Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:3618

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
17-04-2020
Datum publicatie
21-04-2020
Zaaknummer
8283854
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

treintje rijden, onvoldoende gemotiveerd betwist dat gedaagde bestuurder van de auto is

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8283854 \ CV EXPL 20-2773

uitspraak: 17 april 2020

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Q-Park Operations Netherlands B.V.,

gevestigd te Maastricht,

eiseres,

gemachtigde: mr. C.F.P.M. Spreksel te Maastricht,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats gedaagde] ,

gedaagde,

procederend in persoon.

Partijen worden hierna verder aangeduid als “Q-Park” en “ [gedaagde] ”.

1. Het verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure volgt uit:

  • -

    het exploot van dagvaarding van 13 januari 2020, met producties;

  • -

    het schriftelijke verweer van [gedaagde] op de rolzitting van 6 februari 2020, met producties;

  • -

    het tussenvonnis van 17 februari 2020, waarin een mondelinge behandeling is bepaald;

  • -

    de brief van de gemachtigde van Q-Park van 20 februari 2020, vergezeld van een DVD met beeldmateriaal, welke ter griffie is gedeponeerd;

  • -

    de akte van Q-Park ten behoeve van de mondelinge behandeling van 2 maart 2020, met producties;

  • -

    de mondelinge behandeling op 2 maart 2020, waarvan de griffier aantekeningen heeft bijgehouden.

1.2.

De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen, voor zover van belang, het volgende vast.

2.1.

Q-Park exploiteert en beheert parkeeraccommodaties. Zij biedt tegen betaling parkeerplaatsen aan.

2.2.

Bij iedere ingang van de parkeeraccommodatie worden voorafgaand aan het naar binnenrijden van de accommodatie de geldende tarieven en de (toepasselijkheid van de) algemene voorwaarden van Q-Park conform de wettelijke vereisten kenbaar gemaakt door middel van een informatiebord.

2.3.

De algemene voorwaarden houden - onder meer - het volgende in:

“(…)

5.9.

De parkeerder en zijn voertuig dienen de parkeerfaciliteit uitsluitend te verlaten met gebruikmaking van een geldig, door Q-Park geaccepteerd parkeerbewijs of middel.

Het zonder gebruikmaking van een geldig door Q-Park geaccepteerd parkeerbewijs of middel verlaten van de parkeerfaciliteit is onder geen beding toegestaan. De parkeerder is in dat geval het door Q-Park voor de betreffende parkeerfaciliteit vastgestelde tarief “verloren kaart” verschuldigd (afhankelijk van de parkeerfaciliteit bedraagt dit éénmaal, tweemaal of driemaal het geldende dagtarief), vermeerderd met een bedrag aan aanvullende schadevergoeding ad € 300,- (…)

(…)

6.4.

Het zonder voorafgaande betaling van het verschuldigde parkeergeld met het voertuig verlaten van de parkeerfaciliteit, bijvoorbeeld door middel van het zogenoemde “treintje rijden”, waarbij de parkeerder direct achter zijn voorganger onder de slagboom doorrijdt, is onder geen beding toegestaan. De parkeerder is in dat geval het door Q-Park voor de betreffende parkeerfaciliteit vastgestelde tarief “verloren kaart” verschuldigd (afhankelijk van de parkeerfaciliteit bedraagt dit éénmaal, tweemaal of driemaal het geldende dagtarief), vermeerderd met een bedrag aan aanvullende schadevergoeding ad € 300,- (…)

2.4.

De gemachtigde van Q-Park heeft [gedaagde] bij brief van 14 november 2019 medegedeeld dat Q-Park heeft geregistreerd dat er door het voertuig met kenteken [kentekennummer] op 22 september 2019 omstreeks 19:55 uur op onrechtmatige wijze en in strijd met de algemene voorwaarden de parkeeraccommodatie aan de Grote Markt te Den Haag is uitgereden door bumperklevend achter een voorganger langs c.q. onder de slagboom bij de uitrijterminal te rijden (het zogenoemde 'treintje rijden’) en dat het voertuig door [gedaagde] werd bestuurd. Daarbij is [gedaagde] gesommeerd een bedrag van € 360,00 te betalen.

3. Het geschil

3.1.

Q-Park heeft bij dagvaarding gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen aan haar te betalen het bedrag van € 414,00 ter voldoening van het tarief verloren kaart, de aanvullende schadevergoeding en de buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente tot aan de dag der algehele voldoening en met veroordeling van gedaagde in de proceskosten.

3.2.

