Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:3619

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
21-02-2020
Datum publicatie
08-06-2020
Zaaknummer
ROT - 17_5139 ROT - 17_5140 ROT - 17_5142
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CBB:2022:169, Overig
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft aan eiseres drie bestuurlijke boetes opgelegd van elk € 1.500,- wegens vangletsel. Eiseres betwist dat sprake is van vangletsel en stelt dat niet is uitgesloten dat het letsel tijdens het transport is ontstaan. De rechtbank is van oordeel dat verweerder er niet in is geslaagd het bewijs te leveren dat eiseres de overtreding heeft begaan, omdat niet in voldoende mate is komen vast te staan dat het letsel zodanig oud is dat het bij het vangen moet zijn ontstaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummers: ROT 17/5139, ROT 17/5140 en ROT 17/5142

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 februari 2020 in de zaak tussen

[eiseres] , te [vestigingsplaats eiseres] , eiseres,

gemachtigde: mr. F.Th.M. Peters,

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, (daaronder begrepen diens rechtsvoorgangers), verweerder,

gemachtigde: mr. M.M. de Vries.

Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 20 januari 2017 en 17 maart 2017 (de primaire besluiten) heeft verweerder aan eiseres een boete opgelegd van telkens € 1.500,- omdat zij volgens verweerder bij of krachtens de Wet dieren gestelde voorschriften heeft overtreden.

Bij besluiten van 13 juli 2017 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.

Verweerder heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 januari 2020. Namens eiseres is verschenen [naam persoon 1] , bijgestaan door de gemachtigde van eiseres en [naam persoon 2] (pluimveedeskundige). Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Namens verweerder is tevens verschenen [naam persoon 3] , senior toezichthouder van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA).

Overwegingen

1. In het rapport van bevindingen van 3 september 2016 (ROT 17/5139) heeft toezichthouder [nummer toezichthouder 1] van de NVWA gerapporteerd dat hij bij de PM-keuring op
3 september 2016 veel dieren met letsel zag, waarna hij een vangletselcontrole heeft uitgevoerd. Bij de eerste vangletselcontrole heeft de toezichthouder 7 karkassen gezien met een open luxatie van het ellebooggewricht in combinatie met een bloeding rondom het geluxeerde ellebooggewricht over een lengte van minimaal 3 centimeter. Uit deze controle is 2,8% vangletsel naar voren gekomen. Volgens de toezichthouder zijn bloedingen van deze aard in de laatste zes uur voorafgaand aan het doden van de dieren ontstaan door het ruw vangen van de dieren op stal. Bij de tweede vangletselcontrole heeft de toezichthouder 9 karkassen gezien met een open luxatie van het ellebooggewricht in combinatie met een bloeding rondom het geluxeerde ellebooggewricht over een lengte van minimaal 3 centimeter. Uit deze controle is 3,6% vangletsel naar voren gekomen. Volgens de toezichthouder zijn bloedingen van deze aard in de laatste zes uur voorafgaand aan het doden van de dieren ontstaan door het ruw vangen van de dieren op stal. Uit beide tellingen is een gemiddelde score van 3,2% vangletsel naar voren gekomen, bestaande uit ernstige tot zeer ernstige bloedingen, waarvan sommige met luxaties aan de vleugels.

1.1.

In het rapport van bevindingen van 27 juli 2016 (ROT 17/5140) heeft toezichthouder [nummer toezichthouder 2] van de NVWA gerapporteerd dat hij op 25 juli 2016 bij de PM-screening van 625 karkassen 13 kuikens heeft gezien met donkerrode tot paarse bloedingen groter dan 3 vierkante centimeter op voornamelijk de vleugels, maar ook op poten, rug en borst. Volgens de toezichthouder zijn bloedingen van deze aard in de laatste twaalf uur voorafgaand aan het doden van de dieren ontstaan door het ruw vangen van de dieren op stal door een vangmachine. Bij twee tellingscontroles naar vangletsel heeft de toezichthouder 9 en 11 dieren met letsel geteld. Uit deze telling kwam een gemiddelde score van 4,0% letsel naar voren, bestaande uit fracturen, bloedingen en kneuzingen van voornamelijk de vleugels, en bloedingen en kneuzingen van de poten, rug en borst. Volgens de toezichthouder heeft het letsel ertoe geleid dat de dieren vanaf het ontstaan van het letsel en vervolgens tijdens het vervoer tot aan de slacht pijn en stress hebben ervaren.

