Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:3532

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
23-03-2020
Datum publicatie
20-04-2020
Zaaknummer
10/810211-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor medeplegen van bedreiging met de dood en/of zware mishandeling van een medewerker van Jeugdbescherming, meermalen gepleegd, waarbij sprake is geweest van een hechte en intensieve samenwerking tussen de verdachte en zijn mededader. De bedreigingen zijn schriftelijk - onder meer door het versturen van berichten naar de werktelefoon van het slachtoffer en door een geschreven briefje door de brievenbus van de woning van het slachtoffer te doen - en onder een bepaalde voorwaarde geschied, namelijk dat het slachtoffer de beslissing om de twee kinderen van de verdachte uit huis te plaatsen zou terugdraaien.

Aan de verdachte wordt opgelegd een gevangenisstraf van 6 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk en een vrijheidsbeperkende maatregel met een contact- en locatieverbod, die dadelijk uitvoerbaar is. Daarnaast moet de verdachte samen met zijn mededader een schadevergoeding betalen van in totaal € 5.772,90.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/810211-19

Datum uitspraak: 23 maart 2020

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren op [geboortedatum verdachte] [geboorteplaats verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] te ( [postcode] ) [woonplaats verdachte] ,

raadsman mr. P.C. Verloop, advocaat te Rotterdam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 9 maart 2020.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. W.D. van den Berg heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit (kort gezegd: medeplegen van bedreiging);

  • -

    veroordeling van de verdachte tot (1) een gevangenisstraf voor de duur van 12 dagen met aftrek van voorarrest, (2) een taakstraf van 100 uren, te vervangen door 50 dagen hechtenis en (3) een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met een proeftijd van 3 jaar en als bijzondere voorwaarden een contactverbod met aangeefster en een locatieverbod (inhoudende het niet ophouden in de onmiddellijke omgeving van het woonadres van aangeefster);

  • -

    oplegging van de vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht - dadelijk uitvoerbaar - voor de duur van 3 jaar, inhoudende een contactverbod met aangeefster en een locatieverbod (inhoudende het niet ophouden in de onmiddellijke omgeving van het woonadres van aangeefster), met toepassing van vervangende hechtenis van 2 weken per overtreding, met een maximum van 6 maanden hechtenis, voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Bewijswaardering

4.1.1.

Standpunt verdediging

Aangevoerd is dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde. Daartoe heeft de raadsman betoogd dat geen direct bewijs voorhanden is waaruit de betrokkenheid van de verdachte zou blijken. Hoewel de verdachte niet heeft ontkend dat hij met zijn telefoon gegevens van aangeefster heeft opgezocht, blijkt uit niets dat hij deze gegevens met anderen heeft gedeeld. Dat vervolgens dezelfde foto’s van screenshots op de telefoon van medeverdachte [naam medeverdachte] (verder: [naam medeverdachte] ) worden aangetroffen, is onvoldoende om te concluderen dat de verdachte deze foto’s met [naam medeverdachte] heeft gedeeld, laat staan dat hij de opzet heeft gehad op het bedreigen van aangeefster door [naam medeverdachte] . Verder is aangevoerd dat de tekst van de ten laste gelegde berichten geen bedreiging met één van de in artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht genoemde strafbare feiten oplevert.

4.1.2.

Beoordeling

Aangeefster, werkzaam bij Jeugdbescherming Rotterdam-Rijnmond, heeft verklaard dat zij op 27 mei en op 1 juni 2019 op haar werktelefoon bedreigende teksten heeft ontvangen en dat er op 30 mei 2019 in haar brievenbus op haar privé adres een geschreven briefje met een dreigende tekst is gestopt. De WhatsApp berichten werden verstuurd vanaf het prepaid nummer [gsm-nummer] (hierna: “dreignummer”). Dit “dreignummer” heeft van 24 mei 2019 tot en met 10 juni 2019 – de periode waarbinnen de bedreigingen zijn gepleegd – in een telefoon gezeten met het IMEI-nummer [IMEI-nummer] (hierna: “dreigtelefoon”).

Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting is verder vast komen te staan dat de verdachte een conflict had met aangeefster over de uithuisplaatsing van zijn twee kinderen en dat hij daarover naar eigen zeggen erg boos en geëmotioneerd was. De verdachte heeft erkend dat hij vervolgens met zijn eigen telefoon (iPhone XR) gegevens van aangeefster en haar gezin heeft opgezocht en screenshots, waarop onder meer het adres en een omschrijving van de woning van aangeefster te zien waren, via WhatsApp naar zijn vrouw heeft verstuurd met daarbij de tekst “kassa”. Opvallend is verder dat de verdachte op datzelfde tijdstip foto’s heeft gemaakt van de ‘dreigtelefoon’ met daarop het werkadres van de man van aangeefster en foto’s waarop de man van de aangeefster zichtbaar is met hun zoon en een krantenknipsel. De verdachte wilde in eerste instantie iets met de gegevens doen, maar besloot daar uiteindelijk toch van af te zien. Ook heeft de verdachte te kennen gegeven dat hij – nadat hij weer in vrijheid was gesteld – op internet heeft gezocht naar termen als “afluisteren en tappen” en “de maximale straf voor bedreiging”. Verder staat vast dat de verdachte de ‘dreigtelefoon’ voorafgaand aan de bedreigingen aan [naam medeverdachte] heeft gegeven en nadat de bedreigingen hadden plaatsgevonden weer van hem heeft teruggekregen. Op 15 juli 2019 wordt de ‘dreigtelefoon’ bij de aanhouding van de verdachte in zijn woning aangetroffen. Ook is gebleken dat [naam medeverdachte] voor de verdachte werkte en dat zij met elkaar over de uithuisplaatsing hebben gesproken.

Op een onder [naam medeverdachte] inbeslaggenomen Samsung telefoon is een foto van de voordeur met het naamplaatje van de woning van aangeefster aangetroffen. De foto is gemaakt op 25 mei 2019. Dit betreft eenzelfde foto als aangeefster op haar werktelefoon heeft ontvangen. Daarnaast bevinden zich op de telefoon van [naam medeverdachte] twee afdrukken van het eerste WhatsApp-bericht dat aangeefster op 27 mei 2019 op haar werktelefoon heeft ontvangen, een afbeelding van een zoekslag met de achternaam van de partner van aangeefster met het woonadres, alsmede een routebeschrijving naar een doorgaande weg in de buurt van aangeefster. Daar komt bij dat [naam medeverdachte] door zowel de politie als de verdachte is herkend op de camerabeelden als de persoon die het briefje op 30 mei 2019 in de brievenbus heeft gestopt.

Is de verdachte betrokken bij de ten laste gelegde bedreiging?

Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat de verdachte betrokken is geweest bij de ten laste gelegde bedreiging van aangeefster. Zoals hierboven weergegeven was de verdachte boos over de uithuisplaatsing van zijn kinderen en de bemoeienis van aangeefster daarmee: hij was hier naar eigen zeggen zo ontzettend boos over was dat hij iets wilde gaan doen met de door hem opgezochte gegevens. De rechtbank stelt vast dat daadwerkelijk ook iets is gebeurd met die gegevens. Gelet op dit gegeven, bezien in combinatie met de inhoud van de berichten, de details en specifieke verwijzingen naar de onderhavige strafzaak voor zover het gaat om de uithuisplaatsing van twee kinderen, acht de rechtbank het niet aannemelijk dat een ander dan de verdachte de benodigde gegevens heeft gedeeld met [naam medeverdachte] , die op zijn beurt de tekstberichten heeft verzonden en het briefje in de brievenbus van aangeefster heeft gestopt. Daar komt nog bij dat de verdachte - in tegenstelling tot [naam medeverdachte] - aangeefster kende en alle belang had bij de gedane uitlatingen, namelijk dat de beslissing tot uithuisplaatsing van zijn twee kinderen zou worden teruggedraaid.

Is er sprake van opzet op de bedreiging?

