Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:3515

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
22-04-2020
Datum publicatie
23-04-2020
Zaaknummer
572652 HA ZA 19-375
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Franchisenemer pizzazaak verkoopt zaak aan beoogd nieuwe franchisenemer. Die neemt uiteindelijk niet af. Verkoper vordert contractuele boete. Geen sprake van bedrog/dwaling/niet nakoming door verkoper. Boete toegewezen. Geen matiging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/572652 / HA ZA 19-375

Vonnis van 22 april 2020

in de zaak van

[eiser 1] ,

wonende te [woonplaats eiser] ,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. M.C. Franken-Schoemaker te Houten,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats gedaagde] ,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. A.H.F. Beiboer te Rotterdam.

Partijen zullen hierna “ [eiser 1] ” en “ [gedaagde] ” genoemd worden.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    dagvaarding van 10 april 2019;

  • -

    de conclusie van antwoord, tevens conclusie van eis in reconventie;

  • -

    de brief van de griffie van 21 augustus 2019 waarin een comparitie van partijen is bepaald;

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 30 oktober 2019;

  • -

    de brief van mr. Beiboer van 14 februari 2020 naar aanleiding van het proces-verbaal;

  • -

    de brief van mr. Franken-Schoenmaker van 18 februari 2020 naar aanleiding van het proces-verbaal;

  • -

    de overgelegde producties.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1.

[eiser 1] exploiteert als franchisenemer diverse vestigingen van [naam pizzazaak] . Begin 2018 is [eiser 1] met [gedaagde] in onderhandeling getreden over de verkoop van twee van zijn vestigingen, te weten de vestiging aan de [adres 1] in Breda (hierna: Breda 1) en de vestiging aan de [adres 2] in Breda (hierna: Breda 2). [gedaagde] exploiteerde een kinderspeelparadijs. [eiser 1] en [gedaagde] hebben op 1 april 2018 Breda 1 en het kinderspeelparadijs met elkaar geruild, zonder bijbetaling.

2.2.

Ten aanzien van Breda 2 hebben partijen op 1 maart 2018 een koopovereenkomst (hierna: de overeenkomst) gesloten met daarin, voor zover relevant, het volgende:

ARTIKEL 1 Eigendomsoverdracht

1.1.

De overdracht van het verkochte zal plaatsvinden op afgesproken datum, te weten: 1-10-2018 voor de onderneming [naam onderneming] . Met een maximale uitloop van 1 kalendermaand, te weten: 1-11-2018.

[…]

ARTIKEL 2 Koopsom

2.1

De betaling van de koopsom voor onderneming [naam onderneming] , zijnde € 200.000,- (zegge; tweehonderd duizend euro), vindt plaats op de datum 1-10-2018 met een maximale uitloop van 1 kalendermaand, te weten: 1-11-2018

[…]

ARTIKEL 3 Staat eigenschappen en roerende zaken

[…]

3.4

Verkoper verklaart er voor zorg te dragen dat het verkochte volgens de gebruikelijke wijze wordt geëxploiteerd tot op de dag van eigendomsoverdracht.

ARTIKEL 9 Ingebrekestelling en ontbinding

Indien koper, na ingebreke te zijn gesteld, gedurende acht dagen nalatig blijft in de nakoming van zijn uit deze overeenkomst voortvloeiende verplichtingen ten aanzien van het voldoen van de koopprijs, zal deze overeenkomst van rechtswege zonder rechterlijke tussenkomst ontbonden zijn, tenzij de verkoper alsnog uitvoering van de overeenkomst verlangt. In beide gevallen zal de koper ten behoeve van de verkoper een zonder ingebrekestelling of rechterlijke tussenkomst terstond opeisbare boete van 15% van de totale koopsom (derhalve € 30.000,--) verbeuren, onverminderd het recht op verdere schadevergoeding.

[…]

ARTIKEL 10 Ontbindende/opschortende voorwaarde(n)

Met uitzondering van financiering van het verkochte door koper als ontbindende voorwaarde, is er geen sprake van enige andere dan in artikel 8 omschreven, ontbindende dan wel opschortende voorwaarde. Op ontbinding van de overeenkomst in verband met het niet verkrijgen van financiering kan koper zicht pas beroepen nadat minimaal 2 gerenommeerde bankinstellingen de financiering hebben afgekeurd (met overlegging van een schriftelijke motivatie van de bankinstellingen). In deze situatie zal de koper ten behoeve van de verkoper een zonder ingebrekestelling of rechterlijke tussenkomst terstond opeisbare boete van 15% van de koopsom (derhalve € 30.000,-) verbeuren, onverminderd het recht op verdere schadevergoeding.

