitie van partijen heeft bepaald.

1.2.

Op 11 maart 2020 heeft een comparitie van partijen plaatsgevonden. Op deze zitting is [eiser] in persoon verschenen, bijgestaan door mr. J. Wagemakers als gemachtigde. Namens GGN zijn [gemachtigde 1] en de [gemachtigde 2] als gemachtigden verschenen. Van hetgeen ter zitting is besproken heeft de griffier aantekeningen gemaakt.

1.3.

De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis (nader) bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen, voor zover van belang, het volgende vast.

2.1.

Bij vonnis van 6 juni 2012 van de rechtbank Amsterdam is [eiser] veroordeeld om aan [bedrijf] (hierna: [bedrijf] ) te betalen een bedrag van € 1.189,26 aan hoofdsom, € 150,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, € 75,20 aan rente berekend tot 18 oktober 2011, de rente over € 1.189,26 vanaf 18 oktober 2011 tot aan de dag van algehele voldoening en de proceskosten.

2.2.

Op 29 november 2018 heeft de deurwaarder op verzoek van [bedrijf] beslag gelegd op de Mercedes-Benz C 200 CDI Sedan met kenteken [kentekennummer] (hierna: de auto) van [eiser] . Volgens het proces-verbaal van verkoop roerende zaken van 18 januari 2019 is de auto verkocht voor een totaalbedrag van € 350,00.

3. De vordering

3.1.

[eiser] heeft bij dagvaarding gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

A. te verklaren voor recht dat GGN ten onrechte beslag heeft gelegd op de auto;

B. GGN te veroordelen tot restitutie van € 982,56 aan rente;

C. GGN te veroordelen tot het vergoeden van schade aan [eiser] tot een bedrag van € 1.947,54;

D. GGN te veroordelen tot voldoening van buitengerechtelijke kosten, welk bedrag in goede justitie kan worden bepaald;

E. GGN te veroordelen in de proceskosten.

3.2.

Aan zijn vordering heeft [eiser] – zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang – het volgende ten grondslag gelegd.

Een grosse van het vonnis van 6 juni 2012 is nooit aan [eiser] betekend. Pas op 22 oktober 2018 is [eiser] er door GGN op gewezen dat er op 23 oktober 2018 een beslag bij hem thuis zou plaatsvinden. GGN heeft diverse malen brieven voor [eiser] incorrect geadresseerd. Door het handelen van GGN is het gevorderde bedrag hoog opgelopen. [eiser] maakt daarom aanspraak op een creditering van € 982,56 aan rente. Daarnaast heeft GGN, ondanks dat [eiser] daartegen heeft geprotesteerd, beslag gelegd op de auto en voor een bedrag van slechts € 350,00 verkocht, terwijl de marktwaarde van de auto wordt geschat op een bedrag van € 4.000,00. Van een ervaren en deskundige partij als GGN mag verwacht worden dat zij een realistische inschatting maken van de opbrengst van de auto. Door het beslag op de auto was [eiser] vanwege zijn werk genoodzaakt een auto te huren. De kosten hiervoor bedragen in totaal € 1.947,54. Het handelen van GGN is onrechtmatig, waardoor zij op grond van artikel 6:162 BW aansprakelijk is voor de door [eiser] geleden schade.

4. Het verweer

Het verweer van GGN strekt primair tot het niet-ontvankelijk verklaren van [eiser] in zijn vordering, althans tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten. Daartoe heeft GGN – zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang – het volgende aangevoerd.

Het beslag is niet gelegd door GGN, aangezien zij een vennootschap is en geen gerechtsdeurwaarder of executant is. Nog daargelaten de vraag of sprake is van een onrechtmatige beslaglegging, kan het kantoor van de deurwaarder niet uit onrechtmatige daad worden aangesproken. Nu zowel de hoofdvordering als de nevenvorderingen voortvloeien uit een beslag dat niet is gelegd door GGN, is [eiser] niet-ontvankelijk in zijn vorderingen.

Voorts is geen sprake van onrechtmatig handelen door GGN. Op 11 juli 2012 is het vonnis van 6 juni 2012 aan [eiser] betekend. [eiser] heeft zelf op 3 augustus 2013 telefonisch contact opgenomen met GGN om een betalingsregeling te treffen. Op een aantal brieven na is de correspondentie aan het juiste adres van [eiser] gericht. Bovendien is het beslag op de auto van [eiser] rechtmatig gelegd. [eiser] heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om een executiegeschil te starten teneinde de executie tegen te houden.

5. De beoordeling

5.1.

Ter comparitie van partijen heeft [eiser] verklaard dat het onderhavige geschil geen executiegeschil betreft, maar een vordering uit onrechtmatige daad jegens GGN.

5.2.

Voor zover [eiser] verwijt dat de deurwaarder onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld, is [eiser] niet-ontvankelijk in zijn vordering jegens GGN. Daartoe wordt als volgt overwogen.

5.2.1.

De taken en bevoegdheden van de gerechtsdeurwaarder zijn beschreven in de Gerechtsdeurwaarderswet. Deze regelt het ambt van de gerechtsdeurwaarder.

De gerechtsdeurwaarder is als natuurlijk persoon een door de Kroon benoemde functionaris met een onafhankelijke positie. De belangrijkste van de verschillende ambtsverplichtingen van de deurwaarder is de ministerieplicht, dat wil zeggen de plicht van de gerechtsdeurwaarder om, indien daarom wordt verzocht, zijn ambtelijke diensten te verlenen, zoals het ten uitvoer leggen van executoriale titels en het in dat verband leggen van executoriale beslagen.

5.2.2.

