Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:3740

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
22-04-2020
Datum publicatie
23-04-2020
Zaaknummer
C/10/524205 / HA ZA 17-331
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Collectieve actie wakkerpolis tegen NN over beleggingsverzekeringen (universal life). Eerste kosten. Voor de polissen vanaf 1994 is er in principe voldoende contractuele basis voor het in rekening brengen. Door de manier van in rekening brengen, zou tussentijdse beëindiging van de polis (zeer) nadelig kunnen zijn. Verzekeringnemers die tot 1 augustus 1999 een polis afsloten, konden met dat effect geen rekening houden. Tussenvonnis- partijen mogen zich uitlaten over handelwijze NN voor 1994, effect van de manier van in rekening brengen van eerste kosten bij tussentijdse beëindiging en eventuele prejudiciële vragen aan de Hoge Raad.(vgl arrest Hof Den Haag Vereniging Woekerpolis-NN; ECLI:NL:GHDHA:2020:543)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTHR 2020, afl. 3, p. 122
JOR 2020/285 met annotatie van Hart, F.M.A. 't
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/524205 / HA ZA 17-331

Vonnis van 22 april 2020

in de zaak van

1. de stichting

STICHTING WAKKERPOLIS NNCLAIM,

gevestigd te Utrecht,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

WAKKERPOLIS B.V.,

gevestigd te Utrecht,

3. [naam eiser 1],

wonende te [woonplaats eiser 1] ,

4. [naam eiser 2],

wonende te [woonplaats eiser 2] ,

5. [naam eiser 3],

wonende te [woonplaats eiser 3] ,

6. [naam eiser 4],

wonende te [woonplaats eiser 4] ,

eisers,

advocaat mr. A.J. de Gier te Utrecht,

tegen

de naamloze vennootschap

NATIONALE NEDERLANDEN LEVENSVERZEKERING MAATSCHAPPIJ N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

advocaat mr. R. van de Klashorst te 's-Gravenhage.

Eisers zullen gezamenlijk Wakkerpolis c.s. worden genoemd. Afzonderlijk zullen zij worden aangeduid als de Stichting, de BV, [naam eiser 1] , [naam eiser 2] , [naam eiser 3] en [naam eiser 4] . De Stichting treedt verder in eigen naam op voor [naam 1] en [naam 2] en [naam 3] . Zij worden hierna [naam 1] en [naam 2] genoemd. De BV treedt in eigen naam op als eiseres voor [naam 4] en [naam 5] . Zij worden hierna aangeduid als [naam 4] en [naam 5] .

Gedaagde zal NN genoemd worden.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het vonnis in het incident van 18 juli 2018, alsmede de daaraan ten grondslag liggende stukken,

  • -

    de conclusie van antwoord bestaande uit:

- de deelconclusie collectief, met producties 1 tot en met 63,

- de deelconclusie [naam 2] en [naam 3] , met producties 1 tot en met 36,

- de deelconclusie [naam 1] , met producties 1 tot en met 15,

- de deelconclusie [naam 4] , met producties 1 tot en met 24,

- de deelconclusie [naam 5] , met producties 1 tot en met 15,

- de deelconclusie [naam eiser 1] , met producties 1 tot en met 25,

- de deelconclusie [naam eiser 2] , met producties 1 tot en met 31,

- de deelconclusie [naam eiser 3] en [naam eiser 4] , met producties 1 tot en met 24,

- de brief van de rechtbank aan partijen van 29 januari 2019, waarbij een comparitie van partijen is bepaald,

  • -

    de conclusie van repliek, met producties 100 tot en met 112,

  • -

    de conclusie van dupliek bestaande uit:

- de deelconclusie collectief, met producties 64 tot en met 69,

- de deelconclusie [naam 2] en [naam 3] ,

- de deelconclusie [naam 1] ,

- de deelconclusie [naam 4] ,

- de deelconclusie [naam 5] ,

- de deelconclusie [naam eiser 1] ,

- de deelconclusie [naam eiser 2] ,

- de deelconclusie [naam eiser 3] en [naam eiser 4] ,

  • -

    de akte houdende overlegging productie van NN, met productie 70,

  • -

    de akte wijziging van eis (art. 130 Rv.) tevens akte overlegging producties van Wakkerpolis c.s., met producties 114 tot en met 124,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 6 december 2019,

  • -

    het faxbericht van NN van 28 januari 2020, met opmerkingen over het proces-verbaal,

  • -

    de brief van Wakkerpolis c.s. van 29 januari 2020, met opmerkingen over het proces-verbaal,

  • -

    de brief van Wakkerpolis c.s. van 4 februari 2020 in reactie op het faxbericht van NN.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1.

NN heeft (voor zover in deze procedure relevant) in de periode van 1 september 1990 tot 1 juli 2004 beleggingsverzekeringen verkocht waarop (een van de twee versie van) de “Voorwaarden voor verzekeringen op basis van belegging in participaties” (hierna: VvV) van 31 augustus 1990 respectievelijk 6 september 2001 van toepassing zijn verklaard (hierna ook: NN-beleggingsverzekeringen). NN-beleggingsverzekeringen werden onder meer onder de volgende namen aangeboden:

a. a) Flexibel Verzekerd Beleggen

b) Bedrijfs Effect Sparen

c) Beleg Zeker Plan

d) Continu Click Koopsom

e) Efficiënt Vermogensplan

f) Eurokoopsom

g) Generatieplan

h) Industrieel Assurantie Kantoor Persoonlijk pensioenplan

i. i) ING Bank Privé pensioenplan

j) ING Bank Flexibel Spaarplan

k) ING Bank Flexibel Vermogensgroeiplan

l) Oranje Koopsom

m) Politie Lijfrente Plan

n) Politie Spaar Plan

o) Vermogensoverhevelingspolis

p) Verzekerd Beleggen.

2.2.

Een beleggingsverzekering is een type levensverzekering waarbij een verzekeraar zich tegen betaling van een bruto premie verplicht tot het doen van uitkeringen bij overlijden en/of bij op een bepaalde/te bepalen datum in leven zijn van de verzekerde. De bruto premie kan ineens worden voldaan of periodiek. De beoogde vermogensopbouw vindt plaats door middel van belegging van (een deel van) de bruto premie.

2.3.

NN-beleggingsverzekeringen zijn beleggingsverzekeringen op universal life basis, waarbij een overlijdensrisicodekking is ingebouwd en volledig is afgestemd op de waarde die is opgebouwd in de beleggingsverzekering. Daardoor is niet de volledige uitkering bij overlijden verzekerd, maar slechts het verschil tussen het verzekerd bedrag bij overlijden en de waarde die is opgebouwd in de beleggingsverzekering (het risicokapitaal). De overlijdensrisicopremie die op enig moment verschuldigd is, wordt alleen over dit verschil berekend. De kosten die NN in rekening brengt en de inhoudingen voor het overlijdensrisico zijn verdisconteerd in de bruto premie. NN wendt de ontvangen bruto premie, onder aftrek van aankoopkosten, aan voor de aankoop van participaties. De kosten en inhoudingen worden vervolgens door NN onttrokken aan de participaties.

2.4.

NN-beleggingsverzekeringen werden (in de onder 2.1 bedoelde periode) uitsluitend verkocht via assurantietussenpersonen. NN had geen rechtstreeks contact met de (aspirant)verzekeringnemer. De assurantietussenpersoon gaf voorlichting en advies aan de (aspirant)verzekeringnemer, waarna deze al dan niet koos voor een NN-beleggingsverzekering. NN heeft aan de tussenpersonen offertesoftware verstrekt ten behoeve van het maken van offertes voor NN-beleggingsverzekeringen door de tussenpersonen.

2.5.

NN bracht bij de NN-beleggingsverzekeringen onder meer (en voor zover relevant in deze procedure) de volgende kosten in rekening:

1) kosten voor het bedenken en ontwikkelen van het product ‘beleggingsverzekering’ en de kosten voor het vermarkten van het product (reclame en verkoopinspanningen, marketingkosten);

2) de afsluitprovisie die aan de assurantietussenpersoon werd betaald.

Deze kosten onttrok NN gedurende de eerste 33,33% van de premielooptijd van de overeenkomst (minimaal 5 jaar en maximaal 10 jaar). Over die kosten rekende zij een rente van 0,66% per maand, omdat NN deze kosten bij aanvang reeds had gemaakt en zodoende voorfinancierde voor de verzekeringnemer.

2.6.

De VvV (zowel de versie van 1990 als die van 2001) luiden voor zover hier van belang:

“(…)

Administratie- en beheerskosten

Overlijdensrisicopremie

Artikel 3D

1. Op de voor de verzekeringnemer uitstaande participaties in de door hem aangegeven fondsen zal iedere kalendermaand een vergoeding voor de door de Maatschappij in verband met deze verzekering gemaakte administratie- en beheerkosten in mindering worden gebracht, alsmede de over de betreffende kalendermaand verschuldigde overlijdensrisicopremie.

(…)

Opzegging, afkoop en premievrijmaking.

Artikel 14

1. De verzekeringnemer heeft gedurende het leven van de verzekerde het recht de verzekering te allen tijde schriftelijk door opzegging te beëindigen; hij kan alsdan, mits daarop dan recht bestaat en onder voorwaarde dat hij de door de Maatschappij verlangde stukken overlegt, vorderen dat de Maatschappij de verzekering afkoopt. Hij kan ook, mits daarop dan recht bestaat, vorderen dat de Maatschappij de verzekering omzet in een premievrije.

2. De berekening van de afkoopwaarde en de premievrije waarde geschiedt volgens de bij de Maatschappij gebruikelijke regelen, waarbij voor de berekening van de afkoopwaarde zal worden uitgegaan van de per de dag volgend op de dag van ontvangst door de Maatschappij van het schriftelijke afkoopverzoek geldende verkoopprijs dan wel van de per de dag volgend op de door de verzekeringnemer gewenste afkoopdatum geldende verkoopprijs, mits deze datum later is gelegen dan de dag volgend op de dag van ontvangst door de Maatschappij van het afkoopverzoek.

3. De afkoopwaarde wordt aan de verzekeringnemer uitgekeerd tegen inlevering van de polis.

4. Indien enige premievrij verzekerde uitkering lager is dan de Maatschappij te eniger tijd aanvaardbaar acht, behoudt zij zich voor de verzekering of een deel daarvan af te kopen.

(…)

Kosten.

Artikel 22

Kosten, in verband met de verzekering gemaakt, daaronder begrepen kosten van werkzaamheden door de Maatschappij verricht ter wijziging van de polis, kunnen in rekening worden gebracht aan de verzekeringnemer.

(…)”.

2.7.

NN had naast de VvV in de relevante periode (zie 2.1) de volgende algemene documentatie beschikbaar:

- de brochure ‘Prospectus Levensverzekeringen in beleggingseenheden’, 1e en 4e druk, (juli 1994 tot januari 1999),

- de brochure ‘Rendement en Risico’ (1 januari 1997 tot 1 oktober 1998),

- de brochure ‘Levensverzekeringen en spaarkasovereenkomsten met beleggingsrisico’ (vanaf 1 oktober 1998 tot 1 juli 2002; ter vervanging van de brochure Rendement en Risico),

- de ‘Algemene voorlichtingsbrochure over levensverzekeringen met beleggingsrisico’ (vanaf 1 januari 1999, ter vervanging van het Prospectus).

2.8.

Het ‘Prospectus Levensverzekeringen in beleggingseenheden’ (zowel de 1e als de 4e druk; hierna: het Prospectus) luidt voor zover hier van belang:

“(…)

Afkoop

De verzekeringnemer heeft te allen tijde het recht de premiebetaling te beëindigen. Indien de verzekering waarde heeft en afkoop is toegestaan, kan de maatschappij worden verzocht tot afkoop van de verzekering over te gaan. Het is niet zo dat de totale premie beschikbaar is voor de opbouw van de afkoopwaarde. Afhankelijk van de verzekeringsvorm heeft de maatschappij namelijk het risico gelopen van overlijden en/of arbeidsongeschiktheid. Het daarvoor benodigde deel van de premie krijgt men uiteraard niet terug. Voorts heeft de maatschappij kosten gemaakt: zogenaamde eerste kosten en doorlopende kosten. Eerste kosten zijn kosten die gemaakt worden bij het afsluiten van de verzekering. Ze bestaan onder andere uit kosten voor het tot stand komen en in administratie nemen van de verzekering, voor het opmaken van de polis, en (soms) kosten voor de medische beoordeling van het risico. Deze eerste kosten worden, verdeeld over (een deel van) de verzekeringsduur, door de maatschappij terugontvangen. Bij voortijdige beëindiging van de verzekering worden de nog niet afbetaalde eerste kosten in mindering gebracht bij de bepaling van de afkoopwaarde.

Doorlopende kosten, zoals incassokosten, worden bij elke premiebetaling verrekend.

Verzekeringen zonder afkoopwaarde kunnen worden beëindigd door de premiebetaling te stoppen.

(…)”.

2.9.

De brochure ‘Algemene voorlichtingsbrochure over levensverzekeringen met beleggingsrisico’ (hierna: de Algemene voorlichtingsbrochure) luidt voor zover hier van belang:

“(…)

22 Hoe kan een levensverzekering worden beëindigd (afkoop)?

Als de verzekering waarde heeft en afkoop is toegestaan, kan de maatschappij worden verzocht om tot afkoop van de verzekering over te gaan. Niet afkoopbaar zijn lijfrenteverzekeringen en verpande verzekeringen. Het is echter niet zo dat de totale premie voor de afkoopwaarde wordt meegeteld. Afhankelijk van de verzekeringsvorm heeft de maatschappij namelijk het risico gelopen van overlijden of arbeidsongeschiktheid. Dat deel (de risicopremie) krijgt u uiteraard niet terug. Daarnaast hebben de maatschappij en de assurantietussenpersoon kosten gemaakt: zogenoemde eerste kosten en doorlopende kosten. De eerste kosten zijn gemaakt bij het afsluiten van de verzekering (bij het totstand-komen en in administratie nemen ervan, het opmaken van de polis en soms bij de medische beoordeling van het risico). Deze eerste kosten worden verdeeld over de hele verzekeringsduur in rekening gebracht. Bij voortijdige beëindiging van de verzekering worden de nog niet afbetaalde eerste kosten in mindering gebracht bij de bepaling van de

afkoopwaarde. De doorlopende kosten, zoals incassokosten, worden bij elke premiebetaling verrekend.

(…)”

Wet- en regelgeving

2.10.

Richtlijn 92/96/EEG van de Raad van de Europese Unie van 10 november 1992 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende het directe levensverzekeringsbedrijf en tot wijziging van de Richtlijnen 79/267/EEG en 90/619/EEG (hierna: Derde levensrichtlijn) bepaalt voor zover hier van belang:

“(…)

(23) Overwegende dat de consument in het kader van een eengemaakte verzekeringsmarkt een grotere en meer gediversifieerde keuze uit overeenkomsten zal hebben; dat hij om ten volle van deze diversiteit en een toegenomen concurrentie te kunnen profiteren, moet beschikken over de nodige inlichtingen om de overeenkomst te kunnen kiezen die het beste bij zijn behoeften past; dat deze behoefte aan inlichtingen nog sterker is omdat de looptijd van de verbintenissen zeer lang kan zijn; dat het dientengevolge wenselijk is de minimumvoorschriften te coördineren opdat de consument een duidelijke en nauwkeurige informatie zou ontvangen over de wezenlijke kenmerken van de hem aangeboden produkten en over de gegevens betreffende de organismen die bevoegd zijn om kennis te nemen van de klachten van verzekeringnemers, verzekerden of begunstigden van de overeenkomst;

(…)

Artikel 31

1. Vóór de sluiting van de verzekeringsovereenkomst dienen aan de verzekeringnemer ten minste de in bijlage II, onder A, vermelde gegevens te worden medegedeeld.

2. De verzekeringnemer dient gedurende de gehele looptijd van de overeenkomst te worden ingelicht over elke wijziging van de in bijlage II, onder B, vermelde gegevens.

3. De Lid-Staat van de verbintenis mag van de verzekeringsondernemingen niet verlangen dat zij aanvullende gegevens naast de in bijlage II vermelde gegevens verstrekken, tenzij deze nodig zijn voor een goed begrip door de verzekeringnemer van de wezenlijke bestanddelen van de verbintenis.