1.2.

In het rapport van bevindingen van 26 september 2016 (ROT 17/5142) heeft toezichthouder [nummer toezichthouder 3] van de NVWA gerapporteerd dat hij op 9 september 2016 bij een AM-screening van twee transportwagens in de containers 7 kuikens met spreadlegs heeft gezien, alsmede 2 rugliggers en 4 kuikens met bebloede vleugels waarvan er 1 dier er slecht aan toe was. Bij de PM-screening van 625 karkassen heeft de toezichthouder 43 karkassen gezien met forse donkerrode tot paarse bloedingen groter dan 3 vierkante centimeter van voornamelijk vleugels en rug. Volgens de toezichthouder zijn bloedingen van deze aard in de laatste twaalf uur voorafgaand aan het doden van dieren ontstaan door het ruw vangen van de dieren op stal door een vangmachine. Bij twee tellingscontroles heeft de toezichthouder 40 en 25 dieren met letsel geteld. Uit deze tellingen is een gemiddelde score van 13% letsel naar voren gekomen, bestaande uit ernstige tot zeer ernstige bloedingen van de rug en bloedingen en fracturen van de vleugels. Volgens de toezichthouder heeft het letsel ertoe geleid dat de dieren vanaf het ontstaan van het letsel en vervolgens tijdens het vervoer tot aan de slacht pijn en stress hebben ervaren en is daarom sprake van zeer ernstig dierenletsel.

2. Op basis van de bevindingen uit de hiervoor genoemde rapporten van bevindingen heeft verweerder in de primaire besluiten het volgende beboetbare feit bewezen geacht: De houder op de plaats van vertrek zorgde er niet voor dat de voorschriften over de behandeling van dieren nageleefd werden. Door het vangen is onnodig pijn en letsel veroorzaakt bij de dieren. Volgens verweerder is dit een overtreding van artikel 2.5 en artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, in samenhang gelezen met artikel 4.8 van de Regeling houders van dieren, alsmede artikel 3, aanhef en onder e, en artikel 8, eerste lid, en Bijlage I, Hoofdstuk III, paragraaf 1.8, onder d, van Verordening 1/2005 (Transportverordening). Verweerder heeft eiseres hiervoor drie keer een boete opgelegd van € 1.500,-.

2.1.

In de bestreden besluiten heeft verweerder deze beslissingen gehandhaafd.

3. Eiseres heeft aangevoerd dat zij geen overtredingen heeft begaan. Op basis van de rapporten van bevindingen kan volgens eiseres niet worden vastgesteld dat het letsel door of bij het vangen is ontstaan. Eiseres heeft geen mogelijkheid gehad om de bevindingen uit de boeterapporten te weerleggen met een contra-expertise, omdat zij pas maanden na de constateringen met de boetebesluiten is geconfronteerd en zij vóór het opleggen van de boetes niet is gehoord. Daardoor kon er geen discussie worden gevoerd over het percentage letsel. De norm van 2% vangletsel, die verweerder hanteert, kan volgens eiseres leiden tot willekeur en rechtsonzekerheid, omdat deze norm niet wettelijk is vastgelegd. Om geen schade aan de dieren toe te brengen, maakt eiseres gebruik van een gecertificeerde vangploeg. De kippen gaan daarom zonder schade op transport. Daarnaast heeft eiseres gesteld dat zij niet verantwoordelijk is, omdat haar verantwoordelijkheid is overgegaan op het slachthuis op het moment dat de kippen het bedrijf van eiseres verlaten. Het is niet uitgesloten dat het letsel tijdens het transport is ontstaan, aldus eiseres.

4. De rechtbank oordeelt als volgt.

4.1.