[…]

ARTIKEL 17 Aanvullende afspraken

Aanvullende/opschortende voorwaarden:

Deze overeenkomst wordt ontbonden indienen de volgende punten niet succesvol zijn afgerond;

Financiering;

Getekend franchisecontract;

Getekend huurcontract;

Getekende overeenkomst overige afspraken met [naam pizzazaak] ;

Behalen training;

Verbouwing Breda 1 naar nieuwe stijl binnen 6 maanden na overname van Breda 1 door koper;

[…]”

2.3.

[gedaagde] heeft [eiser 1] bij e-mail van 31 juli 2018 geschreven dat hij heeft vernomen dat de omzet terugloopt en dat hij daarom vindt dat de verkoopprijs niet meer reëel is en dat hij denkt “dat een bank dat ook gaat vinden”.

2.4.

[eiser 1] heeft [gedaagde] op 1 augustus 2018 per e-mail geantwoord dat er geen sprake is van een daling van de omzet en dat hij [gedaagde] aan de overeenkomst houdt.

2.5.

[eiser 1] en [gedaagde] hebben, samen met de directie van [naam pizzazaak] , gesprekken gevoerd. [eiser 1] heeft [gedaagde] bij e-mail van 25 september 2018 aangeboden de koopsom te financieren tot 1 januari 2020.

2.6.

[gedaagde] heeft bij e-mail van 28 september 2018 het volgende geantwoord:

“[…] Voor alsnog kan ik op dit moment niet ingaan op hetgeen geboden wordt, dit betreur ik zeer.

Bij deze wil ik dan ook gebruik maken van art. 1.1 van de koopovereenkomst om de transactie in ieder geval uit te stellen naar 1 November 2018, mede vanwege gedane voorstellen en deze goed te overwegen, en zoals net aangegeven door [naam persoon] jullie allen mijn mening en gevoel juist op papier te zetten.”

2.7.

[eiser 1] heeft [gedaagde] op 30 september 2018 een e-mail gestuurd waarin hij in aanvulling op zijn eerdere voorstel van 25 september 2018 een marketingbudget van
€ 5.000,- aan [gedaagde] aanbiedt.

2.8.

[gedaagde] heeft [eiser 1] op 4 oktober 2018 een brief gestuurd waarin hij de overeenkomst ontbindt op grond van schending van artikel 3.4 van de overeenkomst. Ook vernietigt [gedaagde] de overeenkomst voorwaardelijk wegens dwaling/bedrog, voor het geval de omzet opgepoetst blijkt te zijn bij de verkoop. Tot slot beroept [gedaagde] zich op artikel 17 van de overeenkomst, aangezien de verbouwing van Breda 1 niet succesvol is afgerond binnen zes maanden na overname en omdat [gedaagde] op basis van de door [eiser 1] aangeleverde cijfers geen financiering heeft kunnen krijgen bij de Rabobank en de ING.

2.9.

[eiser 1] heeft [gedaagde] bij e-mail van 11 oktober 2018 gesommeerd om Breda 2 binnen acht dagen af te nemen en de verschuldigde koopprijs te voldoen.

3. Het geschil in conventie

3.1.

[eiser 1] heeft, na vermindering van eis tijdens de comparitie van partijen van 30 oktober 2019, gevorderd om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,

primair:

- [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan [eiser 1] van de boete van € 30.000,- op grond van artikel 9 van de overeenkomst, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente, althans de wettelijke rente, vanaf de opeisbaarheid van de vordering;

subsidiair:

- [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan [eiser 1] van de boete van € 30.000,- op grond van artikel 10 van de overeenkomst, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente, althans de wettelijke rente, vanaf de opeisbaarheid van de vordering;

primair en subsidiair:

  • -

    de proceskosten, inclusief nakosten, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf de opeisbaarheid van de vorderingen;

  • -

    de beslagkosten, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf de opeisbaarheid van de vorderingen;

  • -

    € 1.075,- aan buitengerechtelijke kosten.

3.2.