De verdediging heeft betoogd dat de enkele omstandigheid dat de verdachte gegevens van aangeefster ter beschikking heeft gesteld aan [naam medeverdachte] onvoldoende bewijs oplevert van opzet van de verdachte op de bedreiging. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

Gelet op de inhoud van de berichten, die over en weer naar elkaar verwijzen, de frequentie en intensiteit daarvan alsmede het doel van de gedane uitlatingen is naar het oordeel van de rechtbank het opzet van de verdachte op de bedreiging gegeven. Dat het opzet (daadwerkelijk) gericht is op het bedreigen van aangeefster wordt nog eens onderschreven door een afgeluisterd telefoongesprek van 12 juli 2019 tussen de vriendin van de verdachte en zijn moeder, welk gesprek in een proces-verbaal van bevindingen door de verbalisanten is samengevat. Uit dit gesprek blijkt dat de verdachte er geen spijt van heeft dat hij [naam slachtoffer] heeft bedreigd en dat dit het stomste is wat hij heeft gedaan. Hoewel het dossier geen volledige uitwerking van dit telefoongesprek bevat, heeft de rechtbank geen reden om te twijfelen aan het op ambtsedig opgemaakt proces-verbaal en acht dit daarom bruikbaar voor het bewijs.

Is er sprake van een strafbare bedreiging?

Anders dan de verdediging overweegt de rechtbank dat zelfs uitlatingen die op zichzelf beschouwd niet als bedreigend kunnen worden aangeduid, dat karakter wel kunnen krijgen op grond van de context waarin die uitlatingen zijn gebezigd. Daarom plaatst de rechtbank de ten laste gelegde bewoordingen en de daarbij behorende foto’s tegen de achtergrond van de op dat moment bij de verdachte heersende boosheid over de uithuisplaatsing van zijn kinderen en de bemoeienis van aangeefster daarmee. De verzonden berichten en het geschreven briefje in onderlinge samenhang en tegen deze achtergrond bezien, hebben naar hun betekenis een onmiskenbaar bedreigende strekking om de beslissing tot uithuisplaatsing van de kinderen terug te draaien. Daarmee is de rechtbank van oordeel dat bij aangeefster en haar gezin de redelijke vrees kon ontstaan dat zij het leven zouden laten of in elk geval zwaar lichamelijk letsel zouden oplopen, indien zij geen oplossing zouden vinden voor de ontstane situatie in het leven van de verdachte.

Anders dan de raadsman is de rechtbank, gezien de inhoud van het bericht van 1 juni 2019 alsmede de datum van verzending, van oordeel dat de verdachte heeft gewild dat het bericht aangeefster zou bereiken. Dat aangeefster pas op 15 juli 2019, zo blijkt uit een nader verhoor van aangeefster, kennis heeft genomen van het bericht doordat de politie dit aan haar heeft laten zien, leidt niet tot het oordeel dat er geen sprake is van een strafbare bedreiging als bedoeld in artikel 285 Sr. De rechtbank verwerpt het verweer.

Is er sprake van medeplegen?

Voor medeplegen is vereist dat sprake is van een bewuste en nauwe samenwerking. Nauwe samenwerking betekent niet dat de medeplegers een gelijk aandeel moeten hebben in de uitvoering van het delict. Het gaat erom dat sprake is van een zekere onderlinge gelijkwaardigheid. De verdachte was de initiator en het intellectuele brein achter de bedreiging. Hij kende aangeefster en zijn doel bij het verzenden van de berichten en het geschreven briefje was om aangeefster zodanig onder druk te zetten en te bedreigen dat de beslissing tot uithuisplaatsing van zijn kinderen zou worden teruggedraaid. De verdachte heeft daartoe [naam medeverdachte] benaderd en hem de benodigde gegevens toegestuurd. [naam medeverdachte] heeft vervolgens concrete uitvoering gegeven aan het vooraf gemaakte plan om aangeefster te bedreigen door de berichten te verzenden en het briefje in de brievenbus te stoppen.

Gelet op de gedragingen van de verdachte en [naam medeverdachte] voor, tijdens en na de bedreiging, de daarbij gevolgde werkwijze, een en ander in onderling verband bezien, hebben de verdachte en [naam medeverdachte] met betrekking tot de bedreiging zodanig hecht en intensief samengewerkt dat zij beiden afzonderlijk als medepleger van de bedreiging dienen te worden aangemerkt.

4.1.3.