Verweerder heeft aan eiseres drie boetes van elk € 1.500,- opgelegd, omdat de dieren blijkens de rapporten van bevindingen letsel hebben opgelopen dat door of bij het vangen is ontstaan. De toezichthouders hebben het letsel vastgesteld door middel van een telling aan de slachtlijn van het aantal kuikens met bepaalde bloedingen. De wijze waarop een vangletseltelling wordt uitgevoerd is beschreven en uitgewerkt in bijlage 2, Toelichting vangletseltelling, van het destijds van toepassing zijnde werkvoorschrift met code
WLZVL – 030 (thans bijlage 7 van het werkvoorschrift met code K-PL-WLZ-WV01). Uit deze bijlage volgt dat een vangletseltelling wordt uitgevoerd in het kader van een periodieke basisinspectie of in het geval er aanwijzingen zijn voor een verhoogd percentage vangletsel tijdens het regulier toezicht. Bij een vangletseltelling telt een toezichthouder twee keer twee minuten aan de slachtlijn het aantal karkassen met bloedingen. Aan de hand van de grootte en de kleur van de bloeding kan de toezichthouder de ouderdom van het letsel bepalen en vaststellen wanneer het letsel is ontstaan. De toezichthouder telt enkel de bloedingen van drie centimeter of groter, omdat het verplaatsen en het kantelen in het slachthuis de kuikens klein letsel kan toebrengen. Omdat bij een gemiddelde bandsnelheid in twee minuten een hele container kan worden geteld, moet een vangletseltelling minimaal twee minuten duren. Verder staat in bijlage 2 van het werkvoorschrift dat de toezichthouder aan de hand van de bandsnelheid en het aantal karkassen met vangletsel dat hij heeft geteld, het vangletselpercentage berekent. De norm voor vangletsel is 0%, maar bij het handhaven op vangletsel wordt een grenswaarde van 2% gehanteerd.

4.2.

Verweerder heeft erkend dat elk letsel een overtreding oplevert, ook indien sprake is van een gering aantal dieren met letsel, maar voorts toegelicht dat de NVWA in de uitvoeringspraktijk een grenswaarde van 2% als handhavingsnorm hanteert, waarmee wordt ondervangen dat er incidenteel klein letsel aan dieren wordt toegebracht. Indien het percentage letsel op of onder de 2% uitkomt, zal de NVWA niet handhavend optreden met een waarschuwing of boete.

4.2.1.

Uit de uitspraak van deze rechtbank van 5 maart 2019 (ECLI:NL:RBROT:2019:

1673) volgt dat de NVWA de grenswaarde van 2% als handhavingsnorm mag aanhouden (rechtsoverweging 6.3.). Deze uitspraak is door het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) bevestigd bij uitspraak van 17 december 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:

688). De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft recentelijk bij uitspraak van
22 januari 2020 (ECLI:NL:RBROT:2020:392) deze handhavingsnorm van 2% ontoelaatbaar geacht (rechtsoverweging 3.3.). Uit de hiervoor genoemde uitspraak van het CBb van
17 december 2019 volgt echter dat deze handhavingsnorm niet onredelijk is.

4.2.1.

In de rapporten van bevindingen staat dat de toezichthouders conform het destijds van toepassing zijnde werkvoorschrift telkens twee tellingen van twee minuten hebben verricht, waarbij een gemiddelde score van 3,2% (ROT 17/5139), 4% (ROT 17/5140) en 13% (ROT 17/5142) letsel is berekend. Deze percentages overschrijden de grenswaarde van 2%.

4.3.

Eiseres heeft gesteld dat verweerder niet heeft aangetoond dat zij de overtredingen heeft begaan, aangezien het niet is uitgesloten dat het letsel tijdens het transport is ontstaan. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het letsel niet tijdens het vervoer, bij aankomst op het slachthuis of het slachtproces is ontstaan. Gelet op de aard van het letsel, de omvang en de kleur van de bloedingen alsmede het feit dat het letsel is verspreid over het gehele koppel, is het letsel ontstaan door het vangen, aldus verweerder. Aan de hand van de grootte en kleur van de bloedingen kan volgens verweerder een inschatting worden gemaakt van de ouderdom van het letsel en daarmee worden vastgesteld of sprake is van vangletsel.

