Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:3570

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
25-03-2020
Datum publicatie
21-04-2020
Zaaknummer
C/10/593676 / FA RK 20-1989
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel, artikel 7:7 Wvggz. De Wvggz geeft niet de mogelijkheid om de verplichte zorg zoals opgelegd bij de voortzetting van de crisismaatregel te wijzigen. De rechtbank sluit uit dat dit de bedoeling is geweest van de wetgever. De rechtbank gaat er daarom van uit dat het mogelijk moet zijn om aanvullende verplichte zorg die nodig is om het onmiddellijk dreigend ernstig nadeel te kunnen wegnemen, op te leggen in een situatie dat een verzoek zorgmachtiging niet kan worden afgewacht. Hoewel anders dan bij een zorgmachtiging (artikel 6:6 lid 4 Wvggz) artikel 7:10 Wvggz niet voorziet in het vervallen van een voortzetting crisismaatregel als een nieuwe crisismaatregel ten uitvoer wordt gelegd, is de rechtbank van oordeel dat het systeem van de wet dat rechtsgevolg wel beoogt. De tenuitvoerlegging van een nieuwe crisismaatregel doet daarom een lopende voortgezette crisismaatregel van eerdere datum vervallen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JGz 2020/57 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM


Team familie

Zaak-/rekestnummer: C/10/593676 / FA RK 20-1989

Betrokkenenummer: [nummer]

Schriftelijke uitwerking van de mondelinge beslissing van 25 maart 2020 betreffende een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel als bedoeld in artikel 7:7 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (hierna: Wvggz)

op verzoek van:

de officier van justitie in het arrondissement Rotterdam, hierna: de officier,

met betrekking tot:

[naam betrokkene] , betrokkene,

geboren op [geboortedatum betrokkene] te [geboorteplaats betrokkene] , Afghanistan,

wonende aan de [adres betrokkene] , [woonplaats betrokkene] ,

thans verblijvende in Parnassia Groep, locatie Poortmolen te Capelle aan den IJssel,

advocaat mr. S. Scheimann te Rotterdam.

1. Procesverloop

1.1.

Bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 23 maart 2020, heeft de officier verzocht om voortzetting van de op 20 maart 2020 opgelegde crisismaatregel.


Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:

 een afschrift van de beslissing tot het nemen van de crisismaatregel van 20 maart 2020;

 de beslissing van 23 maart 20202 van de geneesheer-directeur tot beëindiging van de voortgezette crisismaatregel van 13 (de rechtbank leest: 12) maart 2020;

 de (aanvullende) medische verklaring opgesteld door drs. C. van Tuijl , psychiater, van 20 maart 2020;

 de medische verklaring opgesteld door drs. F.C. Karayalcin, psychiater, van 12 maart 2020;

 de gegevens over eerder afgegeven machtigingen op grond van de Wet Bopz en de Wvggz;

 de relevante politiegegevens en/of de strafvorderlijke- en justitiële gegevens.

1.2.

De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 25 maart 2020. Bij die gelegenheid zijn (conform de Tijdelijke regeling F&J rechtbanken i.v.m. Corona) telefonisch gehoord:

 betrokkene met haar hierboven genoemde advocaat;

 drs. B. te Braake, arts, verbonden aan Parnassia Groep, locatie Poortmolen.

1.3.

De officier is niet telefonisch gehoord, omdat hij een nadere toelichting op of motivering van het verzoek niet nodig achtte.

2. Beoordeling

2.1.

Beëindiging huidige crisismaatregel

2.1.1.

Op 13 maart 2020 heeft de officier verzocht de op 12 maart afgegeven crisismaatregel voort te zetten. Op 16 maart 2020 is dit verzoek bij beschikking van deze rechtbank toegewezen. Daarbij de volgende vormen van verplichte zorg opgenomen:

 het toedienen van medicatie, alsmede het verrichten van medische controles of andere medische handelingen en therapeutische maatregelen, ter behandeling van een psychische stoornis, dan wel vanwege die stoornis, ter behandeling van een somatische aandoening;

 het beperken van de bewegingsvrijheid;

 het uitoefenen van toezicht op betrokkene;

 het onderzoek aan kleding of lichaam;

 het onderzoek van de woon- of verblijfsruimte op gedrag-beïnvloedende middelen;

 het controleren op de aanwezigheid van gedrag-beïnvloedende middelen;

 het opnemen in een accommodatie.

2.1.2.