4. De toepassingsvoorschriften betreffende dit artikel en bijlage II worden door de Lid-Staat van de verbintenis vastgesteld.

(…)”.

2.11.

Bijlage II bij de Derde levensrichtlijn luidt voor zover hier van belang:

“(…)

AAN DE VERZEKERINGNEMER TE VERSTREKKEN INLICHTINGEN

De volgende inlichtingen, die hetzij voor de sluiting van de overeenkomst (A) hetzij gedurende de looptijd ervan (B) aan de verzekeringnemer moeten worden meegedeeld, moeten duidelijk, nauwkeurig en schriftelijk worden verstrekt in een officiële taal van de Lid-Staat van de verbintenis.

(…)

A. Vóór de sluiting van de overeenkomst

(…)

a.4 Omschrijving van elke verzekeringsdekking en keuzemogelijkheid

a.5 Looptijd van de overeenkomst

a.6 Wijze van beëindiging van de overeenkomst

a.7 Wijze en duur van betaling van de premies

a.8 Wijze van berekening en toewijzing van winstdelingen

a.9 Gegevens over de afkoop- en premievrije waarden en in hoeverre deze zijn gegarandeerd

a.10 Inlichtingen over de premies voor iedere verzekeringsdekking, zowel de hoofddekking als de aanvullende dekkingen, indien zulke inlichtingen dienstig blijken

(…)”.

2.12.

Artikel 51 van de (tot 2007 geldende) Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 (hierna: Wtv 1993) vormde in Nederland de implementatie van artikel 31 Derde levensrichtlijn en bepaalde:

“Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot aan het publiek te verstrekken informatie door verzekeraars.”

2.13.

Ter uitvoering van artikel 51 Wtv 1993 is per 1 juli 1994 de Regeling Informatieverstrekking aan Verzekeringnemers in werking getreden (hierna: RIAV 1994). Artikel 2 lid 2 van deze regeling luidt, voor zover hier van belang:

“Voor zover de in dit lid bedoelde informatie niet uit de algemene of bijzondere polisvoorwaarden blijkt, draagt de verzekeraar er tevens zorg voor dat de verzekeringnemer schriftelijk in kennis wordt gesteld van:

(…)

b. een omschrijving van de uitkering of uitkeringen waartoe de verzekeraar zich verplicht;

(…)

h. de premie verschuldigd voor de hoofddekking en, indien de overeenkomst voorziet in een of meer nevenuitkeringen, de premies die voor ieder van de nevenuitkeringen verschuldigd zijn;

(…)

k. indien de overeenkomst voorziet in een afkoop- of premievrije waarde, een opgave of

indicatie van die waarden of een opgave van de wijze waarop deze waarden worden berekend;

(…)”

2.14.

Vanaf 1996 heeft de verzekeringsbranche via het Verbond van Verzekeraars in het kader van zelfregulering nadere regels gesteld over de informatievoorziening over onder meer beleggingsverzekeringen in de opeenvolgende versies van de Code Rendement en Risico (hierna: CRR).

De CRR 1996 – die vanaf 1 september 1996 gefaseerd in werking trad en vanaf 1 januari 1997 gold voor nieuwe offertes – luidt voor zover hier van belang:

“(…)

DOEL

Door toepassing van de Code moet de consument inzicht krijgen in de wijze waarop rendement en risico van beleggingen van invloed zijn op toekomstige uitkeringen uit levensverzekeringen en spaarkasovereenkomsten.

(…)

RICHTLIJNEN VOOR DE INFORMATIE OMTRENT VOORBEELDEN

(…)

Voor te communiceren voorbeeldpercentages dient een bandbreedte te worden aangehouden welke relevant is voor het beleggingsrisico.

voorbeeldkapitaal

Er dienen ten minste twee voorbeeldkapitalen te worden gegeven, gebaseerd op voorbeeldpercentages gelegen binnen de bandbreedte, waaronder in elk geval de laagste en de gemiddelde waarde. Bij elk voorbeeld moet het daarin voor de berekening toegepaste voorbeeldpercentage worden vermeld. Indien het voorbeeldpercentage c.q. het voorbeeldkapitaal wordt berekend op basis van het produktrendement, dient zulks uitdrukkelijk te worden vermeld. In dat geval dient tevens (de bandbreedte van) het achterliggende fondsrendement te worden genoemd.

Voor de bepaling van de bandbreedte zal een toe te passen rekenvoorschrift worden vastgesteld.

(…)”.

De CRR 1996 is vervangen door de CRR 1998; deze laatste is per 1 april 1998 in werking getreden. Offertes dienden vanaf 1 oktober 1998 aan de CRR 1998 te voldoen. De CRR 1998 is vervangen door de CRR 2002, die achtereenvolgens vervangen werd door de CRR 2003, 2004 en 2006 (in werking getreden per 1 juli 2002 respectievelijk november 2003, september 2004 en 1 augustus 2006).

2.15.

Op 1 januari 1999 is de Regeling Informatieverstrekking aan Verzekeringnemers 1998 (hierna: RIAV 1998) in werking getreden, die de RIAV 1994 verving en waarmee uitvoering werd gegeven aan artikel 51 Wtv 1993. De RIAV 1998 luidt voor zover hier van belang:

“(…)

Artikel 2

(…)

2 Voor zover de in dit lid bedoelde informatie niet uit de algemene of bijzondere polisvoorwaarden blijkt, draagt de verzekeraar er tevens zorg voor dat de verzekeringnemer schriftelijk in kennis wordt gesteld van:

(…)

b. het bedrag van de uitkering of uitkeringen waartoe de verzekeraar zich verplicht of, voor zover dit bedrag niet op voorhand nauwkeurig kan worden bepaald, een nauwkeurige omschrijving van die uitkering of uitkeringen, alsmede van de factoren waarvan de hoogte van de uitkering of uitkeringen afhankelijk is;

(…)

h. de premie verschuldigd voor de hoofddekking en, indien de overeenkomst voorziet in een of meer nevenuitkeringen, de premies die voor ieder van de nevenuitkeringen zijn verschuldigd;

(…)

k. indien de overeenkomst voorziet in een afkoop- of premievrije waarde, een opgave of indicatie van die waarden of een opgave van de wijze waarop deze waarden worden berekend;

(…)

q. de invloed van kosten en inhoudingen ten laste van de verzekeringnemer op het rendement en de uitkering verbonden aan de overeenkomst;

r. indien van toepassing, de kosten die naast de bruto-premie in rekening worden gebracht;

s. indien van toepassing, het aan de overeenkomst verbonden beleggingsrisico en de mate waarin dit risico ten laste is van de verzekeringnemer.

(…)

Artikel 4

1. De Verzekeringskamer kan beleidsregels vaststellen voor de toepassing van de artikelen 1 tot en met 3 (…)”.

2.16.

Op grond van artikel 4 lid 1 RIAV 1998 heeft de Verzekeringskamer (vanaf 2001 genaamd Pensioen- en Verzekeringskamer, hierna beide aangeduid als PVK) beleidsregels vastgesteld die per 1 augustus 1999 in werking zijn getreden. Deze beleidsregels luiden voor zover hier van belang:

“(…)

Indien de overeenkomst voorziet in een afkoopwaarde of premievrije waarde (art. 2 lid 2 sub k), wordt aan de verzekeringnemer daarin inzicht gegeven aan de hand van een volgend schema: een overzicht van de afkoopwaarde respectievelijk premievrije waarde aan het eind van jaar 1, 2, 3, 4, 5, 10, 15, en elke volgende 5 jaar tot en met het laatste jaar van de looptijd onder vermelding van het gecumuleerde premiebedrag waarop de respectieve waarden zijn gebaseerd. Hierbij wordt uitdrukkelijk aangegeven of het een gegarandeerd bedrag of een voorbeeldwaarde betreft.

(…)”.

2.17.

Op 1 juli 2002 is het Besluit financiële bijsluiter (Besluit van 20 december 2001, houdende regels met betrekking tot het door financiële ondernemingen ter beschikking stellen van een financiële bijsluiter bij complexe producten, Stbl. 2001, 670; hierna: Bfb 2002) in werking getreden. Artikel 3 lid 1 Bfb 2002 bepaalt dat in duidelijke en voor de afnemer begrijpelijke bewoordingen uitsluitend de volgende onderwerpen worden behandeld in de financiële bijsluiter:

- informatie over de met het product samenhangende financiële risico’s (sub d);

- informatie over het voorbeeldrendement en de voor de afnemer aan het product verbonden kosten (sub f).

2.18.

Daarnaast is op 1 juli 2002 de Nadere regeling financiële bijsluiter (Nrfb 2002) in werking getreden. Deze regeling geeft nadere regels over de inhoud van de financiële bijsluiter. Deze nadere regels houden onder meer in dat de informatie over de met het product samenhangende financiële risico’s moet worden gegeven met gebruikmaking van de in bijlage 2 van de Nrfb 2002 opgenomen standaardteksten en standaardmethodieken. Bijlage 3 bij de Nrfb 2002 bevat modellen voor kosten en voorbeeldrendementen en bijlage 4 geeft voorschriften voor de voorbeeldrendementspercentages. Er moeten in tabelvorm ten minste drie voorbeeldrendementen worden weergegeven, te weten:

- i) het netto historisch rendementspercentage (berekend op basis van de rendementen gedurende de laatste twintig jaar van de fondsen waarin wordt belegd, en bij een kortere periode waarin wordt belegd op basis van de eigen historie, aangevuld met daarbij passende relevante indexreeksen voor de betreffende jaren);

- ii) het netto pessimistische rendementspercentage, dat afhankelijk van de aard van de beleggingen vooraf werd vastgesteld;

- iii) een standaard bruto rendement van 4% dat voor alle producten gold.

2.19.

Op 1 januari 2006 is artikel 31 van de Wet van 12 mei 2005, houdende regels voor de financiële dienstverlening (Wet financiële dienstverlening; hierna: Wfd) in werking getreden. Daarin is bepaald dat de financiële dienstverlener voorafgaande aan de totstandkoming van een overeenkomst inzake een financieel product de consument informatie verstrekt voor zover die redelijkerwijs relevant is voor een adequate beoordeling van dat product.

2.20.

Op 1 januari 2006 is eveneens in werking getreden het Besluit financiële dienstverlening (hierna: Bfd); de RIAV 1998 is daarin geïncorporeerd. Artikel 32 Bfd bepaalt dat de aanbieder van een overeenkomst inzake een levensverzekering ten minste de in dat artikel genoemde informatie dient te verstrekken, waaronder:

- het bedrag van de uitkering(en) waartoe hij zich verplicht, of, voor zover dit bedrag niet op voorhand nauwkeurig kan worden bepaald, een nauwkeurige omschrijving van die uitkering(en), alsmede van de factoren waarvan de hoogte van de uitkering(en) afhankelijk is (sub b),

- de invloed van kosten ten laste van de consument op het rendement en de uitkering verbonden aan de overeenkomst (sub q),

- de kosten die naast de bruto premie in rekening worden gebracht (sub r),

- het aan de overeenkomst verbonden financiële risico en de mate waarin dit risico voor rekening is van de consument (sub s).

2.21.

Op 22 februari 2006 is inwerking getreden de Nadere regeling van de Autoriteit Financiële Markten van 7 februari 2006 houdende regels voor de informatieverstrekking bij complexe producten (Nadere regeling financiële dienstverlening, hierna: Nrfd). De Nrfd bevat een ingrijpende wijziging van de regelgeving voor de financiële bijsluiter en diende per 1 oktober 2006 geïmplementeerd te zijn.

2.22.

Per 1 mei 2006 is de RIAV 1998 komen te vervallen.

2.23.

Op 1 januari 2007 is in werking getreden de Wet op het financieel toezicht (hierna: Wft) en het krachtens die wet geldende Besluit gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft 2007 (hierna: Bgfo 2007), waarmee de Wfd, de Bfd en de Nrfd kwamen te vervallen.

2.24.

Per 1 januari 2008 is het Bgfo gewijzigd, onder meer naar aanleiding van het rapport van de door het Verbond van Verzekeraars ingestelde commissie transparantie beleggingsverzekering (de “Commissie De Ruiter”). Deze commissie kwam tot de aanbeveling om in de precontractuele fase meer informatie te verstrekken over de aard van de beleggingsverzekering, de kosten gedurende de gehele looptijd (omgerekend naar een gemiddeld jaarlijks kostenpercentage), de verschillende kostensoorten en de wijze waarop de kosten in rekening worden gebracht alsmede de gevolgen van verhoging of verlaging van de bruto premie, van afkoop en premievrijmaking. Daarnaast zouden verzekeraars tijdens de looptijd een jaarlijkse opgave moeten verstrekken van de besteding van de bruto premie en van het opgebouwde saldo aan beleggingseenheden en voorts informatie moeten verstrekken over de gevolgen van aanpassingen in de beleggingsverzekering, ook als de verzekeringnemer daar niet om vraagt. De Commissie De Ruiter heeft haar aanbevelingen vervat in drie door verzekeraars te gebruiken modellen voor informatieverstrekking over beleggingsverzekering (de zgn. Modellen De Ruiter).

3. Het geschil

3.1.

Wakkerpolis c.s. vordert – na wijziging van eis – bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. ten aanzien van de Stichting

1) te verklaren voor recht dat NN niet gerechtigd is en/of was om inzake de

beleggingsverzekeringsovereenkomsten zoals omschreven in § 2.1.2. van de conclusie van repliek, voor zover die zijn gesloten in de periode 1 januari 1990 tot en met 30 juni 2014, aan haar verzekeringnemers, waaronder [naam 2] , [naam 3] en [naam 1] , de kosten in rekening te brengen zoals bedoeld in § 4.12.1.1. van de conclusie van repliek (eerste kosten);

2) te bepalen dat NN, indien ze in strijd met het sub 1-1 bedoelde handelt of heeft gehandeld, de beleggingsverzekeringsovereenkomsten niet goed en geheel is nagekomen en gehouden is om ze alsnog correct na te komen door de berekende kosten aan de betreffende verzekeringnemers te vergoeden, vermeerderd met het rendement dat de verzekeringnemers door de handelwijze van NN hebben gederfd, alsmede, subsidiair, dat NN daartoe eveneens gehouden is omdat ze onrechtmatig jegens de verzekeringnemers heeft gehandeld;

3) te verklaren voor recht dat ten aanzien van de eerste kosten de correcte nakoming van de

beleggingsverzekeringsovereenkomsten van de betreffende verzekeringnemers als volgt dient plaats te vinden:

a. a) NN dient over te gaan tot herrekening van de beleggingsverzekeringen zonder inachtne­ ming van de eerste kosten en zonder inachtneming van de verkoopkosten die zijn berekend ter gelegenheid van de onttrekking van de eerste kosten aan het aantal uitstaande participaties van de betreffende verzekeringnemers;

b) NN dient de betreffende verzekeringnemers het bedrag te voldoen ter hoogte van het verschil tussen de uitkomst van de herberekening en de actuele of de reeds aan hen uit­ gekeerde waarde van de beleggingsverzekering, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waartegen is herrekend;

c) dat bedrag dient bij lopende beleggingsverzekeringsovereenkomsten te worden voldaan door uitbetaling aan de verzekeringnemers en bij nog niet beëindigde beleggings­

verzekeringsovereenkomsten door toevoeging van een corresponderend aantal participaties aan de voor de betreffende verzekeringnemers uitstaande participaties, waarbij geen aankoopkosten in rekening mogen worden gebracht;

d) althans, subsidiair ten aanzien van sub a) tot en met c), dat NN gehouden is om aan de

betreffende verzekeringnemers de schade te vergoeden die zij door de handelwijze van NN geleden hebben, deze schade nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens

de wet;

4) te verklaren voor recht dat NN gehouden is om eraan mee te werken dat een door de Stichting, althans door de rechtbank, aan te wijzen onafhankelijke deskundige met de kwalificatie Actuaris AG de berekeningen van NN integraal kan controleren en daarbij inzage kan hebben in alle informatie die hij of zij daartoe relevant acht, op straffe van een dwangsom van € 100.000,00 voor iedere keer dat NN geheel of gedeeltelijk nalaat om daar steeds adequaat en onverwijld aan mee te werken, vermeerderd met een dwangsom van € 10.000,00 voor iedere dag dat die ontoereikende medewerking voortduurt, alsmede vermeerderd met een boete van € 10.000,00 voor iedere situatie waar blijkt dat NN de herrekening niet correct heeft uitgevoerd, met bepaling dat de kosten van deze deskundige voor rekening van NN zijn;