4.3.1.

Over de grootte van het letsel is in paragraaf 2.3 van bijlage 2 van het destijds geldende werkvoorschrift vermeld dat het verplaatsen en/of kantelen in het slachthuis dieren mogelijk klein letsel kan toebrengen zodat alleen letsel vanaf 3 centimeter wordt meegeteld als vangletsel. In het rapport van bevindingen van 3 september 2016 heeft de betreffende toezichthouder een bloeding van minimaal 3 centimeter geconstateerd en in de rapporten van bevindingen van 27 juli 2016 en 26 september 2016 hebben de betreffende toezichthouders bloedingen groter dan 3 vierkante centimeter geconstateerd. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat het gaat om 3 centimeter.

4.3.2.

Over de kleur van de bloedingen is in paragraaf 2 van bijlage 2 van het werkvoorschrift een tabel opgenomen van [naam persoon 4] en [naam persoon 5] . Op basis van deze tabel wordt aangenomen dat een bloeding met een rode kleur minder dan twee minuten oud is en dat een donkerrode tot paarse bloeding tussen twee minuten en twaalf uur oud moet zijn. In het rapport van bevindingen van 3 september 2016 is niets over de kleur van de geconstateerde bloeding rondom het geluxeerde ellebooggewricht vermeld. Op het Registratieformulier Letseltelling Pluimveeslachthuis is bij voetnoot 1 vermeld: “Bloedingen die meegeteld worden als vangletsel zijn donkerrood van kleur en qua grootte: Grote (diffuse) bloedingen vanaf 3 centimeter op vleugel, poot of lichaam. Let op: je telt maar 1 groot letsel per dier!” In de rapporten van bevindingen van 27 juli 2016 en
26 september 2016 zijn donkerrode tot paarse bloedingen groter dan 3 vierkante centimeter geconstateerd. Op de betreffende formulieren Registratieformulier Letseltelling Pluimveeslachthuis is bij voetnoot 1 eveneens vermeld dat bloedingen die donkerrood van kleur zijn, worden meegeteld als vangletsel.

4.3.3.

Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder er niet in geslaagd het bewijs te leveren dat eiseres de overtreding heeft begaan, omdat niet in voldoende mate is komen vast te staan dat het geconstateerde letsel zodanig oud is dat het bij het vangen moet zijn ontstaan. De rechtbank sluit op dit punt aan bij de hiervoor reeds genoemde uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank. In die uitspraak is geoordeeld dat door het gebruik van een glijdende kleurschaal en een niet-eenduidige kleurvaststelling er te veel onzekerheid is over de ouderdom van de meegetelde bloedingen, zodat niet in voldoende mate kan worden vastgesteld dat sprake is van vangletsel.

4.3.4.