Aan haar vordering legt Q-Park - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - het volgende ten grondslag. [gedaagde] heeft op 22 september 2019 met haar voertuig (een Mitshubishi Space Star met kenteken [kentekennummer] ) gebruik gemaakt van de aan

Q-Park toebehorende parkeeraccommodatie ‘Grote Markt’ te Den Haag en zich bij het verlaten daarvan, omstreeks 19:55 uur, schuldig gemaakt aan zogenaamd ‘treintje rijden’, dat wil zeggen dat zij zeer kort achter haar voorganger is gaan rijden om zo zonder te betalen de parkeeraccommodatie te kunnen verlaten, door gebruik te maken van de ten behoeve van haar voorganger openstaande slagboom. Op grond van de toepasselijke voorwaarden is [gedaagde] hierdoor aan Q-Park verschuldigd geworden het tarief van een verloren kaart ad € 60,00, alsook een bedrag van € 300,00 als aanvullende schadevergoeding. Naast de totale hoofdsom ad € 360,00 en de wettelijke rente (in de zin van artikel 6:119 BW) daarover maakt Q-Park jegens [gedaagde] aanspraak op een bedrag van € 54,00 aan buitengerechtelijke kosten, eveneens vermeerderd met de wettelijke rente daarover.

3.3.

[gedaagde] heeft de vordering betwist en heeft daartoe - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - aangevoerd dat zij op 22 september 2019 niet in de betreffende parkeeraccommodatie te Den Haag was en dat zij aldaar niet achter het stuur van de betreffende auto zat. De screenshots van de camerabeelden, waarop de gedraging zichtbaar is, zijn onleesbaar. [gedaagde] vraagt zich af of er wellicht sprake is van fraude met haar kentekenplaat.

3.4.

Op hetgeen partijen verder aanvoeren, zal - voor zover relevant - hierna nader worden ingegaan.

4. De beoordeling

4.1.

Vooropgesteld wordt dat voor toewijzing van de vordering van Q-Park vereist is dat komt vast te staan dat [gedaagde] de auto in de betreffende parkeergarage heeft geparkeerd en deze op de hiervoor omschreven wijze, zonder te betalen, heeft verlaten. Q-Park heeft immers gesteld dat zij met haar als bestuurder van de auto een overeenkomst heeft gesloten waarbij zij aan haar een parkeerplaats ter beschikking heeft gesteld, terwijl [gedaagde] heeft betwist dat zij de bewuste gedraging heeft verricht. Zij heeft immers gesteld op de betreffende datum en tijdstip niet in de parkeergarage aanwezig te zijn geweest.

4.2.

Overwogen wordt dat Q-Park ter gelegenheid van de mondelinge behandeling een DVD met daarop camerabeelden in het geding heeft gebracht, welke beelden ter zitting - in aanwezigheid van partijen - zijn bekeken. [gedaagde] heeft zich ter mondelinge behandeling op het standpunt gesteld dat ook op de vertoonde camerabeelden het kenteken van de auto niet leesbaar is. Naar het oordeel van de kantonrechter kan deze stelling van [gedaagde] echter geen stand houden. De kantonrechter constateert dat op de camerabeelden het kenteken van de auto voldoende duidelijk leesbaar is. Ter mondelinge behandeling is het afgespeelde beeldfragment zelfs nog stilgezet op het moment dat het kenteken leesbaar was. Daarbij is door de kantonrechter geconstateerd dat de auto het kenteken [kentekennummer] droeg.

4.3.

Verder geldt als uitgangspunt dat de kentekenhouder, in casu [gedaagde] , wordt vermoed de bestuurder van de auto te zijn geweest toen de onderhavige gedraging plaatsvond. Het is dan aan [gedaagde] dit vermoeden te ontkrachten, bijvoorbeeld door aannemelijk te maken dat zij op de bewuste dag en op het bewuste tijdstip niet in de parkeergarage te Den Haag aanwezig was, of door een verklaring in het geding te brengen van degene die de gedraging volgens haar wél heeft verricht. [gedaagde] heeft echter slechts gesteld dat zij niet in de parkeergarage was en dat zij niet achter het stuur van de betreffende auto zat, maar heeft dit op geen enkele wijze onderbouwd. Een verklaring voor het feit dat de auto, waarvan zij kentekenhouder is, in de parkeergarage aanwezig was, heeft zij niet gegeven.

4.4.

[gedaagde] heeft voorts aangevoerd het voor mogelijk te houden dat hier sprake is geweest van kentekenfraude, maar ook dat standpunt is niet onderbouwd, terwijl het verstrekken van een dergelijke onderbouwing hier toch van haar verlangd mocht worden. Daarbij valt te denken aan een proces-verbaal van aangifte, waaruit volgt dat er aangifte is gedaan van het feit dat er een soortgelijk voertuig met dezelfde (valse) kentekenplaten zou rondrijden.

4.5.