Het insluiten was niet als vorm van verplichte zorg toegewezen, terwijl dit later wel noodzakelijk bleek te zijn. De Wvggz biedt op grond van artikel 8:11 de mogelijkheid om in een noodsituatie niet-toegewezen vormen van verplichte zorg voor maximaal drie dagen toe te passen. De arts heeft bij de mondelinge behandeling verklaard dat voorzien werd dat deze periode niet voldoende zou zijn voor de benodigde insluiting, waarna een nieuwe crisismaatregel is verzocht. Deze is op 20 maart 2020 afgegeven door de burgemeester van Capelle aan den IJssel. Naar aanleiding van de nieuwe crisismaatregel heeft de geneesheer-directeur op 23 maart 2020 besloten de voortgezette crisismaatregel van 12 maart te beëindigen.
2.1.3. De advocaat van betrokkene voert aan dat de voortgezette crisismaatregel van 12 maart 2020 niet op een wettelijke grondslag is beëindigd door de geneesheer-directeur. Nu de nieuwe crisismaatregel alleen ziet op het toevoegen van insluiten als vorm van verplichte zorg, is het afgeven van deze nieuwe crisismaatregel een verkapt hoger beroep tegen het niet-opnemen van insluiten als vorm van verplichte zorg bij de voortgezette crisismaatregel. De rechtbank heeft immers doelbewust besloten het niet als vorm van verplichte zorg op te nemen. Het insluiten kan volgens de advocaat daarom alleen in het kader van een verzoek tot zorgmachtiging aansluitend op een crisismachtiging worden voorgelegd aan de rechtbank.

2.1.4.

De Wvggz geeft niet de mogelijkheid om de verplichte zorg zoals opgelegd bij de voortzetting van de crisismaatregel te wijzigen:

- Hoger beroep tegen de beslissing tot voortzetting van de crisismaatregel is niet mogelijk.

- Toepassing van een noodmaatregel op grond van artikel 8:11 Wvggz is beperkt tot drie dagen (artikel 8:12 lid 1 Wvggz). Herhaalde toepassing van een noodmaatregel als bij voorbaat wordt voorzien dat drie dagen niet toereikend zijn, is daarmee in strijd.

- Artikel 8:18 Wvggz dient zó te worden uitgelegd dat de geneesheer-directeur een lopende voortzetting crisismaatregel slechts op twee gronden kan beëindigen, namelijk indien het doel van verplichte zorg is bereikt of indien niet langer wordt voldaan aan het criterium voor verplichte zorg. Van geen van deze gronden is sprake. In de beslissing heeft de geneesheer-directeur slechts verwezen naar de nieuwe crisismaatregel van 20 maart 2020. Daarom is de beëindiging door de geneesheer-directeur van de voortgezette crisismaatregel van 12 maart 2020 op 23 maart 2020 niet rechtsgeldig.

- Ten slotte kan een zorgmachtiging (aansluitend op een crisismaatregel) in de regel niet worden afgewacht vanwege de voorbereidingstijd die dat vergt en het daardoor enkele weken zou kunnen duren vooraleer de benodigde verplichte zorg alsnog wordt verleend.

De rechtbank sluit uit dat dit de bedoeling is geweest van de wetgever. De rechtbank gaat er daarom van uit dat het mogelijk moet zijn om aanvullende verplichte zorg die nodig is om het onmiddellijk dreigend ernstig nadeel te kunnen wegnemen, op te leggen in een situatie dat een verzoek zorgmachtiging niet kan worden afgewacht.

Hoewel anders dan bij een zorgmachtiging (artikel 6:6 lid 4 Wvggz) artikel 7:10 Wvggz niet voorziet in het vervallen van een voortzetting crisismaatregel als een nieuwe crisismaatregel ten uitvoer wordt gelegd, is de rechtbank van oordeel dat het systeem van de wet dat rechtsgevolg wel beoogt. De tenuitvoerlegging van een nieuwe crisismaatregel doet daarom een lopende voortgezette crisismaatregel van eerdere datum vervallen.

Dit heeft tot gevolg dat onderhavig verzoek tot het verlenen van een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel van 20 maart 2020 ontvankelijk is.

2.2.

Criteria crisismachtiging

2.2.1.

Op grond van artikel 7:7 Wvggz in samenhang gelezen met artikel 7:8 Wvggz kan de rechter op verzoek van de officier met betrekking tot een betrokkene een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel verlenen, indien de burgemeester ten aanzien van deze betrokkene op grond van artikel 7:1 Wvggz een crisismaatregel heeft genomen.