Conclusie

Bewezen is dat de verdachte zich samen met een ander schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde bedreiging.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan op die wijze dat:

hij op meer tijdstippen in de periode van 27 mei 2019 tot en met 15 juli 2019 te Rotterdam en Bergen op Zoom, tezamen en in vereniging met een ander, [naam slachtoffer] meermalen, schriftelijk en onder een bepaalde voorwaarde heeft bedreigdmet enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, immers heeft verdachte en zijn mededader die [naam slachtoffer] dreigend de volgende woorden toegevoegd, door

- die [naam slachtoffer] op 27 mei 2019 een bericht via de telefoon te sturen met als inhoud: " [naam persoon] , er kwam eind vorige weck via via een verhaal bij mij binnen over iemand waar ik veel zaken mee doe. Die schijn jij het leven lastig te maken. 2 kinderen uit huis geplaatst al. Hoop gesprekken geweest zonder resultaat. Bij deze wou melden dat we dit nu even in snel tempo gaan oplossen en ik geef je een termijn van 2 weken. Zo niet heb je een probleem

met mij en mijn mensen hebben ook niet stil gezeten. Snel oplossen dus!!! Voor iedereen het best lijkt mij. 2 kinderen heb je zelf dan hoef ik jou niet uit te leggen hoe het is. Goed nadenken dat weet je wel waar ik over praat fijne dag en denk niet te lang na. Ik ben namelijk vrij ongeduldig." en hierbij een foto toe te voegen waarop de voordeur en het naambordje van de woning van die [naam slachtoffer] te zien is, en

- op 30 mei 2019 een geschreven briefje door de brievenbus van de woning van die [naam slachtoffer] te doen, met als inhoud: "Ik heb je termijn van 2 weken gegeven die is nu verstreken ook geen antwoord gekregen. Ik verwacht antwoord mijn geduld is snel op en dan blijf ik niet meer netjes. Aan jou de keus! Dan gaan er andere maatregelen getroffen worden!!" en

- op 1 juni 2019 een Whatsapp-bericht via de telefoon te sturen met als inhoud: "Ey kk hoer ga je nog reageren??! zo niet heb je een probleem geloof me al moeten ze elke dag voor je dèur wachten we pakken je. Eerste week voorbij nog 1 te gaan denk na dit grapje komt je duur te staan. Wij gaan voor niemand aan de kant en niemand praat. Je mag politie bellen maar je gaat er aan dan".

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

(primair)

medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, terwijl deze bedreiging schriftelijk en onder een bepaalde voorwaarde geschiedt, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit is dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straf en maatregel

7.1.

Algemene overweging

De straf en maatregel die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feit waarop de straf en maatregel is gebaseerd

De verdachte heeft samen met zijn mededader in een relatief korte periode van ruim een maand op verschillende tijdstippen een medewerker van Jeugdbescherming, die betrokken was bij de uithuisplaatsing van zijn twee kinderen, bedreigd met de dood en/of zware mishandeling. Deze bedreigingen zijn schriftelijk - onder meer door het versturen van berichten naar de werktelefoon van het slachtoffer en door een geschreven briefje door de brievenbus van de woning van het slachtoffer te doen - en onder een bepaalde voorwaarde geschied, namelijk het terugdraaien van de beslissing om zijn twee kinderen uit huis te plaatsen. Hoewel de rechtbank zich de gevoelens van onmacht van de verdachte over de uithuisplaatsing van zijn twee kinderen kan voorstellen, rechtvaardigt dit op geen enkele wijze deze gedragingen. Het zijn ernstige en vervelende feiten, mede gelet op het feit dat de bedreigingen gericht waren tegen een medewerker van de Jeugdbescherming die een publieke taak uitoefent en daarbij extra bescherming verdient en net als een ieder ander veilig haar werk moet kunnen doen. De verdachte en zijn mededader zijn hiermee duidelijk de grens van het toelaatbare overgegaan.

