Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:3685

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
10-04-2020
Datum publicatie
28-04-2020
Zaaknummer
KTN-8119153_21042020
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering onbetaalde premies. Verweer moeder heeft de premies betaald en niet op de hoogte gesteld van de premieverhoging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8119153 CV EXPL 19-45528

uitspraak: 10 april 2020

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van:

de naamloze vennootschap

N.V. Univé Zorg, betreffende Zekur,

gevestigd te Arnhem,

eiseres,

gemachtigde: Inkassier Gerechtsdeurwaarders & Incasso,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats gedaagde] ,

gedaagde,

die procedeert in persoon.

Partijen worden hierna aangeduid als ‘Univé’ en ‘ [gedaagde] ’.

1. Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  1. de dagvaarding van 18 september 2019, met producties;

  2. de aantekeningen van de griffier van het mondelinge antwoord van [gedaagde] , met producties;

  3. de conclusie van repliek, met producties;

  4. de aantekeningen van de griffier van de mondelinge reactie van [gedaagde] , met producties;

  5. de rolbeslissing van de kantonrechter van 21 februari 2020;

  6. de akte van Univé.

Het vonnis is bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

2.1

Als enerzijds gesteld en anderzijds niet weersproken, staat het volgende tussen partijen vast.

2.2

[gedaagde] heeft bij Univé een ziektekostenverzekering afgesloten. Uit hoofde daarvan is [gedaagde] gehouden om maandelijks bij vooruitbetaling de premie te voldoen. Daarnaast dient [gedaagde] de niet verzekerde kosten, eigen risico en eigen bijdrage, die als gevolg van rechtstreekse betaling door Univé aan een zorgverlener zijn voorgeschoten, aan Univé terug te betalen.

2.3

Op 13 maart 2019 is tussen de gemachtigde van Univé, Inkassier, en [gedaagde] een betalingsregeling overeengekomen van € 20,- per maand. In de bevestigingsbrief staat, voor zover hier van belang, het volgende:

“Let wel: Op het moment dat u bij mijn cliënte nalaat de eventuele lopende maandpremies of aan u in rekening gebrachte declaraties te voldoen, zal mijn cliënte mij opdracht geven deze vervallen maandpremies en/of declaraties in de vordering mee te nemen. U zult hierover geen separaat schriftelijk bericht ontvangen. Tevens behoudt cliënte zich het recht voor in dat geval de afbetalingsregeling te laten vervallen en zal ik, eventueel zonder nadere kennisgeving, overgaan tot het nemen van verdere maatregelen.”

3. Het geschil

3.1

Univé vordert dat [gedaagde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld tot betaling aan Univé van een bedrag van € 365,27, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 16 december 2019 tot aan de dag van algehele voldoening, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten alsmede de nakosten.

3.2

Univé legt nakoming van de betalingsverplichting die voortvloeit uit de met [gedaagde] gesloten zorgverzekeringsovereenkomst aan haar vordering ten grondslag. Univé heeft uit hoofde van de verzekering verschuldigde bedragen bij [gedaagde] in rekening gebracht. Van deze bedragen heeft [gedaagde] € 689,50 onbetaald gelaten. De betalingsachterstand heeft betrekking op de premies over de maanden januari 2019 tot en met maart 2019 en mei 2019 tot en met augustus 2019. Ondanks dat [gedaagde] schriftelijk is aangemaand, is geen (volledige) betaling ontvangen. Univé was hierdoor genoodzaakt haar vordering uit handen te geven. Univé heeft het volgende te vorderen:

Hoofdsom € 689,50
Wettelijke rente tot 16 september 2019 € 4,27
Buitengerechtelijke kosten € 48,40
------------
Subtotaal € 742,17
Voldaan € 376,90 -/-
-----------
Totaal € 365,27

3.3

[gedaagde] heeft tot afwijzing van de vordering geconcludeerd en voert daartoe het volgende aan. [gedaagde] ontkent dat hij iets verschuldigd is aan Univé aangezien zijn moeder maandelijks de zorgpremie van € 93,85 betaalt aan Univé. Voor zover er sprake is van een premieverhoging is hij daarvan niet op de hoogte gesteld. [gedaagde] erkent dat er wel sprake is geweest van een betalingsachterstand, maar daarvoor heeft hij een betalingsregeling getroffen. Verder voert [gedaagde] aan dat Univé haar vordering onvoldoende heeft gespecificeerd. Het is voor hem onduidelijk waarom hij wordt gedagvaard. Bovendien heeft [gedaagde] geen aanmaningsbrief van Univé ontvangen.

4. De beoordeling

4.1

Als onweersproken staat vast dat [gedaagde] een zorgverzekering heeft gesloten bij Univé. Op grond van de tussen partijen overeengekomen overeenkomst is [gedaagde] gehouden de maandelijkse premies aan Univé te voldoen.

