Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:3594

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
02-04-2020
Datum publicatie
20-04-2020
Zaaknummer
C/10/593663 / JE RK 20-788 en C/10/593658 / JE RK 20-785
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling. Gewezen ten tijde van corona-maatregelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd

zaakgegevens: C/10/593663 / JE RK 20-788 en C/10/593658 / JE RK 20-785

datum uitspraak: 2 april 2020

beschikking uithuisplaatsing

in de zaak van

de Raad voor de Kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht,

hierna te noemen Raad, gevestigd te Rotterdam,

betreffende

[naam minderjarige] , geboren op [geboortedatum minderjarige] 2020 te [geboorteplaats minderjarige] , hierna te noemen [voornaam minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:

[naam moeder] ,

hierna te noemen de moeder, wonende te [woonplaats moeder] .

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- het verzoekschrift met bijlagen van de Raad van 23 maart 2020, ingekomen bij de griffie op 23 maart 2020.

- de beschikking van deze rechtbank van 22 maart 2020.

Op 2 april 2020 zou de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandelen.

Omdat in verband met het COVID-19 virus de rechtbanken slechts zeer beperkt toegankelijk zijn, zijn betrokkenen in de gelegenheid gesteld om telefonisch gehoord te worden.

De kinderrechter heeft telefonisch gehoord:

- de moeder,

- een vertegenwoordiger van de Raad, dhr. [naam vertegenwoordiger] ,

- een vertegenwoordigster van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam

Rijnmond, hierna de GI, mw. [naam vertegenwoordigster] .

De feiten

Het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige] wordt uitgeoefend door de moeder.

[voornaam minderjarige] verblijft in een voorziening voor pleegzorg.

Bij beschikking van 22 maart 2020 is [voornaam minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 22 juni 2020. Tevens heeft de kinderrechter bij deze beschikking een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend tot 22 juni 2020.

Het verzoek

Thans dient te worden beslist of de uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg dient te worden voortgezet voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling, te weten tot 22 juni 2020.

De Raad heeft het verzoek ter zitting gehandhaafd en als volgt toegelicht. [voornaam minderjarige] is een kwetsbaar kind van slechts een paar weken oud over wie zorgen bestaan. De moeder verbleef met [voornaam minderjarige] in het kraamhotel waar duidelijk is geworden dat de moeder haar leven onvoldoende op de rails heeft. De moeder is afspraken met het kraamhotel niet nagekomen waardoor de veiligheid van [voornaam minderjarige] niet werd gewaarborgd. Ook bestaan er vermoedens van middelengebruik door de moeder. Daarnaast heeft de moeder geen vaste woon- of verblijfplaats waardoor de moeder de opvoeding en verzorging van [voornaam minderjarige] niet op zich kan nemen. De moeder heeft aangegeven open te staan voor de hulpverlening en voor een eventuele plaatsing in een moeder-kind huis.

De standpunten

De GI sluit zich ter zitting aan bij het standpunt van de Raad. De totstandkoming van de samenwerking met de moeder verloopt moeizaam. Het is moeilijk contact met haar te krijgen en op de momenten van contact is het opmerkelijk dat zij weinig vraagt naar [voornaam minderjarige] . De interactie tussen de moeder en [voornaam minderjarige] is daarentegen wel prima. De eerste 30 weken is er sprake geweest van een ongecontroleerde zwangerschap. Ook heeft de GI geen informatie over de vader van [voornaam minderjarige] . [voornaam minderjarige] is geboren met een vrij licht geboortegewicht, kwam zeer vermoeid aan in het pleeggezin en hij overstrekt zich heel erg. Het gaat op dit moment beter met hem, maar het is een zeer afhankelijke baby die veel vraagt van zijn verzorgers en gebaat is bij structuur en regelmaat.

De moeder verzet zich ter zitting niet tegen het verzoek van de Raad. De moeder wil het liefst met [voornaam minderjarige] in een gezinshuis verblijven en hier de nodige begeleiding krijgen. Hierna zou ze graag zelfstandig met [voornaam minderjarige] willen wonen. De moeder verblijft momenteel in een nachtopvang en geeft aan op de wachtlijst te staan voor een gezinshuis. De moeder heeft moeite met de onduidelijkheid van de situatie. Verder geeft de moeder aan wel degelijk te vragen naar [voornaam minderjarige] tijdens haar contacten met jeugdzorg.. Daarnaast erkent de moeder zich niet aan bepaalde afspraken te hebben gehouden in het kraamhotel. Zo is zij inderdaad met [voornaam minderjarige] naar buiten gegaan, maar daarvan zag zij de ernst niet in. De moeder ontkent het middelengebruik en geeft aan ervoor open te staan om zich hiervoor te laten testen. Ook staat de moeder open voor hulpverlening, waar zij tijdens de zwangerschap al om had gevraagd.

De beoordeling

Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat [voornaam minderjarige] ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Ten tijde van het verblijf van de moeder en [voornaam minderjarige] in het kraamhotel heeft de moeder zich niet aan de afspraken gehouden. De moeder heeft geen vaste woon- of verblijfplaats en verblijft momenteel in een nachtopvang. Daarnaast heeft de moeder een lange hulpverleningsgeschiedenis waaruit blijkt dat de moeder moeite heeft met het accepteren van de hulpverlening. Ook zijn er zorgen over haar financiële situatie. De moeder is momenteel niet in staat [voornaam minderjarige] een veilige verzorging en opvoeding te bieden. De komende periode dient te worden bezien wat het beste is voor [voornaam minderjarige] en welke plek voor hem het meest passend is. Het is hierbij van belang dat de moeder haar medewerking verleent aan de hulpverlening.

Uit voorgaande volgt dat de verlenging van de uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding (artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek). De kinderrechter zal daarom de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengen voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling.

Gelet op de omstandigheid dat het onderzoek van de Raad nog niet is afgerond, zal de kinderrechter de behandeling van het verzoek tot een definitieve ondertoezichtstelling aanhouden tot na te noemen datum. De Raad wordt verzocht om tijdig voor die zittingsdatum de kinderrechter de definitieve rapportage te doen toekomen.

De beslissing

De kinderrechter:

verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg, tot 22 juni 2020;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

en alvorens verder te beslissen omtrent de definitieve ondertoezichtstelling:

houdt de beslissing voor het overig verzochte aan en bepaalt dat het verhoor van de Raad, de GI en de belanghebbende in deze zaak zal plaatsvinden op 9 juni 2020 om 16:00 uur;

de zaak zal op voornoemde datum en tijdstip, behoudens onvoorziene omstandigheden, worden behandeld door mr. M.P. van der Stroom, kinderrechter;

vanwege de landelijke maatregelen die zijn genomen tegen de verspreiding van het coronavirus (COVID-19) zal er (mogelijk) geen fysieke zitting in het gerechtsgebouw te Rotterdam, Wilhelminaplein 100/125 plaatsvinden en zullen betrokkenen op voornoemd tijdstip telefonisch gehoord worden;

verzoekt de Raad om vóór 4 juni 2020 aan de griffie schriftelijk de telefoonnummers van de GI en de belanghebbende te verstrekken;

bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping van de Raad, de GI en de belanghebbende;

verzoekt de Raad uiterlijk twee weken voor de genoemde datum de kinderrechter de raadsrapportage te doen toekomen.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.P. van der Stroom, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. C.N. Arduin als griffier en in het openbaar uitgesproken op 2 april 2020.

De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 16 april 2020.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Den Haag.