Het behoeft geen betoog dat het handelen van de verdachte en zijn mededader, in het bijzonder gelet op de intensiteit en indringendheid van de berichten en het briefje en het feit dat zij moeite hebben genomen te achterhalen waar het slachtoffer woonachtig is en ter plaatse een foto hebben genomen, enorme impact op het leven van het slachtoffer en haar gezin heeft gehad en voor veel overlast, spanning en gevoelens van angst hebben gezorgd. Dat de gedragingen van de verdachte en zijn mededader een onbeschrijfelijk diepe inbreuk hebben gemaakt op de persoonlijke levenssfeer en de bewegingsvrijheid van het slachtoffer en haar gezin blijkt alleen al uit de omstandigheid dat zij halsoverkop en noodgedwongen ruim vier weken op een onderduikadres hebben verbleven vanwege de bedreigende berichten. Ook in de samenleving zorgen dergelijke feiten voor gevoelens van angst, onrust en onveiligheid en worden zij afgekeurd. De verdachte en zijn mededader hebben zich daaromtrent echter op geen enkele wijze bekommerd. De rechtbank neemt dit alles de verdachte ernstig kwalijk.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 9 januari 2020, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.3.2.

Rapportage

Reclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 12 september 2019. Uit dit rapport komt – kort samengevat – naar voren dat sprake lijkt te zijn van problematisch middelengebruik wat ervoor zorgt de de verdachte met justitie in aanraking komt. De reclassering adviseert een ambulante behandeling bij de forensische polikliniek van Antes. Binnen deze behandeling kan het middelengebruik van de verdachte goed in kaart worden gebracht en een passende behandeling worden opgestart. Hierbij is het van belang dat de verdachte gemotiveerd is voor een dergelijk traject. Zonder motivatie is het traject gedoemd om te mislukken. De reclassering heeft niet kunnen nagaan of de verdachte open staat voor een dergelijk traject.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

De rechtbank is, gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde feit, in samenhang bezien met het hiervoor overwogene, van oordeel dat aan de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats is. Een lichtere strafrechtelijke afdoening, zoals gevorderd door de officier van justitie, doet naar het oordeel van de rechtbank namelijk onvoldoende recht aan de ernst van het bewezenverklaarde. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf houdt de rechtbank in strafverzwarende zin rekening met de impact, intensiteit en de gevolgen die het handelen van de verdachte en zijn mededader voor het slachtoffer en haar familie hebben gehad en nog altijd hebben. Ook weegt de rechtbank als strafverzwarende omstandigheid mee dat het slachtoffer in korte tijd drie keer schriftelijk is bedreigd, waarbij een bepaalde voorwaarde aan het slachtoffer werd gesteld. Daarnaast wordt in aanmerking genomen dat de bedreiging op heel geraffineerde en planmatige wijze is gepleegd, waarbij de verdachte intensief heeft samengewerkt met zijn mededader. Tenslotte houdt de rechtbank in het nadeel van de verdachte rekening met zijn proceshouding. Hij heeft op geen enkele wijze blijk gegeven van inzicht in het verwijtbare van zijn handelen. De verdachte neemt geen enkele verantwoordelijkheid en dit leidt er toe dat de rechtbank niet uitsluit dat de verdachte in de toekomst opnieuw lichtzinnig tot dergelijk strafbaar handelen zal kunnen overgaan.

De rechtbank ziet aanleiding een deel van de voorgenomen gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen. Dit voorwaardelijk strafdeel dient ertoe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. De rechtbank ziet geen meerwaarde in het opleggen van bijzondere voorwaarden, nu de rechtbank ter terechtzitting heeft geconstateerd dat de verdachte onvoldoende gemotiveerd is om een verplichte behandeling te ondergaan.

Vrijheidsbeperkende maatregel

Ter voorkoming van strafbare feiten, daarbij rekening houdend met de reële kans op herhaling in combinatie bezien met de houding van de verdachte met betrekking tot het bewezenverklaarde feit, wordt aan de verdachte eveneens de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van 3 jaren opgelegd, inhoudende een contactverbod met het slachtoffer en een locatieverbod met betrekking tot het woonadres van het slachtoffer. Voor het geval dat de verdachte zich niet aan het contactverbod houdt, zal de rechtbank vervangende hechtenis bepalen voor de duur van 2 (twee) weken per overtreding, met een maximum van 6 (zes) maanden.

Nu er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte zich opnieuw belastend zal gedragen jegens het slachtoffer, wordt bevolen dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf en maatregel passend en geboden.

8. Vorderingen benadeelde partijen / schadevergoedingsmaatregel

8.1.