Ook in de onderhavige zaak komt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder niet aan de hand van de kleur van de bloedingen heeft kunnen vaststellen dat het letsel door of bij het vangen is ontstaan en dat het daarom volgens verweerder is uitgesloten dat het letsel tijdens het vervoer of op het slachthuis is ontstaan. Het tijdsverloop tussen de kleur rood en de kleur donkerrood-paars ligt volgens de tabel van [naam persoon 4] en [naam persoon 5] tussen de twee minuten en twaalf uur. Gelet op dit tijdsbestek acht de rechtbank het niet uitgesloten dat het letsel of de schade pas na het vangen is ontstaan. De rechtbank betrekt hierbij dat er in dat tijdsbestek verschillende processtappen en -handelingen plaatsvinden: de dieren worden op transport gezet naar de slachterij en, zoals op de beeldopnames die verweerder ter zitting heeft getoond, is te zien, na aanvoer op de slachterij verdoofd, vervolgens gekanteld en daarna aangehaakt. Uit het onderzoeksrapport “Letsel en schade bij vleeskuikens als gevolg van vangen, transport en handelingen aan de slachtlijn”, van Wageningen University & Research (januari 2019), blijkt uit paragraaf 4.3 Slachtschade dat tijdens het slachtproces bloedingen kunnen ontstaan of toenemen, nu daarin is vermeld: “In de slachtlijn zijn 2% minder vleugelbloedingen waargenomen dan in de wachtruimte. Mogelijke redenen hiervoor zijn dat er kuikens met bloedingen van de lijn zijn gehaald voordat deze zijn beoordeeld of dat in het geval van een open wond bloed is uitgewassen. Bloedingen aan de borst en poten nemen toe in het slachtproces. Middelgrote bloedingen aan poten nemen toe met 1,3% tot gemiddeld 1,4% en grote bloedingen nemen toe met 2,9% tot een gemiddelde van 3,1%. Dislocaties van vleugels nemen toe met 5% tot een gemiddelde van 7,9% en zijn hiermee het meest voorkomende letsel of schade aan de kuikens na slachten. De dislocaties zijn voor het slachten in vrijwel alle gevallen gesloten terwijl na het slachten de dislocatie in 7 van de 8 gevallen gepaard gaat met een open wond. Vleugelbreuken nemen toe tot in totaal 1,1% van de kuikens, hiervan is het overgrote deel ontstaan in het slachtproces. Dislocaties en breuken van poten nemen niet toe in het slachtproces.” Bovendien heeft de tabel van [naam persoon 4] en [naam persoon 5] betrekking op kleurveranderingen van bloedingen bij het levende dier (zie onderschrift bij tabel 1 in bijlage 2 van het betreffende werkvoorschrift), terwijl het vangletsel wordt geteld aan de hand van bloedingen die groter zijn dan 3 centimeter wanneer de dieren reeds zijn gedood.

4.3.5.

Voor zover verweerder naast de grootte en de kleur van de bloedingen ook de constatering dat het letsel over het gehele koppel is verspreid, bepalend acht voor het vaststellen van vangletsel, maakt dat het vorenstaande niet anders.

4.4.

Volgens verweerder volgt uit het hiervoor reeds genoemde onderzoeksrapport dat het vangen en niet het transport de oorzaak is van het letsel en dat het tellen in de slachtlijn een valide methode is om vangletsel vast te stellen. Dit leidt echter niet tot een ander oordeel, nu in het onderzoeksrapport geen aandacht is besteed aan de bepaling van de ouderdom van bloedingen op basis van kleur. Hoewel in het onderzoeksrapport is vermeld dat het aannemelijk lijkt dat de bloedingen aan de vleugels worden veroorzaakt bij het vangen en tijd nodig hebben om te ontwikkelen en dus zichtbaar worden tijdens het transport, is in het onderzoeksrapport geconcludeerd dat de statistische verbanden zijn gebaseerd op een klein aantal koppels en daarom met de nodige voorzichtigheid moeten worden geïnterpreteerd. Verder is in de conclusie van het onderzoeksrapport vermeld dat het daarom is aan te bevelen om verder te onderzoeken of deze kenmerken van invloed zijn op het verwachte vang- en laadletsel van het koppel, en zo ja, hoe uitval als gevolg van transport en letsel in deze koppels teruggebracht kan worden. Dit betekent dat het onderzoeksrapport geen uitsluitsel geeft over de vraag of het letsel zoals beschreven in onderhavige rapporten van bevindingen door of bij het vangen is ontstaan.

5. Gelet op het voorgaande zijn de gestelde overtredingen onvoldoende bewezen, zodat verweerder niet bevoegd was de boetes aan eiseres op te leggen.

6. De beroepen zijn gegrond en de rechtbank vernietigt de bestreden besluiten. Daarnaast zal de rechtbank gelet op artikel 8:72a van de Algemene wet bestuursrecht zelf in de zaak te voorzien en de primaire besluiten te herroepen. Dit betekent dat de aan eiseres opgelegde boetes vervallen. Verweerder mag op basis van de rapporten van bevindingen ook geen nieuwe boetebesluiten meer nemen.

