Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:3734

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
04-03-2020
Datum publicatie
23-04-2020
Zaaknummer
8243482 VZ VERZ 19-21966
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Ontslag op staande voet is terecht. Werkweigering. Werknemer is vergoeding in de zin van artikel 7:677 lid 3 sub a BW aan werkgever verschuldigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2020-0474
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8243482 VZ VERZ 19-21966

uitspraak: 4 maart 2020

beschikking van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

[verzoeker] ,

handelend onder de naam [handelsnaam],

wonende te [woonplaats verzoeker] , zaakdoende te [plaats] ,

verzoeker,

gemachtigde: mr. M.E.J. Elemans, werkzaam bij SRM Rechtsbijstand te Nijmegen,

tegen

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats verweerder] ,

verweerder,

die niet is verschenen.

Partijen worden hierna aangeduid als “ [verzoeker] ” en “ [verweerder] ”.

1. Het verloop van de procedure

1.1

[verzoeker] heeft overeenkomstig het verzoekschrift ex artikel 7:677 lid 2 en lid 3 sub a BW, met producties, ontvangen op 31 december 2019, verzocht [verweerder] te veroordelen tot betaling aan [verzoeker] van een bedrag van € 1.508,00 aan schadevergoeding, dan wel een door de kantonrechter te bepalen vergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het tijdstip van opeisbaarheid tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van [verweerder] in de proceskosten.

1.2

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 19 februari 2020, alwaar [verzoeker] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde voornoemd. [verweerder] is niet in de procedure verschenen. Van hetgeen ter mondelinge behandeling is verhandeld heeft de griffier aantekening gehouden. Voorafgaand aan de mondelinge behandeling is aan de zijde van [verzoeker] een (fax)brief van 18 februari 2020, met producties, overgelegd.

1.3

De kantonrechter heeft de uitspraak van deze beschikking bepaald op heden.

2. De beoordeling van het verzoek

2.1

[verweerder] is niet ter zitting verschenen. (De gemachtigde van) [verzoeker] heeft meegedeeld niets meer te hebben vernomen van [verweerder] . Bij voormelde (fax)brief van 18 februari 2020 heeft de gemachtigde van [verzoeker] een afschrift van het exploot van het op 14 februari 2020 betekende verzoekschrift overgelegd. Gebleken is dat de betekening heeft plaatsgevonden door middel van het achterlaten van een gesloten envelop in de brievenbus van het adres waarop [verweerder] thans staat ingeschreven. Dit is een rechtsgeldige betekening. Dit betekent dat [verweerder] op de hoogte moet worden geacht van het onderhavige verzoek en de zittingsdatum. [verweerder] heeft geen bericht van verhindering toegestuurd. Indien [verweerder] meer tijd nodig had gehad om verweer te voeren tegen het verzoek en om daarvoor eventueel een gemachtigde in te schakelen, had het op zijn weg gelegen om de kantonrechter om uitstel te verzoeken. Nu [verweerder] dat niet heeft gedaan, wordt ervan uitgegaan dat hij geen verweer wenst te voeren.

2.2

Bij gebreke van verweer daartegen, moet in rechte worden uitgegaan van de juistheid van de stellingen van [verzoeker] . Dit betekent dat er in rechte vanuit wordt gegaan dat [verweerder] op goede gronden op 31 oktober 2019 op staande voet is ontslagen, nadat hij ondanks een waarschuwing op 30 oktober 2019 in verband met werkweigering op 31 oktober 2019 zonder kennisgeving niet is verschenen bij de opdrachtgever van [verzoeker] .

Dit leidt tot de conclusie dat [verweerder] door opzet of schuld aan [verzoeker] een dringende reden heeft gegeven om de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen, zoals bedoeld in artikel 7:677 lid 2 BW. Daardoor is [verweerder] de in lid 3 sub a van dat artikel genoemde (gefixeerde) schadevergoeding verschuldigd, gelijk aan het bedrag van het in geld vastgestelde loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren. De gevorderde vergoeding van € 1.508,00 is als brutobedrag in ieder geval toewijsbaar en wordt dan ook toegewezen.

2.3

De wettelijke rente over voormelde vergoeding is op grond van artikel 7:686a lid 1 BW toewijsbaar vanaf de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd.

2.4

[verweerder] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

3. De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker] te betalen een bedrag van € 1.508,00 bruto aan vergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf 31 oktober 2019, zijnde de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker] te voldoen de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [verzoeker] vastgesteld op € 231,00 aan griffierecht en € 480,00 aan salaris van de gemachtigde;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. K.J. Bezuijen en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

764