Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:3749

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
10-04-2020
Datum publicatie
29-04-2020
Zaaknummer
C/10/593225 / JE RK 20-716
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Afwijzen verlenging OTS gewezen t.t.v. corona-maatregelen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd

Zaakgegevens: C/10/593225 / JE RK 20-716

datum uitspraak: 10 april 2020

beschikking afwijzing verlenging ondertoezichtstelling

in de zaak van

de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering,

hierna te noemen de GI, gevestigd te Rotterdam,

betreffende

[naam minderjarige 1] ,

geboren op [geboortedatum minderjarige 1] 2003 te [geboorteplaats] , hierna te noemen [voornaam minderjarige 1] ,

[naam minderjarige 2] ,

geboren op [geboortedatum minderjarige 2] 2005 te [geboorteplaats] , hierna te noemen [voornaam minderjarige 2] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[naam vader] ,

hierna te noemen de vader, wonende te [woonplaats] ,

[naam stiefmoeder] ,

hierna te noemen de stiefmoeder, wonende te [woonplaats] .

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 12 maart 2020, ingekomen bij de griffie op 16 maart 2020.

Vanwege het beleid van de Raad voor de rechtspraak om verspreiding van het coronavirus tegen te gaan, zoals dat op 16 maart 2020 op www.rechtspraak.nl is gepubliceerd, heeft er geen fysieke zitting plaatsgevonden. De kinderrechter heeft op 10 april 2020 de volgende personen, in een zogenoemde conference call, telefonisch gehoord:

- de vader,
- een vertegenwoordigster van de GI, mw. [naam vertegenwoordigster] .

[voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] zijn in de gelegenheid gesteld om telefonisch te worden gehoord. [voornaam minderjarige 2] heeft aangegeven hier geen gebruik van te willen maken. De kinderrechter heeft geprobeerd om telefonisch in contact te komen met [voornaam minderjarige 1] , dit is echter niet gelukt.

De feiten

Het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] wordt uitgeoefend door de vader.


[voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] wonen bij de vader en de stiefmoeder.

Bij beschikking van 8 april 2019 is de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] verlengd tot 26 april 2020.

Het verzoek

De GI heeft verzocht de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] te verlengen voor de duur van één jaar.

De GI heeft het verzoek gehandhaafd en als volgt toegelicht. Sinds augustus 2019 is er geen vaste jeugdbeschermer bij het gezin betrokken. De kinderen vallen sindsdien onder het instroomteam en staan op de wachtlijst voor een vaste jeugdbeschermer. Daarbij komt dat het lastig is om in contact te komen met het gezin. De GI heeft wel contact met de school. De vader is behandeld voor zijn verslaving en volgt hier nog bijeenkomsten voor. Over [voornaam minderjarige 1] lijken er weinig zorgen te zijn. Er zijn wel zorgen over de ontwikkeling van [voornaam minderjarige 2] . Er hebben bijna dagelijks escalaties plaatsgevonden op school. De school heeft aangegeven hierover in goed contact te staan met de ouders. Het MST-traject bij De Viersprong loopt goed. De komende periode moet toezicht worden gehouden op hoe zich dit ontwikkelt.

Het standpunt van de vader

De vader heeft verweer gevoerd tegen het verzoek. De vader is van mening dat de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] niet langer nodig is. Het gaat goed met [voornaam minderjarige 1] en hij ontwikkelt zich goed. De vader begrijpt de zorgen over [voornaam minderjarige 2] . [voornaam minderjarige 2] is een meisje met emotieregulatieproblemen en heeft moeite om zichzelf te begrijpen. De vader vindt hulpverlening vanuit een ondertoezichtstelling echter niet langer nodig. Vanaf augustus 2019 is er geen jeugdbeschermer betrokken geweest en heeft de vader het, met hulp vanuit De Viersprong, zelf gedaan. Daarnaast gaat het goed met de vader. Hij is van zijn verslaving af en doet er alles aan om clean te blijven.

De beoordeling

De kinderrechter is van oordeel dat in deze zaak telefonisch horen voldoende is om tot een goed oordeel te komen over het verzoek en zal daarom een beslissing nemen, zonder verdere mondelinge behandeling.

Uit de overgelegde stukken en de telefonische behandeling is gebleken dat hoewel er sinds augustus 2019 geen vaste jeugdbeschermer meer bij het gezin betrokken is, er sprake is van een positieve ontwikkeling. Er loopt een MST-traject en de vader is behandeld voor zijn verslaving en staat open voor de hulpverlening. [voornaam minderjarige 2] krijgt sinds kort individuele hulpverlening voor haar emotieregulatie. De communicatie tussen de school en de vader verloopt goed. De afgelopen periode heeft de hulpverlening vanuit De Viersprong zonder de betrokkenheid van de GI doorgang gevonden. De kinderrechter acht de vader, die open staat voor alle benodigde hulp, voldoende in staat om [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] een veilige opvoedsituatie te bieden. De kinderrechter ziet daarom geen aanleiding om de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] te verlengen.

Uit het voorgaande volgt dat niet is voldaan aan het wettelijke criterium genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek. De kinderrechter zal daarom het verzoek om de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] te verlengen voor de duur van twaalf maanden afwijzen.

De beslissing

De kinderrechter:

wijst het onderhavige verzoek af.

Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2020 door mr. M.J.M. Marseille, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. W.A. Graven als griffier.

De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 22 april 2020.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Den Haag.