Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:3576

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
21-02-2020
Datum publicatie
20-04-2020
Zaaknummer
FT EA 19-1606
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek dwangakkoord - de schulden aan de weigerende schuldeisers vormen een aanzienlijk aandeel van de totale schuldenlast en zijn niet te goeder trouw ontstaan - schulden uit ten onrechte ontvangen kinderopvangtoeslag, een vergrijpboete en cursusgeld

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 287a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie

rekestnummer: [nummer] / FT EA 19/1606

uitspraakdatum: 21 februari 2020

afwijzen gedwongen schuldregeling

in de zaak van:

[verzoekster] ,

wonende te [adres]

,

verzoekster.

1 De procedure

Verzoekster heeft op 12 november 2019, tezamen met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, een verzoek ingevolge artikel 287a, eerste lid, Faillissementswet ingediend om een tweetal schuldeisers, te weten:

  • -

    Belastingdienst (hierna: Belastingdienst);

  • -

    Capabel Onderwijsgroep B.V., vertegenwoordigd door GGN (hierna: Capabel);

die weigeren mee te werken aan een door verzoekster aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling.

De Belastingdienst en Capabel hebben voorafgaand aan de zitting een verweerschrift toegezonden.

Ter zitting van 4 februari 2020 zijn verschenen en gehoord:

  • -

    verzoekster;

  • -

    [naam 1] , werkzaam bij de Kredietbank Rotterdam (hierna: schuldhulpverlening);

  • -

    [naam 2] , werkzaam bij [naam organisatie] (hierna:

beschermingsbewind);

- [naam 3] en [naam 4] , beiden werkzaam bij de

Belastingdienst (hierna: Belastingdienst).

De overige weigerende schuldeiser is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

De uitspraak is bepaald op heden.

2 Het verzoek

Verzoekster heeft volgens het ingediende verzoekschrift zeven concurrente schuldeisers. Deze schuldeisers hebben in totaal een bedrag van € 75.515,59 van verzoekster te vorderen.

Verzoekster heeft bij brief van 17 juli 2019 een schuldregeling aangeboden aan haar schuldeisers, inhoudende een betaling van 4,02% aan de concurrente schuldeisers tegen finale kwijting.

Het aangeboden akkoord heeft de volgende inhoud en achtergrond. De aangeboden regeling is gebaseerd op de NVVK-norm. De aangeboden regeling is gebaseerd op de afloscapaciteit die verzoekster heeft op basis van haar dienstbetrekking. De aangeboden regeling voorziet in uitkering van een prognosepercentage. Dat betekent dat de afloscapaciteit eventueel nog hoger of nog lager zal kunnen uitvallen. Verzoekster heeft zich op het standpunt gesteld dat zij al het mogelijke heeft gedaan om het aangeboden percentage aan haar schuldeisers aan te bieden. Verzoekster heeft sinds de aanmelding bij schuldhulpverlening geen nieuwe schulden of achterstanden meer laten ontstaan en haar vaste lasten worden inmiddels door haar beschermingsbewindvoerder voldaan.

Vijf schuldeisers stemmen met de aangeboden schuldregeling in. De Belastingdienst en Capabel stemmen hier niet mee in. Zij hebben een vordering met een totaalbedrag van

€ 59.546,11 op verzoekster, welke 78,85 % van de totale schuldenlast beloopt.

3 Het verweer

In haar verweerschrift heeft Capabel aangevoerd dat het aanbod niet in verhouding staat tot de hoogte van de vordering. Daarnaast is Capabel van mening dat het ontstaan van de schuld te wijten is aan verzoekster zelf. Verzoekster heeft zich ingeschreven voor een opleiding, wetende dat zij niet de financiële middelen had om het cursusgeld te voldoen. Voorts blijkt dat het gedane voorstel onvoldoende is onderbouwd. Capabel heeft geen kennis kunnen nemen van de aard en samenstelling van de schulden, de precieze gegevens waarop de berekening van de afloscapaciteit is gebaseerd en het bestaan van eventuele overige vermogensbestanddelen. Capabel kan daarom niet akkoord gaan met de aangeboden schuldregeling.