[gedaagde] heeft voor het overige niets naar voren gebracht dat afbreuk kan doen aan voormeld bewijsvermoeden, ook niet ter mondelinge behandeling. Het ter mondelinge behandeling gedane verzoek van [gedaagde] haar nog een termijn te verlenen zodat zij haar stellingen nader kan onderbouwen, wordt door de kantonrechter niet gehonoreerd. Daartoe wordt overwogen dat [gedaagde] - gelet op de concrete en onderbouwde stellingen van Q-Park in de dagvaarding - reeds voldoende gelegenheid heeft gehad haar eigen stellingen van een deugdelijke onderbouwing te voorzien in het kader van haar schriftelijke verweer alsmede ter gelegenheid van de mondelinge behandeling.

4.6.

In het licht van de registratie van [gedaagde] als kentekenhouder en de door Q-Park in het geding gebrachte DVD met camerabeelden heeft [gedaagde] naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende gemotiveerd betwist dat zij de bestuurder is geweest. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat [gedaagde] er niet in is geslaagd het hiervoor genoemde bewijsvermoeden te weerleggen. Bij de verdere beoordeling wordt er dan ook van uitgegaan dat [gedaagde] het is geweest die zich als bestuurder van het onderhavige voertuig op genoemde datum en tijdstip schuldig heeft gemaakt aan het door Q-Park beschreven ‘treintje rijden’.

4.7.

Op grond van de artikelen 5.9 en 6.4 van de toepasselijke algemene voorwaarden is [gedaagde] een bedrag van € 60,00 (zijnde tweemaal het geldende dagtarief) aan Q-Park verschuldigd. Daarnaast is [gedaagde] op grond van de voornoemde artikelen een schadevergoeding van € 300,00 aan Q-Park verschuldigd. Deze bedingen zijn opgesteld om in een aantal overeenkomsten te worden opgenomen. De kantonrechter dient op grond van rechtspraak van het Hof van Justitie (4 juni 2009, C 243/08, punt 32) en de Hoge Raad

(13 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:691, r.o. 3.5.3) ambtshalve te beoordelen of het beding onredelijk bezwarend is in de zin van artikel 3 lid 1 en punt e uit de bijlage van Richtlijn 93/13/EEG (hierna: de Richtlijn).

[gedaagde] is aan te merken als een consument als bedoeld in artikel 2, onder b, van de Richtlijn, nu van het tegendeel niet is gebleken. Volgens artikel 3, lid 1, van de Richtlijn wordt een beding in een overeenkomst waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, als oneerlijk beschouwd indien het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. Op grond van de bijlage bij deze Richtlijn kan een beding dat tot doel of tot gevolg heeft de consument die zijn verbintenissen niet nakomt, een onevenredig hoge schadevergoeding op te leggen, als oneerlijk beding worden aangemerkt (artikel 1, onder e, van de bijlage in samenhang met artikel 3, lid 3, van de Richtlijn).

De hiervoor genoemde bedingen, welke Q-Park aan haar vorderingen ten grondslag legt, zijn - gelet op hetgeen door Q-Park is gesteld over de beoogde preventieve werking daarvan, de gevaarzetting voor andere verkeersdeelnemers en de gemotiveerde onderbouwing van

Q-Park van de hierdoor door haar geleden schade - naar het oordeel van de kantonrechter niet oneerlijk in de zin van de Richtlijn. De gevorderde bedragen van € 60,00 (het tarief voor een ‘verloren kaart’, zijnde tweemaal het geldende dagtarief) en € 300,00 (aanvullende schadevergoeding) zijn daarom toewijsbaar.

4.8.

De gevorderde wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW wordt toegewezen over de hoofdsom van € 360,00, zulks vanaf de dag van verzuim - te weten 2 december 2019 - tot aan de dag der algehele voldoening, nu deze nevenvordering op de wet is gegrond en niet afzonderlijk is betwist.

De eveneens gevorderde rente over de buitengerechtelijke kosten is niet toewijsbaar, nu niet is gesteld of gebleken dat de kosten vóór dagvaarding dan wel vóór de ingebrekestelling door Q-Park zijn betaald aan haar gemachtigde.

4.8.

Q-Park maakt aanspraak op een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De vordering dient beoordeeld te worden aan de hand van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De namens Q-Park aan [gedaagde] gezonden aanmaning van 14 november 2019 voldoet aan de in artikel 6:96 lid 6 BW gestelde eisen. De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke kosten van € 54,00 wordt dan ook toegewezen.

4.9.

[gedaagde] wordt als de in overwegende mate in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld.

5. De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] om aan Q-Park tegen kwijting te betalen € 360,00 aan hoofdsom en € 54,00 aan buitengerechtelijke kosten, vermeerderd met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW over € 360,00 vanaf 2 december 2019 tot aan de dag van algehele voldoening;

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Q-Park vastgesteld op € 207,52 aan verschotten (waarvan € 124,00 aan griffierecht en

€ 83,52 aan dagvaardingskosten) en € 144,00 aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het méér of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. Vroom en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

44487