2.2.2.

Gelet op artikel 7:1 lid 1 Wvggz kan deze machtiging slechts worden verleend indien er onmiddellijk dreigend nadeel is, er een ernstig vermoeden bestaan dat het gedrag van betrokkene als gevolg van een psychische stoornis dit dreigend nadeel veroorzaakt en met de crisismaatregel het ernstige nadeel kan worden weggenomen. Daarnaast is de crisissituatie dermate ernstig dat de procedure voor een zorgmachtiging niet kan worden afgewacht en is er verzet als bedoeld in artikel 1:4 Wvggz tegen de zorg.

2.2.3.

Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling is gebleken dat er ten aanzien van betrokkene nog steeds sprake is van onmiddellijk dreigend ernstig nadeel, gelegen in het bestaan van of het aanzienlijk risico op de situatie dat betrokkene met hinderlijk gedrag agressie van anderen oproept en de situatie dat de algemene veiligheid van personen of goederen in gevaar is. Nadat betrokkene medewerkers van de verpleging heeft aangevallen is zij in een separeerruimte geplaatst. Aanleiding voor het agressieve gedrag bij betrokkene was dat zij geen contact kon krijgen met haar dochter. Hoewel betrokkene na de insluiting wat tot rust is gekomen, kunnen de emoties bij betrokkene alsnog hoog oplopen en sluit de arts bij de mondelinge behandeling niet uit dat het nogmaals nodig zal zijn om betrokkene in te sluiten.

2.2.4.

Vermoed wordt dat dit nadeel wordt veroorzaakt door gedrag dat voortvloeit uit een psychische stoornis, in de vorm van manisch psychotische decompensatie bij een bipolaire stoornis en posttraumatische stressstoornis.

2.2.5.

De crisissituatie is zo ernstig dat de procedure voor een zorgmachtiging niet kan worden afgewacht.

2.3.

Verplichte zorg

2.3.1.

Op basis van de medische verklaring en de mondelinge behandeling, acht de rechtbank de volgende in de crisismaatregel genomen vormen van verplichte zorg noodzakelijk om het ernstig nadeel af te wenden:

 het toedienen van medicatie, ter behandeling van een psychische stoornis, dan wel vanwege die stoornis;

 het beperken van de bewegingsvrijheid;

 het insluiten;

 het aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen;

 het opnemen in een accommodatie.

2.3.2.

De overige door de officier verzochte vormen van verplichte zorg worden door de rechtbank niet noodzakelijk geacht, omdat de noodzakelijkheid daarvan niet (afdoende) is gemotiveerd en de arts bij de mondelinge behandeling gemotiveerd heeft verklaard dat deze niet nodig zijn om het ernstig nadeel af te wenden.

2.3.3.

Door en namens betrokkene is aangevoerd dat betrokkene op vrijwillige basis in de accommodatie kan verblijven. Hoewel betrokkene na het insluiten haar medicatie vrijwillig inneemt, kan zij nog steeds geagiteerd gedrag vertonen en heeft de rechtbank er onvoldoende vertrouwen in dat deze instemming blijvend zal zijn. Naar het oordeel van de rechtbank geeft betrokkene daarom onvoldoende blijk van de nodige bereidheid tot vrijwillige zorg.

Er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben.

2.3.4.

De voorgestelde verplichte zorg is evenredig en naar verwachting effectief. Uit de stukken blijkt dat rekening is gehouden met de voorwaarden die noodzakelijk zijn om deelname van betrokkene aan het maatschappelijk leven te bevorderen, alsmede met de veiligheid van betrokkene.

2.4.

Gelet op het voorgaande zal een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel worden verleend, welke machtiging een geldigheidsduur heeft van drie weken na vandaag.

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1.

verleent een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel ten aanzien van [naam betrokkene] voornoemd;

3.2.

bepaalt dat bij wijze van verplichte zorg de maatregelen zoals opgenomen in rechtsoverweging 2.3.1. kunnen worden getroffen;

3.3.

bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 15 april 2020.

Deze beschikking is op 25 maart 2020 mondeling gegeven door mr. M.W.J. van Elsdingen, rechter, in tegenwoordigheid van mr. R. Jelicic, griffier, en op 31 maart 2020 schriftelijk uitgewerkt en getekend.

Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.