[eiser 1] heeft zijn vordering gebaseerd op nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomst. [eiser 1] heeft gesteld dat [gedaagde] op grond van deze overeenkomst gehouden was Breda 2 af te nemen tegen betaling van de koopprijs van € 200.000,-. Aangezien [gedaagde] Breda 2 niet heeft afgenomen binnen acht dagen na de sommatie van [eiser 1] van
11 oktober 2018, is [gedaagde] op grond van artikel 9 van de overeenkomst de boete van
€ 30.000,- verschuldigd, aldus [eiser 1] . Subsidiair heeft [eiser 1] gesteld dat voor zover [gedaagde] aan het formele vereiste van het financieringsvoorbehoud zou hebben voldaan, hij op grond van artikel 10 van de koopovereenkomst ook een boete van € 30.000,- verschuldigd is.

3.3.

[gedaagde] heeft verweer gevoerd en tot afwijzing van de vorderingen geconcludeerd.

3.4.

Op de stellingen van partijen zal hierna worden ingegaan.

4. Het geschil in reconventie

4.1.

[eiser 2] heeft gevorderd:

  • -

    voor recht te verklaren dat [verweerder] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser 2] en uit dien hoofdelijk aansprakelijk is voor de schade die [eiser 2] heeft geleden;

  • -

    [verweerder] te veroordelen tot vergoeding van de schade die [eiser 2] heeft geleden vanwege het onrechtmatig handelen van [verweerder] en de schade primair in goede justitie vast te stellen en subsidiair nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

4.2.

[eiser 2] heeft gesteld dat [verweerder] hem heeft bewogen de overeenkomst te sluiten op grond van valse voorwendselen en dat sprake is van dwaling en bedrog. Deze gedragingen hebben te gelden als strijdig met datgene wat volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, aldus [eiser 2] . [eiser 2] heeft gesteld hierdoor schade te lijden.

4.3.

[verweerder] heeft verweer gevoerd en tot afwijzing van de vorderingen geconcludeerd.

4.4.

Op de stellingen van partijen zal hierna worden ingegaan.

5. De beoordeling

in conventie

Ontbinding en boete

5.1.

[eiser 1] heeft zijn vordering primair gebaseerd op artikel 9 van de overeenkomst. Vast staat dat [gedaagde] Breda 2 niet heeft afgenomen op de (uiterste) overeengekomen datum en ook niet binnen acht dagen na de ingebrekestelling door [eiser 1] , zodat [gedaagde] op grond van artikel 9 van de overeenkomst in beginsel de boete van € 30.000,- aan [eiser 1] is verschuldigd.

5.2.

[gedaagde] heeft tijdens de zitting van 30 oktober 2019 verklaard dat hij zich primair op het standpunt stelt dat de financiering niet is rondgekomen. In combinatie met hetgeen hij in zijn conclusie van antwoord heeft aangevoerd, wordt hieruit afgeleid dat [gedaagde] zich er primair op beroept dat hij gerechtigd was de koopovereenkomst te ontbinden op grond van artikel 17 van de koopovereenkomst en dat hij geen boete aan [eiser 1] is verschuldigd.

5.3.

Zowel uit artikel 10 als uit artikel 17 van de koopovereenkomst kan worden afgeleid dat partijen zijn overeengekomen dat [gedaagde] de overeenkomst mocht ontbinden als hij de financiering van de overname van Breda 2 niet rond zou krijgen. Artikel 10 bepaalt dat [gedaagde] hier pas een beroep op kan doen als twee “gerenommeerde bankinstellingen” de financiering hebben afgekeurd. Met de overlegging van de e-mail van de Rabobank van
3 oktober 2018 (productie 4 bij dagvaarding) en de e-mail van de ING van 9 juli 2019 (productie 5 bij dagvaarding) heeft [gedaagde] dit voldoende aangetoond. Dit betekent dat [gedaagde] gerechtigd was om de koopovereenkomst te ontbinden en dat het beroep van [eiser 1] op artikel 9 van de overeenkomst niet opgaat.

5.4.

De vraag die vervolgens moet worden beantwoord is of [gedaagde] de contractuele boete die is opgenomen in artikel 10 van de koopovereenkomst aan [eiser 1] is verschuldigd vanwege de ontbinding van de overeenkomst.

5.5.