5) te verklaren voor recht dat NN jegens de Stichting onrechtmatig heeft gehandeld door weigerachtig te zijn om in goed overleg met de Stichting te komen tot betaling van de vorderingen en vergoeding van de schade aan de verzekeringnemers en dat NN gehouden is om aan de Stichting de daardoor veroorzaakte schade te vergoeden, bestaande uit de kosten die de Stichting heeft gemaakt en nog zal maken wegens de vaststelling van de tekortkomingen en de aansprakelijkheid van NN, onder meer wegens eigen kosten en kosten aan financiële, actuariële en juridische advisering en bijstand, deze schade nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, met bepaling dat NN dienaangaande binnen veertien dagen na betekening van het vonnis een voorschot dient te voldoen van € 100.000,00 excl. BTW;

6) NN inzake haar polisadministratie en de toekomstige bewijsvoering te veroordelen tot het

volgende:

a. a) te bepalen dat NN binnen vier weken na het vonnis aan de Stichting opgave dient te doen van in hoeverre ze inzake alle beleggingsverzekeringen van NN nog beschikt over de in

hoofdstuk 14 van de conclusie van repliek bedoelde informatie en welke maatregelen ze heeft getroffen om de bewaring daarvan conform het hieronder sub b) bepaalde veilig te stellen;

b) te bepalen dat NN, indien ze de sub a) hiervoor bedoelde verplichting geheel of gedeel­ telijk schendt, een dwangsom verschuldigd is van € 1.000,00 per door haar in de periode 1 januari 1990 tot en met 30 juni 2014 gesloten beleggingsverzekeringsovereenkomst, vermeerderd met een bedrag van € 500,00 voor iedere dag of gedeelte van een dag dat de overtreding voortduurt;

c) te bepalen dat NN de informatie zoals omschreven in hoofdstuk 14 van de conclusie van repliek dient te bewaren totdat het onderhavige geschil door middel van een onherroepelijke uitspraak of vaststellingsovereenkomst is geëindigd, vermeerderd met twee jaar, teneinde de individuele verzekeringnemers in de gelegenheid te stellen om na de beëindiging van dit ge­

schil individueel hun vordering aanhangig te maken op basis van de uitkomst daarvan;

d) te bepalen dat NN, indien ze de in sub c) hiervoor bedoelde verplichting geheel of ge­

deeltelijk schendt, een dwangsom van verschuldigd is van € 10.000,00 per afgesloten beleg­

gingsverzekeringsovereenkomst, vermeerderd met een bedrag van € 500,00 voor iedere dag of gedeelte van een dag dat ze het verlies van de betreffende informatie niet volle­

dig herstelt;

7) enigerlei voorziening te treffen die de rechtbank, in het licht van de belangen en vorderingen van de verzekeringnemers en de Stichting inzake [naam 2] en [naam 3] en [naam 1] geraden voorkomt;

8) Te bepalen dat NN aan de Stichting de kosten van deze procedure dient te vergoeden;

9) te bepalen dat de documentatie die van belang is voor de beoordeling van de vorderingen bestaat uit de volgende categorieën:

a. a) in de periode 1990 tot 1 juli 2004:

i) een op maat gemaakte offerte, inclusief een begeleidende brief en een toelichting op de offerte, inhoudelijk overeenkomstig de producties 40 of 41 of 124 van Wakkerpolis c.s.;

ii) een aanvraagformulier, inhoudelijk overeenkomstig de producties 44 van Wakkerpolis c.s.

iii) Polisbladen en Polisaanhangsels;

iv) Voorwaarden van verzekering, en;

b) in de periode 1 januari 1997 tot 1 juli 2002 tevens:

i) een in de periode van sluiting van de individuele beleggingsverzekering toepasselijke versie van de brochures "Rendement en Risico" (Code-brochure 1) zoals bedoeld in productie 34 NN en/of "Levensverzekeringen en spaarkasovereenkomsten met beleggingsrisico" (Code-brochure 2) zoals

bedoeld in productie 38 NN, en;

c) in de periode 1 juli 2002 tot 1 juli 2004 tevens: een financiële bijsluiter bij de offerte, zo­

als bedoeld in het Besluit Financiële Bijsluiter en de Nadere Regeling Financiële Bijsluiter, en;

d) in de periode 1990 tot 1 juli 2004 tevens: de documenten waarnaar in de sub a) t/m c)

bedoelde documenten concreet met naam en toenaam naar verwezen wordt, en;

met bepaling dat de rechtbank haar beoordeling van de collectieve vorderingen (dus niet die

van de individuele vorderingen inzake [naam 2] , [naam 3] en [naam 1] , [naam 4] , [naam 5] , [naam eiser 1] , [naam eiser 2] , [naam eiser 3] en [naam eiser 4] ) baseert op de aanname dat tussen NN en de individuele verzekeringnemers tenminste toepasselijkheid van deze sub a) t/m d) bedoelde documenten is overeengekomen (met inachtneming van de sub a) t/m d) genoemde criteria inzake de periodes), en;

alsmede met bepaling dat de documenten zoals opgenomen in de producties 26, 27, 39, 43

en 64 van NN en producties 36 t/m 39 en 42 van Wakkerpolis c.s. niet van zodanige status of inhoud zijn, dat die moeten worden betrokken bij de beoordeling van de vorderingen, en;

met vaststelling dat zich in individuele gevallen uitzonderingssituaties kunnen voordoen, eruit bestaande dat er tussen NN en die individuele verzekeringnemer overeenstemming over toepasselijkheid van een ander aanvullend document is bereikt, waaruit verschuldigdheid van eerste kosten in dat individuele geval kan worden afgeleid;

II. ten aanzien van de BV en [naam eiser 1] , [naam eiser 2] en [naam eiser 3]

1) te verklaren voor recht dat NN niet gerechtigd is en/of was om inzake de beleggingsverzekeringsovereenkomsten zoals omschreven in § 4.12.1.1. van de conclusie van repliek, voor zover die zijn gesloten in de periode 1 januari 1990 tot en met 30 juni 2014, aan haar verzekeringnemers, waaronder [naam 4] , [naam 5] en [naam eiser 1] , [naam eiser 2] , [naam eiser 3] en [naam eiser 4] , de kosten in rekening te brengen zoals bedoeld in § 4.12.1.1. van de conclusie van repliek (eerste kosten);

2) te bepalen dat NN, indien ze in strijd met het sub II-1 bedoelde handelt of heeft gehandeld, de beleggingsverzekeringsovereenkomsten niet goed en geheel is nagekomen en gehouden is om ze alsnog correct na te komen door de berekende kosten aan de betreffende verzekeringnemers te vergoeden, vermeerderd met het rendement dat de verzekeringnemers door de handelwijze van NN hebben gederfd, alsmede, subsidiair, dat NN daartoe eveneens gehouden is omdat ze onrechtmatig jegens de verzekeringnemers heeft gehandeld;

3) te verklaren voor recht dat ten aanzien van de eerste kosten de correcte nakoming van de

beleggingsverzekeringsovereenkomsten van de betreffende verzekeringnemers als volgt

dient plaats te vinden:

a. a) NN dient over te gaan tot herrekening van de beleggingsverzekeringen zonder inachtneming van de eerste kosten en zonder inachtneming van de verkoopkosten die zijn berekend ter gelegenheid van de onttrekking van de eerste kosten aan het aantal uitstaande

participaties van de betreffende verzekeringnemers;

b) NN dient de betreffende verzekeringnemers het bedrag te voldoen ter hoogte van het

verschil tussen de uitkomst van de herberekening en de actuele of de reeds aan hen uitgekeerde waarde van de beleggingsverzekering, vermeerderd met wettelijke rente vanaf

de datum waartegen is herrekend;

c) dat bedrag dient bij lopende beleggingsverzekeringsovereenkomsten te worden voldaan door uitbetaling aan de verzekeringnemers en bij nog niet beëindigde beleggingsverzekeringsovereenkomsten door toevoeging van een corresponderend aantal participaties aan de voor de betreffende verzekeringnemers uitstaande participaties, waarbij

geen Aankoopkosten in rekening mogen worden gebracht;

d) althans, subsidiair ten aanzien van sub a) tot en met c), dat NN gehouden is om aan de

betreffende verzekeringnemers de schade te vergoeden die zij door de handelwijze van

NN geleden hebben, deze schade nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens

de wet;

4) te verklaren voor recht, subsidiair ten aanzien van het gevorderde sub II-3, dat NN gehouden is om aan de betreffende verzekeringnemers de schade te vergoeden die zij door de handelwijze van NN geleden hebben, deze schade nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

5) te verklaren voor recht dat NN gehouden is om eraan mee te werken dat een door de BV althans door de rechtbank, aan te wijzen onafhankelijke deskundige met de kwalificatie Actuaris AG de berekeningen van NN integraal kan controleren en daarbij inzage kan

hebben in alle informatie die hij of zij daartoe relevant acht, op straffe van een dwangsom

van € 100.000,00 voor iedere keer dat NN geheel of gedeeltelijk nalaat om daar steeds adequaat en onverwijld aan mee te werken, vermeerderd met een dwangsom van € 10.000,00 voor iedere dag dat die ontoereikende medewerking voortduurt, alsmede vermeerderd met een boete van € 10.000,00 voor iedere situatie waar blijkt dat NN de herrekening niet correct heeft uitgevoerd, met bepaling dat de kosten van deze deskundige voor rekening van NN zijn;

6) te verklaren voor recht dat NN jegens de BV onrechtmatig heeft gehandeld door

weigerachtig te zijn om in goed overleg met de BV te komen tot betaling van de

vorderingen en vergoeding van de schade aan de verzekeringnemers en dat NN gehouden is

om aan de BV de daardoor veroorzaakte schade te vergoeden, bestaande uit de

kosten die de BV heeft gemaakt en nog zal maken wegens de vaststelling van de

tekortkomingen en de aansprakelijkheid van NN, onder meer wegens eigen kosten en kosten aan financiële, actuariële en juridische advisering en bijstand, deze schade nader op te

maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, met bepaling dat NN dienaangaande binnen veertien dagen na betekening van het vonnis een voorschot dient te voldoen van € 100.000,00 excl. BTW;

7) enigerlei voorziening te treffen die de rechtbank, in het licht van de belangen en vorderin

gen van de BV, [naam 4] , [naam 5] en [naam eiser 1] , [naam eiser 2] , [naam eiser 3] en [naam eiser 4] geraden voorkomt;

8) te bepalen dat NN aan de BV de kosten van deze procedure dient te vergoeden;

9) te bepalen dat de documentatie die van belang is voor de beoordeling van de vorderingen

bestaat uit de volgende categorieën:

a. a) in de periode 1990 tot 1 juli 2004:

i) een op maat gemaakte offerte, inclusief een begeleidende brief en een toelichting op de offerte, inhoudelijk overeenkomstig de producties 40 of 41 of 124 van Wakkerpolis c.s.;

ii) een aanvraagformulier, inhoudelijk overeenkomstig productie 44 van Wakkerpolis c.s.;

iii) Polisbladen en Polisaanhangsels;

iv) Voorwaarden van verzekering, en;

b) in de periode 1 januari 1997 tot 1 juli 2002 tevens:

i) een in de periode van sluiting van de individuele beleggingsverzekering toepasselijke versie van de brochures "Rendement en Risico" (Code-brochure 1) zoals bedoeld in productie 34 NN en/of "Levensverzekeringen en spaarkasovereenkomsten met beleggingsrisico" (Code-brochure 2) zoals bedoeld in productie 38 NN, en;

c) in de periode 1 juli 2002 tot 1 juli 2004 tevens: een financiële bijsluiter bij de offerte, zoals bedoeld in het Besluit Financiële Bijsluiter en de Nadere Regeling Financiële Bijsluiter, en;

d) in de periode 1990 tot 1 juli 2004 tevens: de documenten waarnaar in de sub a) t/m c)

bedoelde documenten concreet met naam en toenaam naar verwezen wordt, en;

met bepaling dat de rechtbank haar beoordeling van de collectieve vorderingen (dus niet die

van de individuele vorderingen inzake [naam 2] , [naam 3] en [naam 1] , [naam 4] , [naam 5] , [naam eiser 1] , [naam eiser 2] , [naam eiser 3] en [naam eiser 4] ) baseert op de aanname dat tussen NN en de individuele verzekeringnemers tenminste toepasselijkheid van deze sub a) t/m d) bedoelde documenten is overeengekomen (met inachtneming van de sub a) t/m d) genoemde criteria inzake de periodes), en;

alsmede met bepaling dat de documenten zoals opgenomen in de producties 26, 27, 39, 43

en 64 van NN en producties 36 t/m 39 en 42 van Wakkerpolis c.s. niet van zodanige status of inhoud zijn, dat die moeten worden betrokken bij de beoordeling van de vorderingen, en;

met vaststelling dat zich in individuele gevallen uitzonderingssituaties kunnen voordoen, eruit bestaande dat er tussen NN en die individuele verzekeringnemer overeenstemming over toepasselijkheid van een ander aanvullend document is bereikt, waaruit verschuldigdheid van eerste kosten in dat individuele geval kan worden afgeleid.

3.2.

NN voert gemotiveerd verweer en concludeert – kort gezegd – tot afwijzing van het gevorderde, met veroordeling van Wakkerpolis c.s. in de proceskosten.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

A) Inleiding

Kern van het geschil

4.1.

In deze procedure gaat het om beleggingsverzekeringen op universal life basis die NN onder diverse namen in de periode 1990 – 2004 op grote schaal heeft verkocht aan consumenten (zie 2.1). Wakkerpolis c.s. verwijt NN – samengevat – dat zij aan verzekeringnemers kosten in rekening heeft gebracht zonder dat daarvoor een contractuele grondslag bestond, omdat er geen wilsovereenstemming over het in rekening brengen van die kosten bestond. Het gaat Wakkerpolis c.s. daarbij om de eerste kosten, die zij definieert als:

a. a) Een vergoeding voor (een deel van) de kosten die NN heeft gemaakt in het kader

van het bedenken en ontwikkelen van het product "beleggingsverzekering" in zijn

algemeenheid, alsmede de kosten die ze heeft gemaakt om het product te vermarkten (reclame en verkoopinspanningen, marketingkosten);

b) De door NN betaalde beloning (afsluitprovisie) van de assurantietussenpersoon

c) De kosten van voorfinanciering.

Dat deze kosten door NN in rekening zijn gebracht staat als erkend vast (zie 2.5). Op de vraag of deze definitie samenvalt met de definitie in het Prospectus (zie 2.8) en de Algemene voorlichtingsbrochure (zie 2.9) wordt hierna teruggekomen (4.51).

Vonnissen van deze rechtbank

4.2.

Over een van de door NN aangeboden beleggingsverzekeringen (Flexibel Verzekerd Beleggen; zie 2.1) is door de vereniging Woekerpolis.nl eerder een collectieve actie gevoerd voor deze rechtbank. In die zaak heeft de rechtbank op 19 juli 2017 een vonnis gewezen. Op dit moment is het hoger beroep tegen dat vonnis aanhangig bij het gerechtshof Den Haag; in die procedure is op 31 maart 2020 arrest gewezen (ECLI:NL:GHDHA:2020:543) (zie hierna 4.84). Daarnaast is thans nog bij deze rechtbank een collectieve actie van de Consumentenbond tegen NN aanhangig. Ook in deze procedure zijn enkele van de door NN aangeboden beleggingsverzekeringen aan de orde (de producten zoals vermeld onder 2.1 onder a), b), i) en j)). In de zaak van de Consumentenbond heeft de rechtbank op 27 maart 2019 een tussenvonnis gewezen.

De in de hiervoor vermelde vonnissen van 19 juli 2017 en 27 maart 2019 gegeven oordelen zijn niet bindend in de onderhavige zaak. Alle vorderingen van Wakkerpolis c.s. ten aanzien van de in het geding zijnde beleggingsverzekeringen zullen op hun eigen merites worden beoordeeld, op grond van de in deze zaak gevoerde partijdiscussie.

Plan van behandeling

4.3.