Vorderingen benadeelde partijen

[naam benadeelde 1] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd ter zake van het ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een schadevergoeding van in totaal € 7.510,27, bestaande uit € 2.510,27 aan materiële schade en een vergoeding van € 5.000,- aan immateriële schade.

[naam benadeelde 2] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd ter zake van het ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een schadevergoeding van € 762,72 aan materiële schade.

8.2.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot gehele toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

8.3.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard, gelet op de bepleite vrijspraak.

Voor zover de vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde 1] ziet op de materiële schadepost ‘kinderopvang’ is verzocht deze af te wijzen nu deze kosten zonder het onderhavige delict ook betaald hadden moeten worden. Met betrekking tot de overige gevorderde materiële schade heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Wat betreft de gevorderde immateriële schade heeft de verdediging verzocht dit bedrag af te wijzen dan wel te matigen tot een bedrag van € 400,- waarmee aansluiting wordt gezocht bij een vergelijkbare zaak van deze rechtbank.

8.4.

Beoordeling

8.4.1

Benadeelde partij [naam benadeelde 1]

Materiële schade

Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het primair bewezenverklaarde feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht.

Voor zover de vordering betrekking heeft op de gevorderde schadeposten ‘beveiligingskosten / camerabewakingssysteem’ (ad € 2.185,87) en ‘reiskosten’ (ad € 31,02) zullen deze in zijn geheel worden toegewezen, nu de schade niet door de verdediging is betwist en bovendien genoegzaam is onderbouwd en niet onredelijk voorkomt. Wat betreft het overige deel van de vordering van de benadeelde partij dat betrekking heeft op de schadepost ‘kinderopvang’ (ad € 293,38) overweegt de rechtbank, onder verwijzing naar vaste jurisprudentie1, dat deze vermogensschade (de waarde van het gemiste voordeel) op de voet van artikel 6:98 van het Burgerlijk Wetboek voor vergoeding in aanmerking komt. Gebleken is immers dat de benadeelde partij kosten voor de kinderopvang heeft moeten maken en dat deze kosten hun doel hebben gemist doordat haar kinderen als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte haar kinderen niet naar de buitenschoolse opvang zijn gegaan.

Immateriële schade

Verder is vast komen te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Bij het bepalen van de omvang van de schade heeft de rechtbank rekening gehouden met het gegeven dat het handelen van de verdachte, zoals hiervoor is overwogen, diep heeft ingegrepen in het leven van de benadeelde en haar gezin. De benadeelde partij heeft voldoende concrete gegevens aangevoerd waaruit blijkt dat bij haar als gevolg van het strafbare feit psychisch leed is ontstaan, waarvoor zij ook professionele hulp heeft gezocht. Verder heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de bedreigingen van zodanige aard waren dat de benadeelde partij met haar gezin genoodzaakt was om vanuit veiligheidsoverwegingen ruim een maand in een tijdelijk onderkomen te verblijven. De schade wordt op dit moment op basis van de thans gebleken feiten en omstandigheden en kijkend naar vergoedingen in vergelijkbare zaken naar maatstaven van billijkheid vastgesteld op € 2.500,-. De benadeelde partij wordt voor het overige niet-ontvankelijk verklaard. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De rechtbank zal de vordering toewijzen tot een bedrag van in totaal (€ 2.510,27 + € 2.500,- =) € 5.010,27

Hoofdelijke aansprakelijkheid

Nu de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding wordt toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededader de benadeelde partij betaalt, is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd.

Wettelijke rente

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 15 juli 2019.

Nu de vordering van de benadeelde partij (gedeeltelijk) wordt toegewezen, wordt de verdachte veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt tot op heden begroot op nihil.

8.4.2

Benadeelde partij [naam benadeelde 2]

De rechtbank acht de gevorderde vergoeding voor de opgenomen verlofuren ad € 762,72 toewijsbaar. Uit het schadeonderbouwingsformulier en het daarbij gevoegde urenoverzicht van de werkgever van de benadeelde blijkt immers genoegzaam dat de opgenomen uren verband houden met de gevolgen van de bewezenverklaarde bedreigingen aan het adres van zijn vrouw en hun hele gezin en de benadeelde deze verlofuren niet meer op een moment van eigen keuze kan inzetten. Daarnaast komt het gevorderde bedrag de rechtbank niet onredelijk voor.

