Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:3796

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
16-04-2020
Datum publicatie
30-04-2020
Zaaknummer
C/10/593852 / JE RK 20-826
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Ondertoezichtstelling - Gewezen t.t.v. corona-maatregelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd

zaakgegevens: C/10/593852 / JE RK 20-826

datum uitspraak: 16 april 2020

beschikking ondertoezichtstelling

in de zaak van

de Raad voor de Kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht,

hierna te noemen de Raad, gevestigd te Rotterdam,

betreffende

[naam kind 1] ,

geboren op [geboortedatum kind 1] 2007 te [geboorteplaats kind 1] , hierna te noemen [naam kind 1] ,

[naam kind 2] ,

geboren op [geboortedatum kind 2] 2009 te [geboorteplaats kind 2] , hierna te noemen [naam kind 2] ,

[naam kind 3] ,

geboren op [geboortedatum kind 3] 2012 te [geboorteplaats kind 3] , hierna te noemen [naam kind 3] ,

[naam kind 4] ,

geboren op [geboortedatum kind 4] 2013 te [geboorteplaats kind 4] , hierna te noemen [naam kind 4] ,

[naam kind 5] ,

geboren op [geboortedatum kind 5] 2015 te [geboorteplaats kind 5] , hierna te noemen [naam kind 5] .

[naam kind 1] , [naam kind 2] , [naam kind 3] , [naam kind 4] en [naam kind 5] worden hierna gezamenlijk ook genoemd: de kinderen.

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[naam moeder] ,

hierna te noemen de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

[naam vader] ,

hierna te noemen de vader, wonende te [woonplaats vader] .

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit het verzoekschrift met bijlagen van de Raad van 25 maart 2020, ingekomen bij de griffie op 26 maart 2020.


De mondelinge behandeling van deze zaak ter zitting stond gepland op 16 april 2020. Vanwege het beleid van de Raad voor de Rechtspraak om verspreiding van het coronavirus tegen te gaan, zoals dat op 16 maart 2020 op www.rechtspraak.nl is gepubliceerd, heeft er geen fysieke zitting plaatsgevonden. Gelet hierop heeft de kinderrechter de betrokkenen op 16 april 2020 telefonisch gehoord.

Gehoord zijn:

- [naam kind 1] , die vooraf apart is gehoord,

- de advocaat van de moeder, mr. V. Vos, kantoorhoudende te Rotterdam,

- de vader, bijgestaan door mr. H. Yousef, advocaat te Den Haag,

- een vertegenwoordigster van de Raad, mw. [naam vertegenwoordigster 1] .

Aangezien de vader de Nederlandse taal niet of onvoldoende machtig is, maar wel de Syrisch-Arabische taal, heeft de kinderrechter het verhoor doen plaatsvinden met bijstand van mw. [naam tolk] , tolk in de Syrisch-Arabische taal. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de tolk is beëdigd overeenkomstig het bepaalde in artikel 12 van de Wet beëdigde tolken en vertalers.

De moeder is in de gelegenheid gesteld telefonisch te worden gehoord, maar heeft ervoor gekozen zich te laten vertegenwoordigen door haar advocaat.

Omdat het maximum aantal deelnemers voor een groepsgesprek bereikt was, is de vertegenwoordigster van de GI, mw. [naam vertegenwoordigster 2] , niet betrokken in het groepsgesprek. De kinderrechter heeft haar na afloop van het telefoongesprek met de Raad en de belanghebbenden gebeld om dit uit te leggen en daarbij de beslissing op het verzoek medegedeeld.

De kinderrechter is van oordeel dat deze manier van horen – gelet op de huidige uitzonderlijke omstandigheden – op dit moment voldoende is om tot een goed oordeel te komen en zal daarom een beslissing nemen, zonder verdere mondelinge behandeling.

De feiten

Het ouderlijk gezag over de kinderen wordt uitgeoefend door de ouders.

De kinderen wonen bij de moeder.

Het verzoek

De Raad heeft de ondertoezichtstelling van de kinderen verzocht voor de duur van twaalf maanden.