Beslag kan in het wettelijk stelsel alleen worden gelegd door een deurwaarder, die beslag legt in zijn hoedanigheid van openbaar ambtenaar, op last van degene die tot de executie gerechtigd is, de executant. De deurwaarder moet zelfstandig beoordelen of en in hoeverre hij een opdracht zal uitvoeren. Bij het bepalen van zijn beleid moet de deurwaarder de nodige zorgvuldigheid in acht nemen. De ministerieplicht eindigt daar waar de deurwaarder zich door het uitvoeren van de opdracht schuldig zou maken aan onrechtmatig handelen.

5.2.3.

Dit brengt met zich dat de deurwaarder als onafhankelijke functionaris de enige is die verantwoordelijk is voor zijn handelen bij de beslaglegging en ook de enige die behoort te worden aangesproken op een onjuiste taakvervulling en (beweerdelijk) onrechtmatig handelen. Mede om die reden dienen de beslagexploten duidelijk te vermelden welke deurwaarder beslag heeft gelegd. (zie o.a. rechtbank Noord-Holland 7 oktober 2015, ECLI:NL:RBNHO:2015:9406).

5.2.4.

Bezien in het licht van de wettelijke taak van de deurwaarder en zijn hoedanigheid van door de Kroon benoemde natuurlijk persoon met een onafhankelijke positie die beslag legt in zijn hoedanigheid van openbaar ambtenaar, heeft de beslaglegging ook niet in het maatschappelijk verkeer te gelden als een gedraging van het deurwaarderskantoor waarvoor laatstgenoemde uit onrechtmatige daad kan worden aangesproken.

5.2.5.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat, nog daargelaten de vraag of sprake is van een onrechtmatige daad, GGN als deurwaarderskantoor niet aansprakelijk is voor de handelingen van de deurwaarder die in het onderhavige geval beslag heeft gelegd op de auto.

5.3.

Voor zover de vordering zich richt jegens GGN als deurwaarderskantoor en [eiser] het deurwaarderskantoor verwijt onrechtmatig te hebben gehandeld, wordt het volgende overwogen.

5.3.1.

Artikel 6:162 BW bepaalt dat hij die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt, welke hem kan worden toegerekend, verplicht is de schade die de ander dientengevolge lijdt, te vergoeden.

5.3.2.

[eiser] heeft zich op het standpunt gesteld dat GGN onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door het onjuist adresseren van de correspondentie aan [eiser] en het niet, althans onvoldoende, meewerken aan een betalingsregeling. Volgens [eiser] zijn er meerdere brieven van GGN door een onjuiste adressering niet bij hem aangekomen. Voorts heeft [eiser] gesteld dat hij in oktober 2018 telefonisch contact heeft gehad met een medewerker van GGN waarbij hij heeft aangegeven bereid te zijn (een deel) van de vordering te betalen, maar hij dit in termijnen wilde betalen. Volgens [eiser] heeft de medewerker van GGN vervolgens geen contact meer met [eiser] opgenomen met een voorstel voor een betalingsregeling. GGN heeft laatstgenoemde betwist.

5.3.3.

De kantonrechter is van oordeel dat het door [eiser] gesteld handelen van GGN niet als onrechtmatig kan worden aangemerkt. GGN heeft weliswaar erkend dat een aantal brieven en exploten op een onjuist adres zijn bezorgd of betekend, maar heeft de kosten daarvoor al gecrediteerd. Voor zover [eiser] meent dat het beslag op zijn auto onrechtmatig is gelegd, had het op zijn weg gelegen om een executiegeschil te starten teneinde de executie van de auto te voorkomen. Als onweersproken staat immers vast dat het beslag op de auto van [eiser] op 3 december 2018 aan hem in persoon is betekend en pas op 18 januari 2019 openbaar is verkocht. Voorts is GGN niet verplicht om met [eiser] een betalingsregeling te sluiten. Indien en voor zover een medewerker van GGN aan [eiser] heeft laten weten dat een betalingsregeling mogelijk was, hetgeen door GGN wordt betwist, had het op de weg van [eiser] gelegen om nogmaals contact met GGN op te nemen om te informeren over een voorstel voor een betalingsregeling. Dit heeft hij niet gedaan. In plaats daarvan heeft [eiser] ervoor gekozen om de vordering in zijn geheel niet te betalen.

5.3.4.

Bovendien, voor zover al sprake zou zijn van een onrechtmatige daad en de door [eiser] geleden schade, is er geen sprake van een causaal verband tussen de onrechtmatige gedraging en de schade. [eiser] vordert een creditering van de door hem verschuldigde rente en een bedrag van € 1.947,54 aan kosten voor het beslag op de auto. Het oplopen van de rente is echter niet het gevolg van het handelen van GGN, maar het gevolg van het niet betalen van de vordering waartoe [eiser] bij vonnis van 6 juni 2012 veroordeeld is. Ook de beslagkosten zijn niet het gevolg van enig handelen van GGN, nu het beslag rechtmatig is gelegd. Indien [eiser] meent dat het beslag niet rechtmatig is gelegd, had hij, zoals reeds hiervoor overwogen, een executiegeschil dienen te starten.

5.4.

Een en ander leidt tot de conclusie dat de vorderingen van [eiser] jegens GGN zullen worden afgewezen.

5.5.

[eiser] wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld, gelet op het financiële belang in deze procedure begroot op € 630,00 aan salaris voor de gemachtigde (3 punten à € 210,00).

6. De beslissing

De kantonrechter:

wijst de vorderingen af;

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van GGN vastgesteld op € 630,00 aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het méér of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.L.M. van der Wildt en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

37555