Hoofdelijke aansprakelijkheid

Nu de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding wordt toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededader de benadeelde partij betaalt, is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd.

Wettelijke rente

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 15 juli 2019.

Nu de vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen, wordt de verdachte veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt tot op heden begroot op nihil.

8.5.

Conclusie

8.5.1

Benadeelde partij [naam benadeelde 1]

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 5.010,27, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.

Daarnaast wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

8.5.2

Benadeelde partij [naam benadeelde 2]

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 762,72, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.

Daarnaast wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 47, 57, 63 en 285 van het Wetboek van Strafrecht.

10 . Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11. Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 3 (drie) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op 3 jaar, na te melden voorwaarde overtreedt;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

stelt als algemene voorwaarde:

- de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

legt de veroordeelde op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de

duur van 3 (drie) jaren, inhoudende dat de veroordeelde wordt bevolen:

1. zich niet op te houden in de onmiddelijke omgeving van het woonadres van aangeefster [naam slachtoffer] (geboren op [geboortedatum slachtoffer] ), gedurende de proeftijd;

2. zich te onthouden van direct of indirect contact met die [naam slachtoffer] , gedurende de proeftijd;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde niet aan de maatregel voldoet, vervangende hechtenis zal worden toegepast;

bepaalt dat voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 2 (twee) weken, met een totale duur van ten hoogste zes maanden;

beveelt dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte, die bij eerdere beslissing is geschorst;

vordering benadeelde partij [naam benadeelde 1]

veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededader, inhoudende dat betaling door de een de ander zal zijn bevrijd, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde 1] , te betalen een bedrag van € 5.010,27 (zegge: vijfduizendentien euro en zevenentwintig eurocent), bestaande uit € 2.510,27 aan materiële schade en

€ 2.500,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 15 juli 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 5.010,27 (hoofdsom, zegge: vijfduizendentien euro en zevenentwintig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 juli 2019 tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom te vervangen door 60 dagen gijzeling. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, waaronder begrepen betaling door zijn mededader, tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

vordering benadeelde partij [naam benadeelde 2]

veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededader, inhoudende dat betaling door de een de ander zal zijn bevrijd, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde 2] , te betalen een bedrag van € 762,72 (zegge: zevenhonderdtweeënzestig euro en tweeënzeventig eurocent), bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 15 juli 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 762,72 (hoofdsom, zegge: zevenhonderdtweeënzestig euro en tweeënzeventig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 juli 2019 tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom te vervangen door 15 dagen gijzeling. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, waaronder begrepen betaling door zijn mededader, tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. N. Doorduijn, voorzitter,

en mrs. G.M. Munnichs en J.H.J. Verbaan, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.M.M. van den Hoek, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De oudste rechter, de jongste rechter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat:

hij op één of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 27 mei 2019 tot en met 15 juli 2019 te Rotterdam en/of Bergen op Zoom, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [naam slachtoffer] (telkens) meermalen, althans eenmaal, schriftelijk en onder een bepaalde voorwaarde heeft bedreigd, althans heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, immers heeft verdachte en/of zijn mededader(s) die [naam slachtoffer] dreigend de volgende woorden toegevoegd, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking door

- die [naam slachtoffer] op 27 mei 2019 een bericht via de telefoon te sturen met als inhoud: " [naam persoon] , er kwam eind vorige weck via via een verhaal bij mij binnen over iemand waar ik veel zaken mee doe. Die schijn jij het leven lastig te maken. 2 kinderen uit huis geplaatst al. Hoop gesprekken geweest zonder resultaat. Bij deze wou melden dat we dit nu even in snel tempo gaan oplossen en ik geef je een termijn van 2 weken. Zo niet heb je een probleem

met mij en mijn mensen hebben ook niet stil gezeten. Snel oplossen dus!!! Voor iedereen het best lijkt mij. 2 kinderen heb je zelf dan hoef ik jou niet uit te leggen hoe het is. Goed nadenken dat weet je wel waar ik over praat fijne dag en denk niet te lang na. Ik ben namelijk vrij ongeduldig." en/of hierbij een foto toe te voegen waarop de voordeur en/of het naambordje van de woning van die [naam slachtoffer] te zien is, en/of