De rechtbank zal allereerst (ambtshalve) bezien of de Stichting op grond van artikel 3:305a (oud) BW (nog steeds) kan worden ontvangen in haar collectieve vorderingen. De wettekst van artikel 3:305a BW is per 1 januari 2020 gewijzigd; voor zover hierna wordt verwezen naar artikel 3:305a BW, wordt bedoeld de vóór 1 januari 2020 geldende tekst, die van toepassing is in dit geding. Vervolgens zal de rechtbank het geschil in de collectieve actie behandelen. De vorderingen met betrekking tot de individuele verzekeringnemers [naam 1] , [naam 2+3] , [naam 4] , [naam 5] , [naam eiser 1] , [naam eiser 2] , [naam eiser 3] en [naam eiser 4] en de vorderingen van de BV komen te zijner tijd aan de orde, zodra de collectieve vorderingen zijn beoordeeld.

B) De collectieve actie

a) ontvankelijkheid

4.4.

Bij vonnis in het incident van 18 juli 2018 heeft de rechtbank geoordeeld dat de Stichting (op dat moment) voldeed aan de vereisten van artikel 3:305a BW. De Stichting is namelijk een stichting die als zodanig volledige rechtsbevoegdheid heeft en die tot doel heeft de behartiging van (onder meer) de collectieve belangen van verzekeringnemers van NN inzake hun claims (ter zake beleggingsverzekeringen). Deze belangen kunnen als 'gelijksoortig' worden gekwalificeerd. Verder was voldaan aan de eisen van de wet zoals die in de jurisprudentie zijn uitgelegd voor wat betreft de eis van werkelijke belangenbehartiging, en aan het in artikel 3:305a lid 2 BW opgenomen vereiste van overleg. Ten aanzien van de vraag of met de rechtsvordering in de hoofdzaak de belangen van de personen ten behoeve van wie de rechtsvordering is ingesteld, voldoende gewaarborgd is, heeft de rechtbank geoordeeld dat er op dat moment onvoldoende aanleiding was om aan te nemen dat de belangen van de polishouders onvoldoende gewaarborgd waren.

4.5.

Ter gelegenheid van de comparitie heeft NN desgevraagd aangegeven dat zij volhardt in haar stelling dat de Stichting niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat de heer [naam 6] (hierna: [naam 6] ) nog steeds in het bestuur van de Stichting zit, terwijl hij nauw betrokken is bij de onderneming die de Stichting financiert. NN stelt dat er inmiddels een nieuwe Claimcode van kracht is, die nog strengere eisen stelt aan organisaties zoals de Stichting.

4.6.

De rechtbank begrijpt dat NN zich op het standpunt stelt dat thans, gezien de huidige governance structuur, met de door de Stichting ingestelde rechtsvordering de belangen van de personen ten behoeve van wie de rechtsvordering is ingesteld (de verzekeringnemers), onvoldoende gewaarborgd zijn (artikel 3:305a lid 2, laatste volzin, BW).

4.7.

De vraag of de belangen van de personen ten behoeve van wie de rechtsvordering is ingesteld, voldoende gewaarborgd zijn, moet aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval worden beantwoord. Uit de wetgeschiedenis blijkt dat bij deze beoordeling twee vragen centraal staan, namelijk 1) in hoeverre hebben de betrokkenen uiteindelijk baat bij de collectieve actie indien het gevorderde wordt toegewezen, en 2) in hoeverre mag er op worden vertrouwd dat de eisende organisatie over voldoende kennis en vaardigheden beschikt om de procedure te voeren. Of de organisatie voldoet aan de principes uit de Claimcode, is een van de factoren die hierbij een rol kunnen spelen.

4.8.

De Claimcode is een door de Commissie Claimcode in 2011 opgesteld en in 2019 gewijzigd document waarin principes zijn uitgewerkt waaraan organisaties die, zoals thans de Stichting, optreden op grond van artikel 3:305a BW, moeten voldoen. De Claimcode is een vorm van zelfregulering door betrokken marktpartijen, bedoeld om wildgroei van rechtspersonen die optreden overeenkomstig artikel 3:305a BW te voorkomen en ervoor te zorgen dat het de belangen van de gedupeerden zijn die worden gewaarborgd, en niet de (commerciële) belangen van de oprichters van deze rechtspersonen. De Claimcode bevat daarom regels over de samenstelling, taak en beloning van het bestuur en de taak en samenstelling van een raad van toezicht, alsmede regels over het behartigen van collectieve belangen zonder winstoogmerk, en over onafhankelijkheid, vermijding van belangentegenstellingen en (sinds 2019) externe procesfinanciering. De Claimcode 2019 bevat geen regels aangaande de vraag of zij ook toepasselijk is in situaties als de onderhavige, waar ten tijde van het vaststellen van de Claimcode 2019 al een procedure aanhangig is waarin een stichting als bedoeld in art. 3:305a BW als eiseres optreedt.

4.9.

Vaststaat dat [naam 6] op het moment van de zitting op 6 december 2019 bestuurder was van de Stichting, terwijl hij daarnaast bestuurder was van de onderneming – [naam bedrijf] – die de onderhavige procedure financiert. Daarmee voldoet de governance structuur van de Stichting niet volledig aan de eisen die daaraan, naar de laatste inzichten, gesteld mogen worden om te voorkomen dat de commerciële belangen van [naam 6] prevaleren boven de belangen van de bij de Stichting aangesloten verzekeringnemers. Dat betekent echter niet zonder meer dat de belangen van de verzekeringnemers in het kader van deze procedure op dit moment onvoldoende gewaarborgd zijn. Zoals reeds is overwogen in het tussenvonnis van 18 juli 2018 betreffen de collectieve vorderingen van de Stichting slechts verklaringen voor recht. In dit stadium lopen de belangen van de verzekeringnemers nog steeds parallel aan de belangen van de personen achter de Stichting. Zowel de verzekeringnemers als de personen achter de Stichting hebben baat bij toewijzing van de gevorderde verklaringen voor recht. Toewijzing van die vorderingen zou er immers in beginsel toe leiden dat NN ingehouden bedragen aan verzekeringnemers moet vergoeden, hetgeen evenzeer in het belang van de Stichting is. Omtrent enig concreet commercieel belang van de (personen achter de) Stichting dat op gespannen voet zou staan met de belangen van de verzekeringnemers is niets gesteld of gebleken. Tegen die achtergrond en nu er geen reden is te twijfelen aan de kennis en vaardigheden van de Stichting en de Stichting overigens voldoet aan de eisen van artikel 3:305a BW (zie 4.4), bestaat er in deze fase van het geschil tussen partijen onvoldoende aanleiding om aan te nemen dat de belangen van de verzekeringnemers onvoldoende gewaarborgd zijn.

4.10.

Het bovenstaande neemt niet weg dat in een later stadium, bijvoorbeeld in het kader van een latere, door individuele verzekeringnemers of een andere rechtspersoon (al dan niet op basis van art. 3:305a BW zoals dat thans luidt in te stellen) vordering tot schadevergoeding of een (door dergelijke partijen, of de Stichting) in te dienen verzoek tot algemeen verbindendverklaring van een overeenkomst tot schadevergoeding, alsnog anders geoordeeld zal kunnen worden. Voor de huidige ontvankelijkheid van de Stichting in deze procedure is dat echter, gelet op de vorderingen van de Stichting, niet relevant.

4.11.

De conclusie is dat de Stichting ontvankelijk is in haar collectieve actie.

b) Uitgangspunten

Eiswijziging

4.12.

Wakkerpolis c.s. heeft bij akte van 22 november 2019 haar eis gewijzigd.

4.13.

Op grond van artikel 130 Rv is de eiser bevoegd zijn eis te wijzigen zolang de rechtbank nog geen eindvonnis heeft gewezen. De eiswijziging is dan ook tijdig gedaan. Nu tegen de eiswijziging geen bezwaar is gemaakt en de rechtbank deze ook niet ambtshalve in strijd met de goede procesorde acht, zal de rechtbank recht doen op de gewijzigde eis zoals deze hiervoor reeds is weergegeven.

4.14.

Waar in de vorderingen onder 1) telkens 30 juni 2014 staat (zie 3.1), beschouwt de rechtbank dat, gelet op de uitdrukkelijke eisvermindering en beperking in tijd als toegelicht in de conclusie van repliek onder 2.1.2.1 als een verschrijving voor 30 juni 2004. Bij de eiswijziging is immers aan dit aspect geen woord gewijd. Ook NN heeft de vorderingen, gelet op haar reactie, aldus begrepen dat 2004 is bedoeld.

Assurantietussenpersoon

4.15.

Het karakter van het collectieve deel van de onderhavige procedure op basis van artikel 3:305a BW brengt mee dat met aannames moet worden gewerkt, bijvoorbeeld op het punt van de rol van de assurantietussenpersoon.

4.16.

De rechtbank neemt als uitgangpunt dat het sluiten van alle NN-beleggingsverzekeringen door tussenkomst van een tussenpersoon is geschied. Dat is ook tussen partijen niet in geschil. De positie van de assurantietussenpersoon is en was ook in de relevante periode in het verleden wettelijk geregeld. Aanvankelijk in de, door de Wet assurantie bemiddelingsbedrijf (hierna: Wabb) vervangen, Wet assurantie bemiddeling van 1952 (hierna: Wab), en later (per 1 januari 2006) in de Wfd (zie 2.19), en met het vervallen daarvan, per 1 januari 2007 in de Wft (zie 2.23). In de Wabb was bepaald dat de assurantietussenpersonen werden beloond door middel van door verzekeraars uit te betalen provisie. Er bestond een verplichting voor de verzekeraar tot het betalen van provisie. Deze verplichting verviel per 1 april 2002. Tot 1 januari 2013, toen een provisieverbod voor (onder meer) beleggingsverzekeringen werd ingevoerd, bleef de gangbare praktijk dat de assurantietussenpersoon via een door de verzekeraar te betalen provisie werd beloond.

4.17.

Tegen de achtergrond van het voorgaande en nu het in deze procedure gaat om in de periode 1990 – 2004 afgesloten beleggingsverzekeringen (zie 2.1 en 4.14), zal de rechtbank deze (wettelijke verplichting van verzekeraars tot) provisiebetaling als uitgangspunt hanteren. Voorts gaat de rechtbank ervan uit dat NN, onder meer vanwege het portefeuillerecht van de assurantietussenpersoon, geen rechtstreekse contacten met diens cliënten/aspirant-verzekeringnemers had.

4.18.

Ten aanzien van de taakvervulling van de tussenpersoon zal de rechtbank ervan uit gaan dat de tussenpersoon zijn taak juist heeft vervuld en in dat kader alle benodigde contractdocumentatie (zie hierna 4.67 e.v.) heeft verstrekt. Immers, in deze collectieve actie kan niet per individuele verzekeringnemer worden vastgesteld welke documentatie is verstrekt en ontvangen.

4.19.

In het kader van deze collectieve actie gaat de rechtbank er verder van uit dat de tussenpersoon een offerte maakte, voordat een beleggingsverzekering bij NN werd aangevraagd. Het antwoord op de vraag wat de gevolgen zijn indien er in individuele gevallen geen offerte is gemaakt, zal in die individuele gevallen moeten worden vastgesteld. Dat is immers afhankelijk van de specifieke omstandigheden van die gevallen.

Verzekeringnemer

4.20.

De rechtbank zal bij de beoordeling van de vorderingen van de Stichting de gemiddelde (aspirant-)verzekeringnemer/consument tot uitgangspunt nemen en daaronder verstaan een normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende consument (zoals bedoeld in de jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie op het gebied van consumentenbescherming) die een beleggingsverzekering afsluit. Van deze verzekeringnemer mag worden verwacht dat hij bereid is zich te verdiepen in de kenmerken van de beleggingsverzekering en zich af te vragen of die beleggingsverzekering voor hem geschikt is, waarbij denkbaar is dat informatie langs verschillende wegen wordt aangeboden. De verzekeringnemer wordt in beginsel geacht in staat te zijn om verstrekte informatie op waarde te schatten, om zo nodig nadere informatie te zoeken en om vervolgens informatie uit verschillende bronnen met elkaar in verband te brengen.

Niet alle verzekeringnemers voldoen aan dit profiel. In individuele gevallen kunnen afwijkende persoonskenmerken in acht worden genomen; daarvoor is in deze collectieve actie echter geen plaats.

c) Grondslag eerste kosten

4.21.

Kern van het geschil tussen partijen betreft de vraag of NN op grond van de overeenkomsten met de verzekeringnemers de eerste kosten als vermeld onder 2.5 mocht inhouden.

4.22.

De Stichting verwijt NN – samengevat weergegeven – dat NN aan de verzekeringnemers eerste kosten in rekening heeft gebracht zonder dat hier een contractuele grondslag voor was. Op grond van de toepasselijke regelgeving was NN gehouden de soorten kosten die zij in rekening bracht te vermelden. De overeenkomst was uitputtend vastgelegd in de polis en in de polis en polisvoorwaarden is niets vermeld over de eerste kosten. De eerste kosten zijn ook niet overeengekomen via de in de offertes opgenomen voorbeeldkapitalen. De offerte maakt geen deel uit van de contractdocumentatie. De voorbeeldkapitalen hebben geen contractuele betekenis. Zij bevatten geen informatie over de wezenlijke kenmerken van het product en waren niet meer dan illustratieve voorbeelden waaraan de verzekeringnemers geen rechten en verwachtingen konden en mochten ontlenen. De voorbeeldkapitalen (en voorbeeldproductrendementen) waren dus niet geschikt als basis voor het bereiken van wilsovereenstemming.

4.23.

NN voert – samengevat weergegeven – aan dat de grondslag voor het in rekening mogen brengen van de eerste kosten besloten ligt in de overeengekomen bruto premie en de uitkering, die bij beleggingsverzekeringen is toegelicht via netto voorbeeldkapitalen. Het gaat namelijk niet om kosten die afzonderlijk in rekening werden gebracht, maar om kosten die waren inbegrepen in de bruto premie en de netto voorbeeldkapitalen. Bij een (beleggings)verzekeringsovereenkomst is het voldoende dat overeenstemming bestaat over de premie en de uitkering. Er is geen aparte overeenstemming nodig over de kosten (en inhoudingen), die al verrekend zijn in de premie. Volgens de destijds geldende maatschappelijke opvattingen heeft NN voldoende en adequate informatie verschaft over de premie en uitkering van de verzekeringsovereenkomst en het effect van de daarin verwerkte kosten en inhoudingen, door het weergeven van de bruto premie en netto voorbeeldkapitalen (en later het productrendement en de afkoop- en premievrije waardetabellen).

4.24.

De rechtbank stelt voorop dat voor het verschuldigd zijn van de eerste kosten vereist is dat daarover wilsovereenstemming bestaat. De vraag of wilsovereenstemming bestaat, kan niet alleen worden beantwoord op grond van een (zuiver) taalkundige uitleg van de bewoordingen van de overeenkomst. De taalkundige betekenis van de bewoordingen van de overeenkomst kan van groot belang zijn, maar is niet doorslaggevend. Steeds komt het aan op de betekenis die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en van wat zij in dat verband redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij zijn alle omstandigheden van het geval van belang, in hun onderlinge samenhang bezien. Gelet op het collectieve karakter van de thans aan de orde zijnde vorderingen in de onderhavige procedure gaat het hier dan wel alleen om omstandigheden die voor alle verzekeringnemers golden.

Een overeenkomst heeft verder niet alleen de door partijen overeengekomen gevolgen, maar ook die welke, naar de aard der overeenkomst, uit de wet, de gewoonte of de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeien.

Aard van de overeenkomst

4.25.

In de onderhavige zaak gaat het om beleggingsverzekeringen op universal life basis, waarbij een overlijdensrisicodekking is ingebouwd en volledig is afgestemd op de waarde die is opgebouwd in de beleggingsverzekering (zie 2.3). De verzekeringnemer betaalt aan de verzekeraar een bedrag (de bruto premie) in ruil voor een toekomstige uitkering bij overlijden en/of op een bepaalde/te bepalen datum in leven zijn van de verzekerde. De NN-beleggingsverzekeringen bevatten daarmee alle kenmerken van een levensverzekeringsovereenkomst, zoals bedoeld in artikel 7:975 jo. 7:964 jo. 7:925 BW. De omstandigheid dat de NN-beleggingsverzekering een open einddatum kan hebben en de hoogte van de uitkering niet vaststaat, maakt dat niet anders. Er is geen rechtsregel waaruit volgt dat pas sprake is van een uitkering in de zin van artikel 7:925 BW als er een vaste einddatum is en/of een vooraf bepaald bedrag. Datzelfde geldt voor de omstandigheid dat de uitkering bij leven als ‘recht van opname’ of ‘recht van omzetting’ is weergegeven. NN heeft onweersproken toegelicht dat dat verband houdt met het flexibele karakter van de NN-beleggingsverzekeringen.