De Raad heeft het verzoek gehandhaafd en als volgt toegelicht. Er zijn zorgen over de sociaal-emotionele ontwikkeling van de kinderen. Zowel voor als na het uit elkaar gaan van de ouders hebben ze veel meegemaakt. In het gezin is sprake geweest van huiselijk geweld. Na het uit elkaar gaan van de ouders heeft de moeder met de kinderen in een vrouwenopvang verbleven en was er sprake van een huis-, contact- en straatverbod voor de vader. Gedurende het onderzoek van de Raad waren de kinderen angstig voor hun vader en hadden zij een negatief beeld over hem. De ouders hebben geen contact meer met elkaar. Zij zijn beiden afhankelijk van anderen voor het regelen van praktische zaken. Een ondertoezichtstelling voor alle kinderen is noodzakelijk, aangezien vrijwillige hulpverlening ontoereikend is gebleken.

De standpunten

De vader stemt in met de ondertoezichtstelling en acht dit in het belang van de kinderen. De vader wil op korte termijn weer omgang met zijn kinderen. Hij heeft zijn kinderen al een jaar en acht maanden niet gezien en is bang dat de kinderen van hem vervreemden. Dat [naam kind 1] heeft aangegeven bij de vader te willen wonen, geeft aan dat de angst voor de vader niet ernstig genoeg is om hem omgang met de kinderen te ontzeggen.

Ook de moeder stemt in met de ondertoezichtstelling. De moeder zou graag zien dat wordt onderzocht in hoeverre het in het belang van de kinderen is dat de omgang met hun vader wordt opgestart en op welke wijze dit dient te gebeuren. De kinderen hebben eerder aangegeven bang te zijn voor hun vader, waardoor de wens van [naam kind 1] om bij de vader te gaan wonen de moeder zal verbazen. Het is belangrijk dat dit nader wordt uitgezocht.

De beoordeling

Uit de overgelegde stukken en hetgeen de betrokkenen in het telefoongesprek naar voren hebben gebracht is gebleken dat [naam kind 1] , [naam kind 2] , [naam kind 3] , [naam kind 4] en [naam kind 5] ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. De kinderen hebben veel meegemaakt in hun leven. In 2018 zijn zij vanwege de oorlog gevlucht uit Syrië en in Nederland komen wonen. Er zijn serieus te nemen signalen dat na hun komst in Nederland huiselijk geweld heeft plaatsgevonden vanuit de vader naar de moeder, waarvan de kinderen getuige zijn geweest. Zowel de moeder als alle kinderen hebben hierover verteld aan de Raad, Veilig Thuis is betrokken geweest, De vader heeft een tijdelijk huisverbod gehad en de moeder en de kinderen verblijven nog steeds in een vrouwenopvangvoorziening. De vader heeft zijn kinderen al lange tijd niet meer gezien en wil graag contact met hen. Het is opmerkelijk dat [naam kind 1] heeft aangegeven bij zijn vader te willen wonen. De komende maanden dient te worden onderzocht in hoeverre de angst van de kinderen voor de vader nog reëel is en of en zo ja op welke wijze het contact van de kinderen met de vader kan worden hersteld. Het is positief dat de moeder hier, ondanks haar angst voor de vader, voor openstaat. Daarnaast zal de komende maanden duidelijk moeten worden of individuele hulpverlening voor de kinderen ingezet dient te worden voor het verwerken van angsten en/of trauma’s. De ouders hebben al geruime tijd geen contact met elkaar, waardoor hulpverlening in het vrijwillig kader niet voldoende van de grond is gekomen en een ondertoezichtstelling noodzakelijk is.


Uit het voorgaande volgt dat is voldaan aan het wettelijke criterium genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek. De kinderrechter zal [naam kind 1] , [naam kind 2] , [naam kind 3] , [naam kind 4] en [naam kind 5] daarom onder toezicht stellen voor de duur van twaalf maanden.

De beslissing

De kinderrechter:

stelt [naam kind 1] , [naam kind 2] , [naam kind 3] , [naam kind 4] en [naam kind 5] onder toezicht van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond, gevestigd te Rotterdam, met ingang van 16 april 2020 tot 16 april 2021;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 16 april 2020 door mr. S.C.C. Hes-Bakkeren, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.C.J. Holierhoek als griffier.

De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 23 april 2020.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Den Haag.