- op 30 mei 2019 een geschreven briefje door de brievenbus van de woning van die [naam slachtoffer] te doen, met als inhoud: "Ik heb je termijn van 2 weken gegeven die is nu verstreken ook geen antwoord gekregen. Ik verwacht antwoord mijn geduld is snel op en dan blijf ik niet meer netjes. Aan jou de keus! Dan gaan er andere maatregelen getroffen worden!!" en/of

- op 1 juni 2019 een whatsapp bericht via de telefoon te sturen met als inhoud: "Ey kk hoer ga je nog reageren??! zo niet heb je een probleem geloof me al moeten ze elke dag voor je dèur wachten we pakken je. Eerste week voorbij nog 1 te gaan denk na dit grapje komt je duur te staan. Wij gaan voor niemand aan de kant en niemand praat. Je mag politie bellen maar je gaat er aan dan";

subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[naam medeverdachte] en/of één of meer ander(e) perso(o)n(en) op één of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 27 mei 2019 tot en met 15 juli 2019 te Rotterdam en/of Bergen op Zoom, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [naam slachtoffer] (telkens) meermalen, althans eenmaal, schriftelijk en onder een bepaalde voorwaarde heeft bedreigd, althans heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,immers heeft verdachte en/of zijn mededader(s) die [naam slachtoffer] dreigend de volgende woorden toegevoegd, althans

woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking door

- die [naam slachtoffer] op 27 mei 2019 een bericht via de telefoon te sturen met als inhoud: " [naam persoon] , er kwam eind vorige weck via via een verhaal bij mij binnen over iemand waar ik veel zaken mee doe. Die schijn jij het leven lastig te maken. 2 kinderen uit huis geplaatst al. Hoop gesprekken geweest zonder resultaat. Bij deze wou melden dat we dit nu even in snel tempo gaan oplossen en ik geef je een termijn van 2 weken. Zo niet heb je een probleem

met mij en mijn mensen hebben ook niet stil gezeten. Snel oplossen dus!!! Voor iedereen het best lijkt mij. 2 kinderen heb je zelf dan hoef ik jou niet uit te leggen hoe het is. Goed nadenken dat weet je wel waar ik over praat fijne dag en denk niet te lang na. Ik ben namelijk vrij ongeduldig." en/of hierbij een foto toe te voegen waarop de voordeur en/of het naambordje van de woning van die [naam slachtoffer] te zien is, en/of

- op 30 mei 2019 een geschreven briefje door de brievenbus van de woning van die [naam slachtoffer] te doen, met als inhoud: "Ik heb je termijn van 2 weken gegeven die is nu verstreken ook geen antwoord gekregen. Ik verwacht antwoord mijn geduld is snel op en dan blijf ik niet meer netjes. Aan jou de keus! Dan gaan er andere maatregelen getroffen worden!!" en/of

- op 1 juni 2019 een whatsapp bericht via de telefoon tc sturen met als inhoud: "Ey kk hoer ga je nog reageren??! zo niet heb je een probleem geloof me al moeten ze elke dag voor je deur wachten we pakken je. Eerste week voorbij nog 1 te gaan denk na dit grapje komt je duur te staan. Wij gaan voor niemand aan de kant en niemand praat. Je mag politie bellen maar je gaat er aan dan."

welk strafbaar feit hij, verdachte, op één of meer tijdstip(pen) gelegen in de periode van 27 mei 2019 tot en met 15 juli 2019 te Rotterdam en/of Bergen op Zoom, althans in Nederland, opzettelijk heeft uitgelokt door giften en/of beloften en/of door het verschaffen van inlichtingen en/of middelen, te weten door die [naam medeverdachte] (onder meer) inlichtingen te verschaffen over het bestaan van het geschil tussen verdachte en [naam slachtoffer] werkzaam bij Jeugdbescherming Rotterdam-Rijnmond en/of die [naam medeverdachte] (daarbij) inlichtingen te verschaffen over het woonadres en/of telefoonnummer en/of gezinsleden van die [naam slachtoffer] en/of die [naam medeverdachte] een mobiele telefoon en/of geld te verschaffen.

1 Vgl. ECLI:NL:HR:2005:AR6460.