4.26.

Anders dan de Stichting suggereert, kan de NN-beleggingsverzekering niet worden gekwalificeerd als samengestelde overeenkomst, in die zin dat de NN-beleggingsovereenkomst bestaat uit 1) een overeenkomst tot het verlenen van beleggingsdiensten, 2) een vaststellingsovereenkomst inzake een vergoeding voor werkzaamheden op het gebied van administratie en beheer, en 3) een overlijdensrisicoverzekering. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt.

4.27.

Zoals hiervoor reeds is overwogen is de NN-beleggingsverzekering een beleggingsverzekering op universal life basis. Dit systeem werkt aldus, dat de verzekeringnemer een bruto premie aan de verzekeraar NN betaalt voor de verzekerde hoofddekking, te weten de dekking bij overlijden of in leven zijn van de verzekerde (zie 4.25). NN wendt de ontvangen premie aan voor de aankoop van participaties op haar eigen naam, waarna de kosten en inhoudingen voor het overlijdensrisico worden onttrokken aan die participaties. Het na aftrek van die inhoudingen en kosten resterende bedrag aan participaties wordt vervolgens aangehouden door NN, ten behoeve van de verzekeringnemer, met het doel om - op ieder moment - aan haar uitkeringsverplichtingen jegens de verzekeringnemer en/of de begunstigde te kunnen voldoen. De verzekeringnemer neemt niet zelf rechtstreeks deel in de beleggingsfondsen; NN houdt de betreffende participaties op eigen naam. Het beleggingsrisico is voor de verzekeringnemer. Ter uitvoering van haar uitkeringsverplichting (op enig moment) keert NN de tegenwaarde van de participaties in guldens/euro's uit aan de begunstigde bij overlijden dan wel bij uitoefening van het recht van opname/omzetting. NN handelt bij de uitvoering van voormelde werkzaamheden volledig zelfstandig.

4.28.

Ten aanzien van beleggingsverzekeringen heeft het Europese Hof van Justitie in het arrest Alonso (HvJ EU 1 maart 2012, C-166/11, ECLI:EU:C:2012:119; hierna Alonso) geoordeeld dat “ (…) 29. (…) contracts which are ‘unit-linked’ or ‘linked to investment funds’ (…) are common in insurance law. Thus, the European Union legislature took the view that that type of contract falls within a class of life assurance, as is clear from Annex I, point III to the Life Assurance Directive, read in conjunction with Article 2(1)(a) of that directive.

30. Moreover (…) insurance linked to investment funds was already regarded (…) as a class of life assurance (…).

31. In those circumstances (…) the view must be taken that the European Union legislature, (…) regarded insurance contracts linked to investment funds as insurance contracts (…)”.

In het arrest Länsförsäkringar Sak Försäkringsaktiebolag (zie HvJ EU 31 mei 2018, C-542/16, ECLI:EU:C:2018:369; hierna Länsförsäkringar) heeft het Europese Hof van Justitie vervolgens geoordeeld: “(…) 50. However, the Court has already had occasion, in various contexts, to rule that the essentials of an insurance transaction are, as generally understood, that the insurer undertakes, in return for prior payment of a premium, to provide the insured, in the event of materialisation of the risk covered, with the service agreed when the contract was concluded (…).

54. The referring court states that the financial advice at issue in the main proceedings related to the placement of capital in an investment certificate in the context of insurance mediation. Furthermore, it is apparent from the written observations of the Swedish Government that that capital consisted of insurance premiums paid in the product in question. Accordingly, the view must be taken that that placement forms an integral part of the insurance contract and that, consequently, the investment advice relating to that placement constitutes work preparatory to the conclusion of that insurance contract”.

4.29.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de omzetting van de bruto premie in participaties in beleggingsfondsen, zoals weergegeven onder 4.27, onderdeel is van de verzekeringsovereenkomst. Immers, ook hier vormt die, net als in de casus in Länsförsäkringar, een integraal onderdeel van de verzekeringsovereenkomst. Met een NN-beleggingsverzekering is dus alleen een levensverzekeringsovereenkomst tot stand gekomen en niet tevens een of meer andere overeenkomsten, zoals de door de Stichting gestelde overeenkomst tot het verlenen van beleggingsdiensten en een vaststellingsovereenkomst inzake een vergoeding voor werkzaamheden op het gebied van administratie en beheer. Van een gemengde/samengestelde overeenkomst is dus geen sprake. Anders dan de Stichting ter zitting heeft aangevoerd, is het doel van een NN-beleggingsverzekering ook niet primair vermogensopbouw. Dat sommige verzekeringnemers de verzekering anders hebben ervaren doet aan het voorgaande niet af.

4.30.

De levensverzekeringsovereenkomst is een benoemde overeenkomst in de zin van artikel 7:964 e.v. BW, waarbij – zoals hiervoor reeds is overwogen – een verzekeraar zich tegen betaling van de premie verbindt tot het doen van een uitkering (artikel 7:925 BW). De kenmerkende elementen zijn de (hoogte van de) premie (de prijs) en de (te verwachten) uitkering bij leven of overlijden (de prestatie) (vgl. HvJ EU Länsförsäkringar, punt 50).

Informatieverplichtingen

4.31.

Wilsovereenstemming veronderstelt dat de verzekeringnemer beschikt over voldoende informatie. Gelet op bovenvermelde aard van de overeenkomst was NN verplicht de (potentiële) verzekeringnemer voorafgaand aan de totstandkoming van de overeenkomst te informeren overeenkomstig de uit de Derde levensrichtlijn voortvloeiende regelgeving. Volgens de preambule van de Derde levensrichtlijn moet de consument beschikken over “de nodige inlichtingen om de overeenkomst te kunnen kiezen die het beste bij zijn behoeften past;” en daarin wordt voorts overwogen “dat deze behoefte aan inlichtingen nog sterker is omdat de looptijd van de verbintenissen zeer lang kan zijn; dat het dientengevolge wenselijk is de minimumvoorschriften te coördineren opdat de consument een duidelijke en nauwkeurige informatie zou ontvangen over de wezenlijke kenmerken van de hem aangeboden produkten” (zie 2.10) en blijkens de toelichtingen op de RIAV 1994 en de RIAV 1998 betreffen deze regelingen “de (pre)contractuele verhouding tussen verzekeraar en verzekeringnemer” en “wordt de toepassing van deze regeling(en) beheerst door het burgerlijk recht, waarbij bijvoorbeeld ook de eisen van redelijkheid en billijkheid (artikel 2 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek) gelden”.

Het verweer van de Stichting dat de informatieverplichtingen uit hoofde van de Derde levensrichtlijn slechts publiekrechtelijke minimumnormen zijn, die los staan van een privaatrechtelijke beoordeling, treft geen doel. Naar Europees recht wordt geen onderscheid gemaakt tussen publiek- en privaatrecht. Op grond van artikel 288 Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie is een richtlijn slechts verbindend ten aanzien van het te bereiken resultaat voor elke lidstaat waarvoor zij is bestemd; aan de nationale instanties wordt de bevoegdheid gelaten vorm en middelen te kiezen. Nederland heeft gekozen voor een publiekrechtelijke implementatie door opname van de normen in de RIAV 1994 (en de verdere/latere regelgeving, zoals hiervoor besproken). Voor het overige geldt contractsvrijheid en is het aan de verzekeraar en de consument/verzekeringnemer overgelaten welke levensverzekeringsovereenkomst zij wensen te sluiten. Daaromtrent dient, volgens de normale privaatrechtelijke regels te beoordelen, wilsovereenstemming te bestaan. De precontractuele informatieverstrekking op grond van de Derde levensrichtlijn en de daaruit voortvloeiende regelgeving is een omstandigheid die in ogenschouw moet worden genomen in het kader van de vraag wat is overeengekomen tussen NN en de verzekeringnemers.

4.32.

In de Derde levensrichtlijn is bepaald welke informatie een verzekeraar minimaal aan de verzekeringnemer moet verstrekken. Artikel 31 lid 1 Derde levensrichtlijn schrijft voor dat vóór sluiting van de verzekeringsovereenkomst aan de verzekeringnemer ten minste de in bijlage II, onder A, vermelde gegevens moeten worden meegedeeld (zie 2.10 en 2.11).

Artikel 31 lid 3 van deze richtlijn bepaalt dat de lidstaten van de verzekeringsondernemingen niet mogen verlangen dat zij aanvullende gegevens naast de in bijlage II vermelde gegevens verstrekken, tenzij deze nodig zijn voor een goed begrip door de verzekeringnemer van de wezenlijke bestanddelen van de verbintenis (zie 2.10). Ten aanzien van artikel 31 lid 3 Derde levensrichtlijn heeft het Europese Hof van Justitie in zijn arrest van 29 april 2015 (NN/Van Leeuwen; ECLI:EU:C:2015:286, hierna: het arrest NN/Van Leeuwen) geoordeeld (onder 34): “… dat dit aldus moet worden uitgelegd dat het niet eraan in de weg staat dat een verzekeraar op grond van algemene beginselen van intern recht, zoals (…) open en/of ongeschreven regels, gehouden is de verzekeringnemer bepaalde informatie te verstrekken in aanvulling op die vermeld in bijlage II bij de richtlijn, mits (…) de verlangde informatie duidelijk en nauwkeurig is en noodzakelijk voor een goed begrip door de verzekeringnemer van de wezenlijke bestanddelen van de verbintenis en zij voldoende rechtszekerheid waarborgt”.

4.33.

De Derde levensrichtlijn is via artikel 51 Wtv 1993 (zie 2.12) in Nederland geïmplementeerd door inwerkingtreding van de RIAV 1994 (zie 2.13). De RIAV 1994 gaf nadere invulling aan de (pre)contractuele verhouding tussen verzekeraar en verzekeringnemer. De RIAV 1994 bevatte geen voorschriften ter zake van informatieverstrekking over kosten, risico’s, rendementen en het gebruik van voorbeeldrendementen. De RIAV 1994 beperkte zich tot regels omtrent vermelding van de bruto premie en een omschrijving van de uitkering of uitkeringen waartoe de verzekeraar zich verplicht (art. 2, lid 2 onderdeel b en h RIAV 1994; zie 2.13). Indien de overeenkomst voorzag in een afkoop- of premievrije waarde, diende de verzekeraar op grond van onderdeel k aan de verzekeringnemer een opgave of indicatie van deze waarden te verstrekken of een opgave van de wijze waarop deze waarden werden berekend. Blijkens de toelichting werd gedoeld op een eventuele gegarandeerde afkoop- of premievrije waarde, dit in tegenstelling tot een ‘indicatie’ van die waarde, of een opgave van de berekeningswijze. Anders dan de Stichting stelt, kan uit die bepaling (in combinatie met onderdeel b RIAV 1994) geen algemene verplichting tot het vermelden van de kostensoorten worden afgeleid. Dat volgt uit de tekst van onderdeel k RIAV 1994 noch uit de toelichting daarop. De omstandigheid dat in de toelichting op de RIAV 1998 is vermeld dat bij een opgave van de berekeningswijze vooraf moet worden aangeven welke kostensoorten voor rekening van de polishouder komen, maakt dat niet anders. Een dergelijke (expliciete) verplichting kan niet met terugwerkende kracht worden aangenomen voor de RIAV 1994.

4.34.

De RIAV 1994 is met ingang van 1 januari 1999 vervangen door de RIAV 1998. Ook de RIAV 1998 strekte tot implementatie van (onder meer) artikel 31 van de Derde levensrichtlijn. Ten opzichte van de RIAV 1994 is artikel 2 lid 2 onderdeel b gewijzigd in die zin dat verzekeraars voortaan het bedrag van de uitkering(en) waartoe zij zich verplichtten moesten opnemen. Alleen als het niet mogelijk was om het bedrag van de uitkering te noemen, diende een nauwkeurige omschrijving te worden gegeven van de uitkering met vermelding van de factoren waarvan de hoogte van de uitkering afhankelijk was.

Uit de tekst van, noch uit de toelichting bij, onderdeel b volgt dat, indien de verzekeraar er voor koos het bedrag van de uitkering te noemen, slechts een vast, gegarandeerd bedrag vermeld mocht worden. Uit die tekst en toelichting blijkt ook niet dat de verzekeringnemer diende te worden geïnformeerd over de berekeningswijze van het bedrag van de uitkering.

Verder is in de RIAV 1998 de formulering van onderdeel k gewijzigd, in die zin dat de term ‘indicatie’ is geschrapt. Blijkens de toelichting bij de RIAV 1998 gaf de term 'indicatie' aanleiding tot onduidelijkheid. Door schrapping van deze term in de RIAV 1998, moet een verzekeraar ofwel het bedrag opgeven, ofwel een opgave doen van de berekeningswijze. Dit impliceert volgens de toelichting dat de verzekeraar, indien hij een opgave van de berekeningswijze geeft, vooraf dient aan te geven welke kostensoorten voor rekening van de polishouder komen.

Daarnaast zijn in de RIAV 1998 de onderdelen q, r en s toegevoegd aan artikel 2 lid 2. Onderdeel q bepaalde dat een verzekeringnemer diende te worden geïnformeerd over de invloed van kosten en inhoudingen op het rendement en de uitkering. Blijkens de toelichting bij onderdeel q beoogde dit onderdeel de verzekeringnemer inzicht te geven hoe inhoudingen en kosten zijn rendement en de uiteindelijke uitkering zouden kunnen beïnvloeden. Het was volgens de toelichting voldoende om rekenvoorbeelden te verstrekken waarin de kosten en inhoudingen waren verwerkt (Stcrt. 1998, 134, p. 8).

Met onderdeel r werd vervolgens de verplichting geregeld om, in gevallen waarin kosten van levensverzekeringen of spaarkasovereenkomsten met een beleggingscomponent, naast de bruto premie in rekening werden gebracht, de consument hiervan op de hoogte te brengen. Blijkens de toelichting legde onderdeel r geen extra verplichtingen op ten opzichte van onderdeel q, voor zover alle kosten al waren verwerkt in de bruto premie. De wel in de voorbeeldkapitalen en bruto premie verwerkte kosten behoefden dus niet afzonderlijk vermeld te worden.

Onderdeel s beoogde tot slot dat de verzekeringnemer duidelijk op de hoogte werd gebracht van het beleggingsrisico dat verbonden is aan levensverzekeringen of spaarkasovereenkomsten met een beleggingscomponent en in hoeverre dat voor zijn rekening komt.

4.35.

De Stichting stelt dat er onderscheid moet worden gemaakt tussen onderdeel b (en k) enerzijds en de onderdelen q, r en s anderzijds. Volgens de Stichting ziet onderdeel b (en k) op de verschuldigdheid van kosten en inhoudingen, terwijl de onderdelen q, r en s zien op de kwantitatieve invloed van die kosten en inhoudingen op de uitkering. De onderdelen q, r en s zijn additionele voorschriften.

4.36.

Zoals hiervoor reeds is overwogen, verplichtte onderdeel b de verzekeraar informatie te verstrekken over de uitkering. Met de RIAV 1998 is onderdeel b niet vervangen, maar slechts aangescherpt. De achtergrond hiervan was, blijkens de toelichting bij onderdeel b en het in 1998 verschenen onderzoeksrapport van de Pensioen- en Verzekeringskamer (PVK), waarbij onder meer de RIAV 1994 werd geëvalueerd, dat het woord ‘omschrijving’ te veel ruimte liet voor interpretatie. De mededeling ‘een nader te bepalen bedrag bij in leven zijn op de einddatum’ zou voldoen aan de eis van artikel 2 lid 2 sub b RIAV 1994, maar was volgens de PVK te vaag.

In de RIAV 1998 was onderdeel b echter nog steeds in zeer algemene bewoordingen gesteld, zodat het kennelijk, in de visie van de wetgever, nodig was om in onderdeel q een specifieke verplichting met betrekking tot de invloed van kosten en inhoudingen op de uitkering (en het rendement) op te nemen. Tegen die achtergrond moet naar het oordeel van de rechtbank onderdeel b in verband worden gezien met de aan het eind van het tweede lid van artikel 2 toegevoegde onderdelen q, r en s. Naar het oordeel van de rechtbank verplichtten onderdeel b (en k) noch de onderdelen q en r de verzekeraar om een op zichzelf staand overzicht van – of inzicht in – de kosten en de opbouw daarvan te verschaffen.