In haar verweerschrift heeft de Belastingdienst aangevoerd dat over de jaren 2012, 2014 en 2015 geen inkomensgegevens van verzoekster bekend zijn. Het feit dat er geen inkomsten waren betekent ook dat er geen middelen waren voor verzoekster om in haar levensonderhoud te voorzien, anders dan de door verzoekster aangevraagde toeslagen. De toeslagen zijn echter een inkomensondersteuning, bedoeld om de lasten van kinderopvang, huur en zorg te kunnen voldoen. Dat verzoekster kennelijk de toeslagen heeft aangewend voor het voorzien in de kosten voor haar levensonderhoud, betekent dat zij misbruik heeft gemaakt van deze sociale voorziening. Daarnaast heeft verzoekster in 2015 een dusdanig vergrijp begaan dat daarvoor een bestuurlijke boete van € 16.821,- met dagtekening
28 november 2015 heeft opgelegd gekregen. Het vergrijp kan omschreven worden als het willens en wetens aanvragen van een voorziening, waarvan op voorhand al bekend had moeten zijn dat er geen recht op deze voorziening bestond, een en ander met het oogmerk om wederrechtelijk voordeel te genieten. De boete is op 9 januari 2016 onherroepelijk vast komen te staan. Instemming met de aangeboden regeling komt er volgens de Belastingdienst op neer dat verzoekster de sanctie die haar is opgelegd ontloopt. Dat verzoekster in de periode 2012-2015 geen inkomsten had (afgezien van een korte periode bijstandsuitkering) leidt ook tot de conclusie dat er geen reden was waarom zij haar kind op een opvang moest plaatsen. Verder heeft verzoekster de kinderopvangtoeslag voor dagopvang laten doorlopen terwijl haar kind inmiddels de leerplichtige leeftijd had bereikt en daarom niet meer in aanmerking kwam voor kinderopvang.
Wat betreft het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling heeft de Belastingdienst aangevoerd dat verzoekster de afgelopen vijf jaar niets tot weinig heeft gedaan om het ontstaan van de schulden te voorkomen of beperken. Verzoekster heeft geen poging gedaan om een betalingsregeling af te spreken. Daarnaast werkt verzoekster niet fulltime. Zij heeft zich niet ingespannen om haar schulden te betalen. Het gedane voorstel is volgens de Belastingdienst niet het maximaal haalbare.

Hoewel behoorlijk opgeroepen heeft Capabel geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid haar standpunten ter zitting toe te lichten.

4 De beoordeling

Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100% van zijn vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vordering, staat het belang van de Belastingdienst en Capabel bij hun weigering vast.

De rechtbank ziet zich gesteld voor het beantwoorden van de vraag of de Belastingdienst en Capabel in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling hebben kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij hebben bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoekster of de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad.

Vooropgesteld wordt dat de vorderingen van de Belastingdienst en Capabel een aanzienlijk aandeel vormen in de totale schuldenlast (te weten 78,85 % daarvan). Gelet daarop, en gezien de aard van de vorderingen, zal niet snel kunnen worden geoordeeld dat de Belastingdienst en Capabel in redelijkheid niet konden weigeren om met de schuldregeling in te stemmen.

Daar komt bij dat zoals de Belastingdienst terecht heeft gesteld, de schuld aan de Belastingdienst niet te goede trouw is ontstaan. Verzoekster heeft vier terugvorderingsbeschikkingen opgelegd gekregen van tezamen (ongeveer) € 41.000,- wegens ten onrechte ontvangen Kinderopvangtoeslag in de periode 2012-2015. Daarnaast heeft verzoekster in 2015 een dusdanig vergrijp begaan dat daarvoor een bestuurlijke boete van € 16.821,- met dagtekening 28 november 2015 heeft opgelegd gekregen. Verzoekster heeft geen tijdig bezwaar ingediend waardoor de boete op 9 januari 2016 onherroepelijk is komen vast te staan. De Kinderopvangtoeslag is bedoeld als inkomensondersteuning en niet om in het levensonderhoud van verzoekster te voorzien. Verzoekster heeft ter zitting geen aannemelijke verklaring gegeven waaruit blijkt dat de terugvorderingsbeschikkingen onterecht zijn opgelegd. Ook heeft verzoekster geen betalingsregelingen met de Belastingdienst getroffen of zich anderszins ingespannen om de schulden te betalen. De rechtbank heeft dan ook geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de overgelegde bescheiden en hetgeen de Belastingdienst ter zitting heeft aangevoerd.
Daarnaast heeft verzoekster in 2015 een schuld laten ontstaan bij Capabel, terwijl zij wist (of behoorde te weten) dat zij niet over de financiële middelen beschikte om de kosten van de opleiding te kunnen betalen. Door toch te starten met deze opleiding en de kosten daarvan niet te voldoen, is verzoekster deze schuld aan Capabel niet te goeder trouw aangegaan. Op grond van deze feiten en omstandigheden stelt de rechtbank vast dat deze schulden niet te goeder trouw zijn ontstaan. Ook om die reden kunnen de beide schuldeisers niet in redelijkheid gedwongen worden alsnog akkoord te gaan met de minnelijke regeling.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de belangen van de Belastingdienst en Capabel als weigerende schuldeisers zwaarder wegen dan die van verzoekster of de overige schuldeisers. Het verzoek om de Belastingdienst en Capabel te bevelen in te stemmen met de door verzoekster aangeboden schuldregeling wordt daarom afgewezen.

Verzoekster heeft desgevraagd verklaard het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling te handhaven, na afwijzing van het verzoek tot vaststellen van een dwangakkoord. Op het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling wordt bij afzonderlijk vonnis beslist.

5 De beslissing

De rechtbank:

- wijst af het verzoek om een gedwongen schuldregeling te bevelen.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.C.A.M. Los, rechter, en in aanwezigheid van B.G. van der Vlies, griffier, in het openbaar uitgesproken op 21 februari 2020. 1

1 Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.