4.2

[gedaagde] stelt dat hij nooit aanmaningen heeft ontvangen. Dit klopt echter niet. Door Univé is aangevoerd dat [gedaagde] bij het aangaan van de verzekering heeft gekozen voor digitale communicatie, waardoor alle berichtgeving van Univé, waaronder aanmaningsbrieven, beschikbaar is gesteld op ‘Mijn ZekurZorg’. Daarbij kreeg [gedaagde] per e-mail steeds een notificatie wanneer er een nieuwe brief beschikbaar was in ‘Mijn ZekurZorg’. Dit alles is door [gedaagde] niet weersproken zodat van de juistheid hiervan zal worden uitgegaan.

4.3

[gedaagde] stelt zich vervolgens op het standpunt dat hij niet op de hoogte is gesteld van een premieverhoging door Univé. Daargelaten dat [gedaagde] daaraan geen duidelijke consequentie verbindt, anders dan dat de vordering niet zou kloppen, zal aan dit verweer voorbij worden gegaan. In dit verband kan namelijk worden opgemerkt dat het niet ontvangen van polisbladen niet af doet aan de verantwoordelijkheid van [gedaagde] om tijdig en volledig zijn zorgpremie te betalen. Bovendien kan de hoogte van de maandpremie ook worden afgeleid uit het verzekeringspakket van [gedaagde] en de facturen, die allebei beschikbaar zijn gesteld op ‘Mijn ZekurZorg’.

4.4

De kantonrechter begrijpt uit het verweer van [gedaagde] dat hij stelt dat hij niets verschuldigd is aan Univé omdat zijn moeder alle facturen al heeft betaald. Ter onderbouwing daarvan legt hij een aantal betalingen over die aan Univé zijn voldaan. Univé heeft in reactie hierop een financieel overzicht overgelegd en uiteengezet aan welke maanden de betalingen van [gedaagde] zijn toegerekend. Uit dat overzicht kan worden afgeleid dat alle door [gedaagde] overgelegde betalingsbewijzen door Univé zijn verwerkt. Verder kan uit de stukken worden afgeleid dat [gedaagde] de premie over de maand augustus 2019 onbetaald heeft gelaten. [gedaagde] betaalt de premie telkens aan het eind van elke maand, maar eind juli 2019 heeft er geen betaling plaatsgevonden. In de bevestigingsbrief van 13 maart 2019 is [gedaagde] ervoor gewaarschuwd dat indien de lopende maandpremies niet (of niet volledig) voldaan worden de betalingsregeling zou komen te vervallen en het totale bedrag direct betaald zou moeten worden. Univé heeft zich dus terecht op het standpunt gesteld dat zij niet meer gehouden was aan de afbetalingsregeling en heeft [gedaagde] terecht gedagvaard. Uit de stukken blijkt verder dat de hoogte van het bedrag dat Univé vordert klopt.

4.5

Aangezien [gedaagde] het openstaande bedrag aan maandpremies niet tijdig heeft voldaan, is hij in verzuim geraakt en daardoor rente verschuldigd. De gevorderde en niet op afzonderlijke gronden betwiste wettelijke rente van € 4,27 berekend tot 16 september 2019 zal dan ook worden toegewezen.

4.6

Univé maakt aanspraak op een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De vordering dient beoordeeld te worden aan de hand van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De gevorderde vergoeding komt echter niet voor toewijzing in aanmerking, omdat Univé heeft nagelaten een afschrift van de kosteloze aanmaning als bedoeld in artikel 6:96, zesde lid BW bij de dagvaarding over te leggen. Univé zou deze als productie 2 bij de dagvaarding hebben overgelegd, maar de kanontrechter heeft geen productie 2 bij de dagvaarding aangetroffen.

4.7

[gedaagde] heeft een bedrag van in totaal € 376,90 aan Univé en Inkassier betaald. Ingevolge artikel 6:44 lid 1 BW strekt een betaling in de eerste plaats in mindering van de kosten, vervolgens in mindering van de verschenen rente en ten slotte in mindering van de hoofdsom en de lopende rente. Dat betekent in het onderhavige geval dat met de door [gedaagde] verrichte betaling van € 376,90 de verschenen rente van € 4,27 en € 327,63 van de hoofdsom zijn voldaan, zodat aan toe te wijzen hoofdsom een bedrag van € 361,87 resteert.

4.8

De wettelijke rente zal worden toegewezen over een bedrag van € 361,87, aangezien er voor toewijzing over een hoger bedrag geen deugdelijke grondslag is gesteld.

4.9

[gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

4.10

De gevorderde nakosten zullen worden toegewezen overeenkomstig de richtlijnen van het LOVCK&T en worden begroot op een half salarispunt.

5. De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] aan Univé te betalen een bedrag van € 361,87, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf 16 september 2019 tot aan de dag van algehele voldoening;

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Univé vastgesteld op € 121,- aan griffierecht, € 103,01 aan dagvaardingskosten en € 180,- aan salaris voor de gemachtigde;

en indien [gedaagde] niet binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis vrijwillig aan het vonnis heeft voldaan, begroot op € 36,- aan salaris. Indien daarna betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, dient het bedrag aan nasalaris nog te worden verhoogd met de kosten van betekening;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Fiege en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

35789