4.37.

Ten aanzien van de vraag of Nederlandse ‘open en/of ongeschreven regels’ meebrachten dat NN gehouden was meer informatie te verschaffen (zie 4.32), overweegt de rechtbank dat het hierbij met name aankomt op de algemene maatschappelijke opvattingen ten tijde van de totstandkoming van de onderhavige overeenkomsten. De omstandigheid dat thans anders wordt gedacht over de wijze van informatieverstrekking is niet van belang; dat is mede het gevolg van inmiddels, in ongeveer twee decennia, opgedane maar toen nog niet beschikbare ervaringen met het product, destijds niet voorziene ontwikkelingen op de effectenbeurzen en gewijzigde omstandigheden op maatschappelijk en economisch vlak. De aard van de te sluiten overeenkomst – hier: een complex product, de beleggingsverzekering –, de positie van partijen jegens elkaar – hier: een consument (bijgestaan door een tussenpersoon) tegenover een professionele verzekeraar – zijn ook in de Derde levensrichtlijn onder ogen gezien en hebben een rol gespeeld bij de samenstelling van bijlage II bij die richtlijn. De aanvullende rol die de redelijkheid en billijkheid kunnen vervullen is daardoor geringer dan wanneer dergelijke regelgeving had ontbroken.

Tot en met 1996

4.38.

De maatschappelijke opvattingen over dit onderwerp kunnen mede worden afgeleid uit de uitlatingen van de regering en het parlement. Anders dan de Stichting stelt, kan naar het oordeel van de rechtbank worden aangenomen dat het destijds in het algemeen voldoende werd bevonden dat informatie werd verstrekt over de premie en de uitkering waartoe de verzekeraar zich verplichtte. De consument hoefde slechts op indirecte wijze te worden geïnformeerd over de kosten van het product, namelijk door het verwerken van de kosten in netto voorbeeldkapitalen. Dit volgt onder meer uit een antwoord van de minister van Financiën in 1996 op de vraag van leden van de PvdA-fractie of verzekeraars op basis van de RIAV 1994 verplicht waren inzicht te geven in de (opbouw van) kosten die bij de samenstelling van financiële productie worden gemaakt: “De Regeling Informatieverstrekking aan verzekeringnemers 1994 is gebaseerd op artikel 51 van de wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 en vloeit voort uit de derde schadeverzekerings- en de derde levensverzekeringsrichtlijn. De regeling regelt de (pre)contractuele verhouding tussen de verzekeraar en de verzekeringnemer. Verzekeraars zijn evenmin als de producenten van andere (financiële) producten, niet verplicht inzicht te geven in de kostenstructuur.” (Kamerstukken II 1995-1996, 24456 nr. 12, p. 16-17). Uit het vervolg op dit antwoord: “De laatste jaren worden er steeds meer levensverzekeringsproducten aangeboden waarbij het rendementsrisico direct door de verzekeringnemer wordt gelopen. Vanwege deze ontwikkeling werd het in brede kring noodzakelijk geacht dat in informatieverstrekking aan de consument de risico's die voor hem aan dergelijke levensverzekeringsproducten zijn verbonden voldoende worden belicht. In dit verband is recent door het Verbond van Verzekeraars de gedragscode rendementsprognoses vastgesteld. In deze gedragscode wordt een aantal eisen geformuleerd waaraan informatieverstrekking aan de consument betreffende de genoemde producten moet voldoen. (…) het doel van deze gedragscode [is] de consument inzicht te verschaffen in de wijze waarop rendement en risico van beleggingen van invloed zijn op toekomstige uitkeringen uit levensverzekeringen en spaarkasovereenkomsten. Deze gedragscode wordt door ondergetekende vanuit het oogpunt van consumentenbelang positief gewaardeerd. Het kabinet acht het wenselijk om, los daarvan, te bezien of er aanleiding bestaat om aan alle op de Nederlandse markt actieve levensverzekeraars bepaalde voorschriften te geven die noodzakelijk zijn voor een goed begrip van de wezenlijke bestanddelen van de verzekeringsovereenkomst” kan niet worden afgeleid dit anders was voor beleggingsverzekeringen.

4.39.

De rechtbank ziet bovenvermelde uitlatingen van de minister en de omstandigheid dat daarvan in het parlement geen afstand werd genomen, als neerslag van de destijds heersende opvatting dat de consument slechts op indirecte wijze hoefde te worden geïnformeerd over de kosten van het product en dat de consument daarmee in staat werd gesteld om de wezenlijke bestanddelen van het product goed te doorgronden.

Dat is ook in lijn met het eerdere debat in de kamer zoals dat uit de parlementaire geschiedenis van de Wabb omtrent de provisie voor de tussenpersoon (een van de kostenposten bij onder meer beleggingsverzekeringen) blijkt:

“(…) Bovendien is naar onze mening aparte vermelding van de provisie voor het beslissingsproces niet van belang. Voor de consument is uitsluitend interessant wat de hoogte van de te betalen eindprijs is. Alleen door vergelijking van eindprijzen verkrijgt hij inzicht in de markt: «kale» prijzen, na aftrek van provisie, hebben geen zelfstandige betekenis. Op basis van een eindprijsvergelijking kan de consument bepalen in hoeverre de meerprijs hem een betere dienstverlening waard is. De conclusie moet dan ook luiden dat provisievermelding het accent te sterk zal leggen op het prijsaspect in plaats van op de prijs/prestatie-verhouding. Anderzijds is het denkbaar dat indien naast het openbaar maken van de provisie ook andere wijzigingen in het stelsel worden aangebracht of indien de bedrijfstak nieuwe initiatieven gaat ontwikkelen er een stelsel kan worden ontwikkeld dat aan genoemde bezwaren tegemoet komt. Door de nauwe samenhang tussen de verschillende factoren van het provisiestelsel zijn de effecten van een wijziging moeilijk te voorspellen.

Het optreden van onbedoelde effecten kan evenwel een langdurige onrust op de markt veroorzaken. Dit in aanmerking genomen en mede gezien het feit dat het huidige systeem tot op heden weinig reden tot klachten of bezwaren heeft gegeven, geven de ondergetekenden de voorkeur aan handhaving van het huidige systeem totdat duidelijk is hoe de ontwikkelingen zullen zijn op Europees niveau (…)” (Kamerstukken II 1989/1990, 20 925, nr. 10, p. 10-11 (Nota naar aanleiding van het eindverslag van Wabb).

Aanwijzingen voor de gedachte dat de algemeen heersende opvatting destijds anders luidde, ontbreken.

4.40.

Dat betekent dat de precontractuele eisen van redelijkheid en billijkheid, in het licht van de wijze waarop de Derde levensrichtlijn in de RIAV 1994 is geïmplementeerd en de maatschappelijke opvattingen van destijds, in het algemeen niet meebrachten dat verzekeraars als NN meer informatie dienden te verschaffen dan de toen geldende wetgeving meebracht. Er zijn geen regels van ongeschreven recht en/of open normen aan te wijzen op grond waarvan de verzekeringnemers meer informatie konden en mochten verwachten.

4.41.

Vaststaat dat de NN-beleggingsverzekeringen vanaf 1990 zijn verkocht. Op dat moment was de Derde levensrichtlijn nog niet geïmplementeerd; deze werd vastgesteld op 10 november 1992. Destijds was er geen specifieke regelgeving betreffende de informatieverstrekking door verzekeraars over beleggingsverzekeringen. Gesteld noch gebleken is dat vóór inwerkingtreding van de RIAV 1994 stengere eisen golden met betrekking tot de informatie die aan verzekeringnemers verstrekt moest worden. Gelet daarop en op de hiervoor beschreven debatten in het parlement, ziet de rechtbank geen grond om aan te nemen dat de eisen van redelijkheid en billijkheid meebrachten dat verzekeraars meer informatie dienden te verschaffen dan in de (ontwerp) Derde levensrichtlijn werd voorzien.

Er is dus geen reden om in de periode van 1990 tot 1 juli 1994 aan de informatieverstrekking door verzekeraars strengere eisen te stellen dan uit de per 1 juli 1994 in werking getreden RIAV 1994 voortvloeiden. Tegen die achtergrond en nu de Derde levensrichtlijn is geïmplementeerd in de RIAV 1994 (die van kracht werd op 1 juli 1994), ziet hetgeen is overwogen over de RIAV 1994 ook op de van 1 januari 1990 tot 1 juli 1994 gesloten beleggingsverzekeringen.

1997-1998

4.42.

De maatschappelijke opvattingen wijzigden vanaf eind 1996. Op initiatief van de bij het Verbond van Verzekeraars aangesloten verzekeraars (onder wie NN) werd per 1 januari 1997 bij wijze van zelfregulering de CRR 1996 ingevoerd. De CRR 1996 bevatte voorschriften over de voorbeeldrendementen die moesten worden gebruikt bij het berekenen van de netto voorbeeldkapitalen en voorschriften over de informatie die verzekeraars dienden te verstrekken over deze voorbeeldrendementen en de (beleggings)risico’s van beleggingsverzekeringen.

4.43.

Vervolgens verscheen in 1998 een onderzoeksrapport van de PVK (zie 4.36). De PVK adviseerde de minister van Financiën de informatieverstrekking aan polishouders te verbeteren, maar wat betreft de weergave van in rekening te brengen kosten, luidde het advies dat slechts kosten die niet in de bruto premie waren verwerkt, apart zouden moeten worden vermeld. Volgens de PVK hebben de Ombudsman en de Consumentenbond positief gereageerd op haar (concept)adviesrapportage en was het Verbond van Verzekeraars van mening dat de voorstellen van de PVK op hoofdlijnen overeenstemden met de voornemens van het Verbond tot verbetering van de informatieverstrekking aan de consument (zie p. 85 van het rapport “PVK Studies 14”).

4.44.

Uit het voorgaande volgt dat de verzekeringsbranche met zelfregulering via de CRR 1996 uiting heeft gegeven aan de op dat moment gewijzigde maatschappelijke opvatting over de vereiste informatieverstrekking en liep zij in wezen vooruit op de RIAV 1998, met name ten aanzien van de onder artikel 2 lid 2 sub q, r en s RIAV 1998 bedoelde informatie, die onder de gewijzigde opvattingen over de vereiste informatieverstrekking als “noodzakelijk” in de zin van artikel 31 lid 3 Derde levensrichtlijn werd beschouwd (zie 4.34).

4.45.

Tegen deze achtergrond is de rechtbank van oordeel dat NN vanaf 1 januari 1997 gehouden was om, vooruitlopend op de inwerkingtreding van de RIAV 1998, vanaf de inwerkingtreding van de CRR 1996 de informatie als bedoeld in artikel 2 lid 2 onder b, q, r en s aan de consumenten te verstrekken. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de verzekeraar als geen ander zijn eigen product kent, zodat de verzekeraar in staat is te beoordelen welke productkenmerken extra informatie rechtvaardigen (vgl NN/Van Leeuwen r.o. 30).

RIAV 1998

4.46.

Uit de totstandkomingsgeschiedenis van de RIAV 1998 blijkt dat de wetgever uitdrukkelijk het systeem van de indirecte weergave van kosten (en risicopremies) heeft gehandhaafd. De verzekeraars mochten inzicht in de invloed van kosten (en risicopremies) verschaffen door het vermelden van netto eindkapitalen (rekenvoorbeelden). De RIAV 1998 is tot stand gekomen na consultatie van onder meer het Verbond van Verzekeraars, de Consumentenbond, de PVK en de Ombudsman Levensverzekering, terwijl daarover ook in het parlement is gesproken. De norm die inhoudt dat de verzekeraar met deze indirecte transparantie van kosten voldoende en juiste informatie verstrekt aan de verzekeringnemers, werd destijds dus breed gedragen. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de algemene eisen van precontractuele redelijkheid en billijkheid die de verhouding tussen verzekeraar en aspirant-verzekeringnemer beheersen daarmee verdisconteerd in de RIAV 1998 en kunnen uit die algemene eisen geen aanvullende informatieverplichtingen zoals hiervoor bedoeld voortvloeien.

4.47.

De wetgever heeft pas in 2008 (toen het Bgfo 2007 in werking trad) de verplichting geïntroduceerd om – onder meer – opgave te doen van de hoogte en wijze van in rekening brengen van (benoemde) kostensoorten. Nu de beleggingsverzekeringen die onderwerp zijn van deze procedure alle voor de inwerkingtreding van het Bgfo zijn gesloten, is het Bgfo voor de beoordeling van de vorderingen van de Stichting niet van belang. Voor doorwerking van de in de Bgfo neergelegde voorschriften naar de jaren daarvoor is, gelet op hetgeen hiervoor werd overwogen, geen ruimte.

4.48.

Tegen de achtergrond van bovenstaande informatieverplichtingen, treft het beroep van de Stichting op een bijzondere zorgplicht van NN geen doel. Deze zorgplicht werd ingevuld door de Derde levensrichtlijn en de daaruit voortvloeiende regelgeving, waarbij rekening is gehouden met onder meer de aard van de te sluiten overeenkomst en de positie van partijen jegens elkaar (zie 4.37). Zoals hiervoor reeds is overwogen brachten de precontractuele eisen van redelijkheid en billijkheid, met uitzondering van de periode van 1 januari 1997 tot de inwerkingtreding van de RIAV 1998, geen verdergaande eisen mee dan uit de destijds geldende regelgeving voortvloeiden.

Handelen NN

4.49.

Vervolgens is aan de orde de vraag of NN heeft gehandeld overeenkomstig bovenvermelde informatieverplichtingen.

1990 – 1996

4.50.

Zoals hiervoor reeds is overwogen beperkte de RIAV 1994 zich tot regels omtrent vermelding van de bruto premie (artikel 2 lid 2 sub h) en een omschrijving van de uitkering of uitkeringen waartoe de verzekeraar zich verplicht (sub b). Er was geen sprake van specifieke voorschriften ter zake van informatieverstrekking over kosten (en risico’s en rendementen). Ten aanzien van de eventuele afkoopwaarde mocht NN een opgave of indicatie van deze waarden verstrekken of een opgave van de wijze waarop deze waarden werden berekend.

4.51.

Ten aanzien van de kosten heeft NN gesteld dat zij (althans de tussenpersoon met behulp van de door NN ter beschikking gestelde offertesoftware) aan de verzekeringnemers een offerte verstrekte, waarin in de periode 1994 – 1996 de bruto premie en netto voorbeeldkapitalen bij bepaalde voorbeeldscenario’s waren opgenomen.

Voor wat betreft onderdeel k heeft NN toegelicht dat zij in de periode tot 1 januari 1999 de verzekeringnemers via artikel 14 lid 2 VvV (zie 2.6) en het Prospectus (zie 2.8) informeerde over de berekeningswijze van de afkoopwaarde en de kostensoorten (de eerste kosten) die bij afkoop in mindering werden gebracht op de participatiewaarde.

In dit verband is relevant dat de definitie van eerste kosten in het Prospectus niet gelijk is aan de hiervoor gehanteerde definitie. In het Prospectus worden eerste kosten omschreven als “Eerste kosten zijn kosten die gemaakt worden bij het afsluiten van de verzekering. Ze bestaan onder andere uit kosten voor het tot stand komen en in administratie nemen van de verzekering, voor het opmaken van de polis, en (soms) kosten voor de medische beoordeling van het risico”.

Het verschil met de in deze procedure bedoelde eerste kosten komt hierop neer, dat medische kosten daaronder niet, en marketing-, reclame en provisiekosten (voor de tussenpersoon) daaronder wel vallen. Nu deze omschrijving, door de invoeging van “onder andere”, geen volledigheid pretendeert en verwezen wordt naar kosten die bij het afsluiten en tot stand komen worden gemaakt heeft NN gelet op hetgeen onder 4.33 en 4.38 tot en met 4.40 is overwogen, naar het oordeel van de rechtbank in de periode 1994 – 1996 aan haar (in deze procedure relevante) informatieverplichtingen voldaan. Daarbij is mede in aanmerking genomen dat in die periode de bruto premie en de netto-voorbeeldkapitalen additionele informatie bevatten.

4.52.