7. Omdat de rechtbank de beroepen gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

8. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.050,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 525,- en wegingsfactor 1, het betreft drie samenhangende zaken). De overige door eiseres op het formulier proceskosten vermelde kosten van € 110,- hebben betrekking op de door haar gemaakte reiskosten voor het bijwonen van de zitting. De reiskosten komen op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking (op grond van openbaar vervoer tweede klasse) tot een bedrag van € 63,08 (twee keer enkele reis ad € 31,54 volgens https://9292.nl).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen gegrond;

  • -

    vernietigt de bestreden besluiten;

  • -

    herroept de primaire besluiten;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde besluiten;

  • -

    bepaalt dat verweerder aan eiseres het betaalde griffierecht van in totaal € 999,- vergoedt;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.113,08.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Vrolijk, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.L. Mehlbaum, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 21 februari 2020.

griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.

Bijlage wettelijk kader

Artikel 2.5 van de Wet dieren:

1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld voor de uitvoering van bindende onderdelen van EU-rechtshandelingen over het vervoer van dieren behorende tot bij die maatregel aangewezen diersoorten of diercategorieën.

2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voor het onderwerp, bedoeld in het eerste lid, regels worden gesteld voor bij deze maatregel aangewezen diersoorten of diercategorieën die betrekking hebben op onder meer:

a. een verbod op het vervoeren van bepaalde dieren;

b. de bij de te vervoeren dieren te verrichten onderzoeken;

c. het bijeenbrengen, aanvoeren en afvoeren van dieren;

d. de bewijsstukken die de dieren tijdens het vervoer vergezellen;

e. de wijze van vervoer;

f. de duur en de afstand van het vervoer, met inbegrip van rustpauzes;

g. het in-, bij-, uit- en overladen van dieren;

h. de beladingsdichtheid van vervoermiddelen;

i. het verzegelen of merken van vervoermiddelen;

j. voorwerpen die ten behoeve van het vervoer van dieren worden gebruikt;

k. de verzorging, voedering en drenking van dieren tijdens het vervoer;

l. de over het vervoer bij te houden gegevens;

m. de reiniging en ontsmetting van vervoermiddelen, en de plaatsen of inrichtingen waar dit plaatsvindt;

n. hygiëne, het voorkomen van de verspreiding van dierziekten, zoönosen en ziekteverschijnselen, en het weren van ziekteverwekkers, en

o. de vakbekwaamheid van degene die de dieren vervoert of die bij het vervoer betrokken is.

Artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren:

Het is verboden in strijd te handelen met bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling aangewezen voorschriften van EU-verordeningen betreffende onderwerpen waarop deze wet van toepassing is.

Artikel 4.8 van de Regeling houders van dieren:

Als voorschriften als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van de wet, worden aangewezen de artikelen:

– 3 tot en met 9 en 12, van verordening (EG) nr. 1/2005;

– 4, eerste en derde lid, en 5, van verordening (EG) nr. 1255/97.

Artikel 3, aanhef, van de Transportverordening:

Het is verboden dieren te vervoeren of te laten vervoeren op zodanige wijze dat het de dieren waarschijnlijk letsel of onnodig lijden berokkent.

Artikel 3 van de Transportverordening:

Bovendien moet aan de volgende voorwaarden worden voldaan:

e) het personeel dat met de dieren omgaat, heeft daarvoor de nodige opleiding of bekwaamheid, naar gelang van het geval, en voert zijn werkzaamheden uit zonder gebruikmaking van geweld of een methode die de dieren onnodig angstig maakt of onnodig letsel of leed toebrengt;

Artikel 8, eerste lid, van de Transportverordening:

De houders van dieren op de plaats van vertrek, overlading of bestemming zorgen ervoor dat de technische voorschriften van bijlage I, hoofdstuk I, en hoofdstuk III, afdeling 1 met betrekking tot het vervoer van dieren nageleefd worden.

Bijlage I, Hoofdstuk III, paragraaf 1.8, onder d, van de Transportverordening:

Het is verboden de dieren bij kop, oren, horens, poten, staart of vacht op te tillen of voort te trekken, of ze zodanig te behandelen dat het hun onnodige pijn of onnodig lijden berokkent.