Hiervoor is reeds overwogen dat de normen voor de periode 1990 – 1994 niet verschilden van die tussen 1994 en 1997 (zie 4.41). Over de periode voor de inwerkingtreding van de RIAV 1994 heeft NN uitsluitend gesteld dat de offertes en overige documentatie al voor 1 juli 1994 aan de RIAV 1994 voldeden en niet gewijzigd zijn. Over haar handelen in die periode heeft NN verder geen concrete stellingen betrokken. De rechtbank acht dat, mede gelet op het ontbreken van de in 4.51 bedoelde additionele informatie, te weinig bepaald en wenst daarover nader voorgelicht te worden.

NN en Wakkerpolis kunnen zich daaromtrent bij de hierna onder 4.80 te noemen akte uitlaten.

1997 – 1998

4.53.

Zoals hiervoor reeds is overwogen onder 4.45 diende NN in deze periode te voldoen aan de informatieverplichtingen zoals verwoord in de RIAV 1998 (voor wat betreft de onderdelen q, r en s).

4.54.

Zoals hiervoor is overwogen onder 4.46 diende NN de bruto premie bekend te maken en kon zij, voor wat betreft de te verwachten uitkering en de kosten, volstaan met het vermelden van netto voorbeeldkapitalen, waarin de kosten en inhoudingen waren verwerkt. Voor zover er kosten in rekening werden gebracht, die niet in de bruto premie waren verwerkt, diende NN de verzekeringnemers hierover te informeren (onderdeel r). Ten aanzien van de eventuele afkoopwaarde kon NN nog steeds volstaan met een opgave of indicatie van deze waarden of een opgave van de wijze waarop deze waarden werden berekend.

4.55.

NN stelt dat zij vanaf 1 januari 1997 in haar offertes de bruto premie vermeldde en netto voorbeeldkapitalen op basis van twee, op historische rendementen gebaseerde, voorbeeldrendementen. In haar offertes vermeldde zij verder “in bovenstaande bedragen zijn alle kosten verrekend. Dit houdt in dat het voorbeeldkapitaal, indien het gestelde percentage wordt gerealiseerd, op de genoemde datum ook daadwerkelijk beschikbaar komt”.

De stichting heeft niet betwist dat de offertes van NN in die periode in het algemeen zo luidden.

4.56.

Voor wat betreft onderdeel k heeft NN toegelicht dat zij in de periode tot 1 januari 1999 de verzekeringnemers via artikel 14 lid 2 VvV (zie 2.6) en het Prospectus (zie 2.8) informeerde over de berekeningswijze van de afkoopwaarde en de kostensoorten (de eerste kosten) die bij afkoop in mindering werden gebracht op de participatiewaarde.

4.57.

Tegen de achtergrond van het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat NN heeft voldaan aan haar (in dit geding relevante) informatieverplichtingen over de periode 1997 – 1998.

1998 – 2002

4.58.

In deze periode diende NN te voldoen aan de RIAV 1998, de CRR 1998 en, vanaf 1 augustus 1999, aan de beleidsregels van de PVK.

4.59.

Met betrekking tot de kosten heeft NN aangevoerd dat zij in deze periode in haar offerte de bruto premie opnam en netto voorbeeldkapitalen op basis van een drietal scenario’s:

- het gemiddeld historisch fondsrendement,

- het gemiddeld historisch fondsrendement na afslag, en

- het standaard fondsrendement.

Daarnaast vermeldde NN overeenkomstig de CRR 1998 in haar offertes productrendementen, behorende bij de drie opgenomen voorbeeldrendementen.

4.60.

Voor zover het de afkoop- en premievrije waarde betreft, vermeldde NN overeenkomstig de beleidsregels van de PVK (zie 2.16) vanaf 1 augustus 1999 in haar offertes een afkoop- en premievrije waarde-tabel.

4.61.

Tegen de achtergrond van het voorgaande en nu de Stichting bovenvermelde wijze van handelen van NN op zichzelf niet (voldoende) gemotiveerd heeft betwist, is de rechtbank van oordeel dat NN heeft voldaan aan haar informatieverplichtingen over de periode 1998 – 2002.

2002 – 2004

4.62.

In juli 2002 werden (in aanvulling op de RIAV 1998) het Bfb 2002 (zie 2.17) en de Nrfb 2002 (zie 2.18) van kracht. Op dezelfde datum is de CRR 1998 vervangen door de CRR 2002, die achtereenvolgens werd vervangen door de CRR 2003 en 2004 (zie 2.14). De CRR 2002 en opvolgende versies, het Bfb 2002 en de Nrfb 2002, bevatten geen (aanvullende) voorschriften ten aanzien van de informatieverstrekking over (onder meer) kosten.

4.63.

NN heeft gesteld dat zij in deze periode handelde overeenkomstig de onder 4.62 vermelde regelgeving. Zij maakte in haar offertes melding van de bruto premie en netto voorbeeldkapitalen op basis van een drietal scenario’s:

- een pessimistisch voorbeeldrendement,

- een door de toezichthouder vastgesteld rendement van 4%, en

- het historisch fondsrendement.

Hierbij werd ook steeds het bijbehorende productrendement vermeld.

Daarnaast werd in de Financiële Bijsluiter een omschrijving gegeven van diverse kosten soorten, waaronder de eerste kosten.

De eerste kosten en de wijze van in rekening brengen daarvan werden ook in de offerte vermeld.

4.64.

Gelet hierop en nu de Stichting deze wijze van handelen op zichzelf niet (voldoende) gemotiveerd heeft betwist, komt de rechtbank tot de conclusie dat NN heeft voldaan aan haar informatieverplichtingen over de periode 2002 – 2004.

Contractsdocumentatie

4.65.

De Stichting stelt – en NN betwist – dat de offertes (en de daarin vermelde informatie) en de onder 2.7 vermelde brochures geen rol spelen bij de beantwoording van de vraag of wilsovereenstemming bestaat over de verschuldigdheid van de eerste kosten. Volgens de Stichting is de NN-beleggingsverzekering uitputtend geregeld in de polis en de polisvoorwaarden, zodat de inhoud van de overeenkomst enkel kan worden afgeleid uit de schriftelijke overeenkomsten die tussen NN en de verzekeringnemers zijn opgemaakt.

Offerte

4.66.

Algemeen uitgangspunt is dat een overeenkomst tot stand komt door aanbod en aanvaarding. Dat is voor een beleggingsverzekeringsovereenkomst niet anders. De omstandigheid dat, zoals door de Stichting ter zitting aangevoerd, een deel van de polissen is afgesloten onder vigeur van het Wetboek van Koophandel (WvK), maakt daarbij geen verschil. Artikel 246 WvK kende voor de verzekeringsovereenkomst hetzelfde uitgangspunt en artt. 255 tot en met 258 WvK betroffen slechts bewijsvoorschriften. Tussen partijen is niet in geschil dat het indienen van het aanvraagformulier door de verzekeringnemer bij de verzekeraar wordt gezien als het aanbod van de verzekeringnemer aan de verzekeraar en het toezenden van de polis en de polisvoorwaarden (hier: de VvV) als de aanvaarding door de verzekeraar van dat aanbod. Naar de Stichting terecht stelt, wordt de verzekeringsovereenkomst (toen op basis van de betreffende artikelen in het WvK en thans op grond van artikel 7:932 BW) gevormd door de polis en polisvoorwaarden. Gelet op de aard van de overeenkomst kan de offerte (zie 4.19) – naar tussen partijen op zich niet in geschil is – worden gekwalificeerd als een uitnodiging tot het doen van een aanbod. De offerte maakt dus geen onderdeel uit van de beleggingsverzekeringsovereenkomst. Dat neemt niet weg dat de offerte wel een rol speelt bij de uitleg van de overeenkomst, als relevante omstandigheid. Zoals hiervoor reeds is overwogen zijn bij de uitleg van de NN-beleggingsverzekeringen immers alle omstandigheden van het geval van belang (zie 4.24). De overeenkomst die uiteindelijk naar aanleiding van een offerte tot stand is gekomen, wordt mede ingekleurd door de inhoud van die offerte.

Brochures

4.67.

Datzelfde geldt voor de onder 2.7 vermelde brochures. Zoals hiervoor reeds is overwogen onder 4.16 moet er in deze collectieve procedure van uit worden gegaan dat de tussenpersoon voorafgaand aan het aangaan van de beleggingsverzekering de op dat moment geldende brochure heeft verstrekt. De inhoud van die brochure speelt een rol als omstandigheid bij de vraag wat tussen partijen is overeengekomen.

4.68.

Ten aanzien van (de diverse versies van) het Prospectus (zie 2.8) heeft de Stichting aangevoerd dat deze niet relevant is voor de NN-beleggingsverzekeringen, omdat deze brochure betrekking had op unit linked verzekeringen. Deze verzekeringen wijken op een principieel punt van universal life verzekeringen, omdat bij unit linked verzekeringen de kosten en inhoudingen vooraf concreet worden overeengekomen en eerst in mindering worden gebracht op de premie, waarna het restant wordt belegd, aldus de Stichting.

4.69.

Tussen partijen is niet in geschil dat de term unit linked enerzijds ziet op verzekeringen waarbij de uitkering is gekoppeld aan ‘units’ en anderzijds een deelbenaming is voor verzekeringen waarbij de uitkering bij overlijden bestaat uit een vaststaand bedrag vermeerderd met de (eventueel) opgebouwde waarde van de participaties. Unit linked verzekeringen in de laatste, meer beperkte, zin van het woord en de in de jaren ’90 van de vorige eeuw ontwikkelde universal life verzekeringen, vallen beide onder het eerst genoemde begrip unit linked.

Naar het oordeel van de rechtbank kan uit de tekst niet worden afgeleid dat (de diverse versies van) het Prospectus slechts betrekking heeft (hebben) op het beperkte begrip unit linked. Het prospectus vermeldt immers dat deze “voorlichting beoogt te geven over een bijzondere vorm van levensverzekeringen: de verzekeringen in beleggingseenheden”. Dat kan evenmin worden afgeleid uit – zoals de Stichting ter zitting heeft aangevoerd – pagina 8 en 9 van het Prospectus. De omstandigheid dat uit deze pagina’s van het Prospectus volgt dat de premie wordt verdeeld, betekent niet zonder meer dat het Prospectus niet relevant is voor universal life verzekeringen. NN heeft ter zitting toegelicht dat, voor zover het Prospectus afwijkt van de polis, de polis prevaleert. De Stichting heeft geen andere feiten of omstandigheden gesteld waaruit kan worden afgeleid dat het Prospectus niet relevant kan zijn voor universal life verzekeringen. Aldus behoort ook het Prospectus tot de contractsdocumentatie van de NN-beleggingsverzekeringen, die als omstandigheid in aanmerking moet worden genomen.

4.70.

Van de overige onder 2.7 vermelde brochures heeft de Stichting niet betwist dat deze van toepassing zijn op de NN-beleggingsverzekeringen. Voor zover relevant zal de rechtbank de inhoud van deze brochures daarom als omstandigheid meenemen bij de beoordeling van de vraag wat tussen NN en de verzekeringnemers is overeengekomen.

Eerste kosten

4.71.

Uit het voorgaande volgt dat de verzekeringnemers voorafgaand aan de totstandkoming van de overeenkomst in ieder geval zijn geïnformeerd over de bruto premie, als een van de wezenlijke kenmerken van een levensverzekeringsovereenkomst. Die premie was vermeld in zowel in offerte als in de polis. De Stichting heeft niet betwist dat de eerste kosten in de bruto premie waren verdisconteerd. Naar de Stichting terecht stelt, is het begrip ‘eerste kosten’ niet in regelgeving gedefinieerd of anderszins een vastomlijnd begrip, maar dat is op zichzelf niet van belang. In de onderhavige zaak gaat het immers, naar vast staat, om de kosten zoals weergegeven onder 2.5.

Zoals hiervoor is overwogen werden die kosten, gelet op de universal life systematiek, pas na de omzetting in participaties (units) op naam van de verzekeraar, geïnd. De bruto premie wordt helemaal belegd in units en vervolgens worden vanuit de units de kosten, ook de eerste kosten, voldaan door die units weer te verkopen. Gelet op deze systematiek waren de eerste kosten geen kosten die volgens artikel 2 lid 2 onder r RIAV 1998 ‘naast’ de bruto premie in rekening worden gebracht, zodat daarvan geen (kwantitatieve) weergave diende te worden gegeven. De eerste kosten waren ook geen kosten voor nevendekkingen of kosten die andere aanbieders van beleggingsverzekeringen helemaal niet in rekening brachten. Daarnaast bestond er op grond van de RIAV 1994 en de RIAV 1998 ook geen algemene verplichting tot het vermelden van de diverse kostensoorten (zie ook 4.33 en 4.34).

4.72.

Over het andere wezenlijke kenmerk van de levensverzekeringsovereenkomst: de uitkering, werden de verzekeringnemers in de offerte geïnformeerd via (aanvankelijk alleen) voorbeeldkapitalen (later aangevuld met productrendementen en afkoop- en premievrije waardetabellen; zie 4.59 en 4.60). Dit waren bij bepaalde voorbeeldscenario’s behorende netto rekenvoorbeelden. NN stelt dat de door de Stichting aan de orde gestelde eerste kosten waren verwerkt in deze in de offerte vermelde netto voorbeeldkapitalen en dat deze netto voorbeeldkapitalen werden berekend aan de hand van dezelfde berekeningswijze als die ten grondslag lag aan de berekening van de werkelijk opgebouwde waarde tijdens de looptijd van de beleggingsverzekering. De Stichting heeft dit op zich niet gemotiveerd weersproken. Naar het oordeel van de rechtbank verkreeg de verzekeringnemer door middel van de netto voorbeeldkapitalen dus indirect inzicht in het totaaleffect van alle kosten en inhoudingen gezamenlijk op de uiteindelijk te verwachten uitkering (in het betreffende voorbeeldscenario).

Anders dan de Stichting stelt, waren de voorbeeldkapitalen niet ongeschikt om informatie te verstrekken over de (mogelijke) uitkering. De voorbeeldkapitalen geven de gemiddelde verzekeringnemer (zie 4.20) snel een beeld van wat hij bij bepaalde voorbeeldscenario’s kan verwachten. Van de gemiddelde verzekeringnemer mag verwacht worden dat hij begreep dat het bedrag van de uitkering zou wijzigen, indien de uitgangspunten waarop de voorbeeldkapitalen waren gebaseerd wijzigden (zoals de uiteindelijke koersontwikkeling). Naar het oordeel van de rechtbank moest de gemiddelde verzekeringnemer er verder in redelijkheid van uit gaan dat sprake zou zijn van het berekenen van kosten. In de offertes en overige contractsdocumentatie zijn immers verwijzingen naar kosten vermeld.

Zoals hiervoor reeds is overwogen werd het tot 2008 niet van belang geacht welke soorten kosten voor rekening van de verzekeringnemer kwamen (zie 4.47). Tot 2008 was het voor NN niet nodig om, voor zover de kosten waren verwerkt in het voorbeeldkapitaal, aan te geven welke kostensoorten voor rekening van de verzekeringnemer zouden komen; gedetailleerde informatie over de kosten werd niet nodig geacht. Het ging om de te verwachten netto einduitkering.

4.73.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat met het ondertekenen van het aanvraagformulier (dat werd ingevuld op basis van de offerte) is ingestemd met het in rekening brengen van de totale kosten die NN in de bruto premie en de netto voorbeeldkapitalen had verwerkt; de grondslag voor de eerste kosten is dus te vinden in de wilsovereenstemming over de bruto premie en de uitkering op basis van netto voorbeeldkapitalen.

Dat geldt echter niet zonder meer voor de polissen die tot stand gekomen zijn tussen 1990 en het inwerking treden van de RIAV 1994. Daar werd immers aan de ene kant een opsomming gegeven van eerste kosten waaruit de gemiddelde verzekeringnemer in redelijkheid niet behoefde te begrijpen dat in de bruto premie ook kosten van marketing, reclame en de provisie van de tussenpersoon waren begrepen en aan de andere kant is onduidelijk hoe NN destijds in feite handelde (zie 4.52). Partijen zullen zich bij de aktewisseling ook op dit punt nog mogen uitlaten. Zo nodig komt de rechtbank na de aktewisseling op het voorgaande terug.

Aldus is de rechtbank van oordeel dat het in rekening brengen van de eerste kosten vanaf het inwerking treden van de RIAV 1994 in het algemeen is overeengekomen. Dat neemt niet weg dat sprake kan zijn uitzonderlijke omstandigheden, die in een bepaald individueel geval van groot belang zijn; de aard van deze procedure op basis van artikel 3:305a BW brengt mee dat daarvan hier geabstraheerd moet worden. Deze toets ziet dus slechts op hetgeen in algemene zin geldt, voor de doorsnee situatie en eerder vermelde gemiddelde verzekeringnemer. Tegen die achtergrond wordt het beroep van de Stichting op artikel 6:248 lid 2 BW verworpen.

NN was dus in beginsel, voor bedoelde periode, gerechtigd de door de Stichting aan de orde gestelde eerste kosten in rekening te brengen. In zoverre is er geen grond voor herrekening van de NN-beleggingsverzekeringen zoals door de Stichting gevorderd.

Tussentijds afkopen

4.74.

Zoals hiervoor reeds is overwogen kregen de verzekeringnemers door middel van de netto voorbeeldkapitalen inzicht in het totaaleffect van alle in de bruto premie verdisconteerde kosten, waaronder dus de eerste kosten. De verzekeringnemers konden hieruit echter niet afleiden welke kosten daarin waren verwerkt, op welke wijze die kosten in rekening werden gebracht en wat de omvang van die kosten was. Van alle kosten werden de door de Stichting aan de orde gestelde eerste kosten alleen gedurende het eerste deel van de looptijd van de verzekering (minimaal vijf jaar en maximaal tien jaar) in mindering gebracht op de in de verzekering opgebouwde waarde. NN heeft toegelicht dat deze wijze van in rekening brengen verband houdt met de omstandigheid dat zij deze kosten voorafgaand en bij het sluiten van de verzekering maakte. Bij premiebetalende verzekeringen was de premie vaak onvoldoende om deze kosten ineens te innen. Daarom werden ook financieringskosten berekend.

Naar het oordeel van de rechtbank moet onder het tussentijds afkopen of premievrij maken worden begrepen de situatie waarin de verzekeringnemer tussentijds gebruik maakte van het recht op opname of omzetting. NN heeft ter zitting erkend dat gebruikmaking van het recht op opname of omzetting economisch gezien neer komt op afkoop.

Het gevolg van de hierboven vermelde wijze van in rekening brengen van eerste kosten bij premiebetalende verzekeringen was, dat in het begin van de looptijd relatief veel kosten werden betaald, dus participaties werden opgenomen, zodat er een relatief klein deel van de participaties (aangekocht met de betaalde bruto premie) overbleef voor de opbouw van vermogen. Tussentijdse beëindiging van de polis zou daarom (zeer) nadelig kunnen zijn voor de opbouw van vermogen. De eerste kosten drukken dan immers over de kortere looptijd veel zwaarder, zodat het netto productrendement sterkt afneemt. Dat geldt in ieder geval bij tussentijdse beëindiging binnen de eerste vijf tot tien jaar van de looptijd van de verzekering. Aannemelijk lijkt dat dit effect anders is dan in een situatie waarin de eerste kosten over de gehele duur worden gespreid en dat het, na tussentijdse beëindiging, alsnog in rekening brengen van de nog niet verrekende eerste kosten tot (nog) andere effecten leidt.

De vraag is verder wat het effect is van het in rekening brengen van de eerste kosten gedurende het eerste deel van de looptijd van de verzekering in geval van tussentijdse beëindiging van de polis ná het verstrijken van de termijn waarin NN de eerste kosten in rekening bracht (zie hierna 4.80), maar voor de einddatum.

Tot slot is het de vraag wat de betekenis van deze problematiek is voor koopsompolissen. NN stelt dat bij koopsompolissen de eerste kosten meteen volledig werden geïnd. Het hiervoor bedoelde effect lijkt zich bij koopsompolissen daarom niet voor te doen. Partijen zullen in de gelegenheid worden gesteld zich ook op dit punt uit te laten.

Tot 1 augustus 1999

4.75.

NN heeft toegelicht dat zij tot 1 augustus 1999 de verzekeringnemers via artikel 14 lid 2 VvV en het Prospectus (zie 2.8) en (vanaf oktober 1998) de brochure ‘Over levensverzekeringen met beleggingsrisico’ (zie 2.9) heeft geïnformeerd over de berekeningswijze van de afkoopwaarde en de kostensoorten die bij afkoop in mindering werden gebracht op de participatiewaarde. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit de tekst “(…) Bij voortijdige beëindiging van de verzekering worden de nog niet afbetaalde eerste kosten in mindering gebracht bij de bepaling van de afkoopwaarde (…)” (zie 2.8 en 2.9) weliswaar worden afgeleid dat er bij voortijdige beëindiging van de verzekering kosten in rekening worden gebracht, maar het hiervoor bedoelde effect van de wijze van in rekening brengen van de eerste kosten bij tussentijdse beëindiging of premievrijmaking wordt niet economisch inzichtelijk gemaakt.

Nu het effect van de wijze van in rekening brengen van de eerste kosten in geval van tussentijdse beëindiging of premievrijmaking niet voldoende duidelijk kan worden afgeleid uit de tekst van de VvV en de hiervoor vermelde brochures, hoefde de gemiddelde verzekeringnemer niet bedacht te zijn op dit effect en kon hij zich ook geen voorstelling maken van de omvang hiervan.

Het verweer van NN dat de door de verzekeringnemers ingeschakelde tussenpersonen wel bekend waren met de wijze van in rekening brengen van de kosten en met het effect daarvan op het tussentijds afkopen of premievrij maken, en dat deze kennis aan de verzekeringnemer moet worden toegerekend, treft geen doel, nog daargelaten dat zij niet feitelijk heeft onderbouwd dat de gemiddelde tussenpersoon deze kennis bezat. Het gaat er immers, nog steeds, om of wilsovereenstemming is bereikt tussen NN en de individuele verzekeringnemers (zie 4.24). In deze bijzondere context, met voor verzekeraars uitgebreide verplichtingen, deels met een Europeesrechtelijke consumentenbeschermingsachtergrond, gelden daarvoor niet zonder meer de algemene regels uit het verzekeringsrecht als het gaat om toerekening van de kennis van de tussenpersoon. De veronderstelling dat de tussenpersoon zijn werk naar behoren heeft gedaan strekt voorts niet zover dat alle kennis van de tussenpersoon geacht moet worden met elke aspirant-verzekeringnemer te zijn gedeeld.

4.76.

Uit het voorgaande volgt dat NN tot 1 augustus 1999 onvoldoende specifieke informatie heeft verstrekt over het effect van de wijze van in rekening brengen van de eerste kosten op het tussentijds afkopen of premievrij maken, zodat op dat punt geen wilsovereenstemming is bereikt tussen NN en de verzekeringnemers. De omstandigheid dat NN, als het gaat om de beleggingsverzekering en de eerste kosten als zodanig, niet in strijd met haar verplichtingen zoals die uit de publiekrechtelijke regelgeving volgen, heeft gehandeld, maakt dat niet anders. De verzekeringnemers beschikten niet over de betreffende informatie, zodat daarover ook geen wilsovereenstemming bereikt kon worden.

Vanwege het ontbreken van wilsovereenstemming over het effect van de wijze van in rekening brengen van de eerste kosten op het tussentijds afkopen of premievrij maken, is naar het oordeel van de rechtbank sprake is van een leemte in de verzekeringsovereenkomsten die zijn afgesloten tot 1 augustus 1999. Die leemte dient in beginsel te worden ingevuld aan de hand van het bepaalde in artikel 6:248 lid 1 BW (zie hierna 4.78).

Na 1 augustus 1999

4.77.

Het voorgaande geldt niet voor de periode na 1 augustus 1999. Vaststaat dat NN vanaf 1 augustus 1999 afkoop- en premievrije waardetabellen in de offertes is gaan opnemen. De rechtbank is van oordeel dat NN met deze tabellen de verzekeringsnemers voldoende duidelijk heeft geïnformeerd over het effect van de wijze van in rekening brengen van de eerste kosten op het tussentijds afkopen of premievrij maken. De gemiddelde verzekeringnemer die deze tabellen aandachtig en met de nodige oplettendheid heeft bestudeerd, kon uit deze tabellen hebben afgeleid dat vroegtijdige beëindiging van de polis tot een beperktere waardeopbouw zou leiden. Indien dit desondanks voor de verzekeringnemer tot onduidelijkheden leidde, mocht van hem verwacht worden dat hij daarover vragen stelde (vgl. HR 28 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:1046). Uit het voorgaande volgt dat voor de beleggingsverzekeringen die zijn afgesloten vanaf 1 augustus 1999 de verzekeringnemer heeft ingestemd met het effect van de wijze van in rekening brengen van de eerste kosten op tussentijdse beëindiging. Er bestond dus wilsovereenstemming over dit aspect, zodat van een leemte in de overeenkomsten geen sprake is.

Invulling leemte

4.78.

Zoals hiervoor reeds is overwogen is er sprake van een leemte in de tot 1 augustus 1999 afgesloten verzekeringsovereenkomsten doordat de verzekeringnemers niet bedacht hoefden te zijn op het effect van de wijze van in rekening brengen van de eerste kosten op het tussentijds afkopen of premievrij maken van hun verzekeringen. Die leemte zal moeten worden ingevuld. Het is de vraag wat de verzekeringnemer op dit punt redelijkerwijs had mogen verwachten.

4.79.

NN heeft aangevoerd dat er (grofweg) twee systemen bestaan voor het innen van de eerste kosten. Het systeem 1) waarbij de eerste kosten worden verdeeld over de gehele looptijd van de verzekering of het systeem 2) (zoals door NN toegepast) waarbij deze kosten worden verdeeld over een kortere periode (ook aangeduid met de term ‘verlaagde allocatie’). Volgens NN hebben beide systemen voor- en nadelen. Zij verwijst ter onderbouwing van dat standpunt naar een rapport van Moneyview (productie 61 NN), waarin is vermeld dat het van een groot aantal factoren afhankelijk is welke van de twee methodieken op de eindstreep het meest oplevert, zoals de duur van de looptijd en de koersontwikkeling van de fondsen waarin belegd wordt. NN stelt dat, gegeven de daadwerkelijke koersontwikkeling in de afgelopen 20-30 jaar, het door haar gehanteerde systeem voor de meeste verzekeringnemers voordelig is geweest. In het geval van tussentijdse beëindiging werden de nog niet geïnde eerste kosten in één keer in rekening gebracht. Bij het door NN gehanteerde systeem van kosten in rekening brengen was er meer evenwicht in de kostenlast over de looptijd van de verzekering.

De Stichting heeft over de wijze van in rekening brengen van de eerste kosten en het effect daarvan bij het tussentijds afkopen geen concreet standpunt ingenomen.

4.80.

Alvorens verder te beslissen, zal de rechtbank partijen in de gelegenheid stellen nader cijfermatig inzicht te verschaffen over beide onder 4.79 vermelde wijzen van het in rekening brengen van de eerste kosten en het effect daarvan op het tussentijds afkopen en premievrij maken. Daarbij dienen zij ook in te gaan op de vraag wat het effect is van het in rekening brengen van de eerste kosten gedurende het eerste deel van de looptijd van de verzekering in geval van tussentijdse beëindiging van de polis ná het verstrijken van de termijn waarin NN de eerste kosten in rekening bracht (zie 4.74).

Partijen zullen zich verder nog mogen uitlaten over de betekenis van de onder 4.74 weergegeven problematiek voor koopsompolissen.

Voorts zullen partijen, naar aanleiding van de door NN te verschaffen informatie over de polissen die tot stand gekomen zijn voor de inwerkingtreding van de RIAV 1994 (zie 4.73) een standpunt kunnen innemen over de kosten die wel, naar de definitie in 2.5, als eerste kosten in rekening zijn gebracht, maar niet voorkwamen in het Prospectus, in concreto de kosten van marketing en reclame en/of de assurantietussenpersoon.

4.81.

Zoals hiervoor reeds is overwogen zullen de vorderingen met betrekking tot de individuele verzekeringnemers worden behandeld zodra de collectieve vorderingen zijn beoordeeld (zie 4.3). Om proceseconomische redenen dienen partijen echter bij het te verschaffen cijfermatig inzicht voor de situatie van het premievrij maken (zie 4.80) in elk geval mede de verzekering van [naam 4] , bij wijze van voorbeeld, tot uitgangspunt te nemen; de betreffende polisgegevens zijn immers reeds in het geding en onderwerp geweest van partijdebat. Vaststaat reeds dat [naam 4] medio 1996 een beleggingsverzekering heeft afgesloten, derhalve vóór 1 augustus 1999, toen NN nog geen afkoop- en premievrije waardetabellen verstrekte. Vaststaat verder dat NN medio 2011 de beleggingsverzekering van [naam 4] op zijn verzoek premievrij heeft gemaakt. Zoals NN aan [naam 4] bij brief van 5 juli 2011 heeft bericht, waren de eerste kosten op dat moment al volledig verrekend.

De zaak zal dus naar de rol worden verwezen voor uitlatingen van partijen.

4.82.

Op de individuele vorderingen en op de positie van de BV zal de rechtbank voor het overige thans nog niet ingaan, omdat eerst voormelde inlichtingen noodzakelijk zijn.

Prejudiciële vragen

4.83.

De Stichting heeft aangevoerd dat in deze procedure rechtsvragen voorliggen, die aan de Hoge Raad moeten worden voorgelegd, voordat de rechtbank over het geschil tussen partijen zal kunnen beslissen. NN verzet zich tegen het stellen van prejudiciële vragen in dit stadium.

4.84.

De rechtbank acht op dit moment het stellen van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad (dan wel het HvJEU) niet noodzakelijk voor de thans in deze procedure te nemen beslissingen. Inmiddels heeft het gerechtshof Den Haag (ECLI:NL:GHDHA:2020:543; zie 4.2) in de zaak van de Vereniging Woekerpolis tegen NN echter aangekondigd dat het prejudiciële vragen overweegt. Denkbaar is dat het, om proceseconomische redenen, efficiënt is om, gegeven dat voornemen en gelet op het partijdebat in deze zaak, dat niet gelijk is aan het debat in die zaak, (toch) ook in deze zaak prejudiciële vragen te stellen. De Hoge Raad kan zich dan tegelijk buigen over meerdere aspecten van de problematiek en deze meewegen bij de beantwoording van de hem voorgelegde vragen en, eventueel, bij de vraag of het voorleggen van vragen aan het HvJEU noodzakelijk is vanwege de Unierechtelijke component. Daartegen pleit dat daarvan ongewenste vertraging zal uitgaan.

De rechtbank zal partijen in de gelegenheid stellen zich nader uit te laten over de wenselijkheid van het stellen van vragen en in voorkomend geval, over de inhoud daarvan.

4.85.

De zaak zal naar de rol worden verwezen voor uitlatingen van partijen over de onder 4.52, 4.73, 4.74, 4.80, 4.81 en 4.84 bedoelde onderwerpen. De Stichting en NN dienen eerst elk een akte te nemen, waarna zij (kruislings) kunnen reageren op de akte van de ander. De rechtbank zal daartoe een ruime termijn bepalen. Partijen kunnen uiteraard in onderling overleg kortere termijnen aanhouden.

4.86.

De rechtbank zal geen tussentijds hoger beroep tegen dit vonnis openstellen, nu er geen bijzondere omstandigheden zijn gebleken die het toestaan van tussentijds hoger beroep rechtvaardigen. De omstandigheid dat er thans een zaak bij het gerechtshof Den Haag aanhangig is over (deels) dezelfde problematiek als in de onderhavige zaak, vormt geen bijzondere omstandigheid die afwijking van de hoofdregel van artikel 337 Rv rechtvaardigt.

4.87.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 15 juli 2020 voor het nemen van een conclusie door beide partijen over hetgeen vermeld is onder 4.52, 4.73, 4.74, 4.80, 4.81 en 4.84, waarna beide partijen op de rol van twaalf weken daarna (kruislings) een antwoordconclusie kunnen nemen,

5.2.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten, mr. J.C.A.T. Frima en mr. P. Volker en ondertekend en in het openbaar uitgesproken door mr. C. Sikkel, waarnemend rolrechter, nu de voorzitter en de rolrechter daartoe buiten staat zijn op 22 april 2020.

[2083/106/1659/2221]