Artikel 10 bepaalt dat de koper, [gedaagde] dus, een boete van 15% van de koopsom (€ 30.000,-) aan [eiser 1] is verschuldigd als [gedaagde] de koopovereenkomst ontbindt wegens het niet kunnen verkrijgen van financiering. [gedaagde] heeft een beroep gedaan op artikel 17 van de koopovereenkomst. Alhoewel dit artikel begint met de zinsnede “Aanvullende / opschortende voorwaarden”, staat er onder meer dat de overeenkomst wordt ontbonden indien de financiering niet tot stand komt. [gedaagde] heeft aangevoerd dat artikel 10, waarin de boete is opgenomen, in strijd is met artikel 17 en dat partijen hebben bedoeld dat er in het geval dat er geen financiering zou worden verkregen, geen boete verschuldigd zou zijn. Dit standpunt wordt niet gevolgd. Het enkele feit dat in artikel 17 niet nogmaals is opgenomen dat [gedaagde] een boete zou zijn verschuldigd als de overeenkomst zou worden ontbonden bij het niet verkrijgen van financiering, maakt niet dat de inhoud van dit artikel in strijd is met artikel 10. Ook kan hieruit niet worden afgeleid dat partijen hebben bedoeld dat [gedaagde] geen boete verschuldigd zou zijn als de financiering niet rond zou komen, in afwijking van hetgeen er uitdrukkelijk in artikel 10 was opgenomen. Ook zonder juridische bijstand moest het [gedaagde] duidelijk zijn dat hij met de ondertekening van de koopovereenkomst ook akkoord ging met het boetebeding van artikel 10. Andere feiten of omstandigheden waaruit zou kunnen worden afgeleid dat partijen de bedoeling hadden geen boete te verbinden aan ontbinding van de koopovereenkomst bij het niet verkrijgen van financiering, heeft [gedaagde] niet aangevoerd, zodat zijn verweer op dit punt wordt verworpen.

Dwaling?

5.6.

[gedaagde] heeft een beroep gedaan op vernietiging van de overeenkomst wegens dwaling. [gedaagde] heeft hiervoor aangevoerd dat de omzetten van Breda 2 die [eiser 1] aan [gedaagde] heeft gepresenteerd niet realistisch waren en dat [eiser 1] deze heeft opgepoetst met als doel [gedaagde] de overeenkomst in zijn maag te splitsen. Met de enkele verwijzing naar (niet bijgevoegde) bijlagen bij de brief van 4 oktober 2018 en overzichten bij de e-mail van
28 november 2018 heeft [eiser 1] zijn verweer onvoldoende onderbouwd. Uit de bijlagen bij de e-mail van 28 november 2018 kan, zonder nadere toelichting, niet zonder meer worden afgeleid dat er sprake is van een omzetdaling van 40 tot 50%, zoals [gedaagde] heeft gesteld. Voor zover er al sprake is van een omzetdaling van een dergelijke omvang, wat [eiser 1] heeft betwist, dan heeft [gedaagde] onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit kan worden afgeleid dat [eiser 1] onjuiste en/of onvolledige mededelingen aan [gedaagde] heeft gedaan waardoor [gedaagde] bij zijn beslissing om Breda 2 te kopen voor € 200.000,- heeft gedwaald. Voor zover [gedaagde] zich op het standpunt stelt dat [eiser 1] hem een omzet van
€ 6.000,- per week heeft voorgehouden, wat [eiser 1] ook heeft betwist, heeft [gedaagde] dit niet nader onderbouwd. Het beroep op dwaling slaagt dan ook niet.

Bedrog?

5.7.

Hetzelfde geldt voor het verweer van [gedaagde] dat sprake is van bedrog. Zoals hiervoor al overwogen, heeft [gedaagde] onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd ter onderbouwing van zijn stelling dat [eiser 1] de cijfers doelbewust heeft opgepoetst. Voor zover de omzetten van Breda 2 na het ondertekenen van de overeenkomst zijn gedaald, wat [eiser 1] heeft betwist, is dit onvoldoende om vast te kunnen stellen dat [eiser 1] opzettelijk onjuiste mededelingen aan [gedaagde] heeft gedaan of relevante feiten over Breda 2 heeft verzwegen met als doel [gedaagde] te bewegen de overeenkomst aan te gaan.

Tekortkoming?

5.8.

[gedaagde] heeft verder aangevoerd dat [eiser 1] tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen, meer in het bijzonder van zijn verplichting uit artikel 3.4 van de overeenkomst om Breda 2 volgens de gebruikelijke wijze te exploiteren tot de dag van de eigendomsoverdracht. Ook hier geldt weer dat [gedaagde] het nodige stelt, maar dit op geen enkele wijze onderbouwt. Gelet op de betwisting van [eiser 1] dat na het tekenen van de overeenkomst sprake was van mismanagement, had het op de weg van [gedaagde] gelegen om zijn stellingen op dit punt nader te onderbouwen. Het enkele feit dat er sprake zou zijn van een omzetdaling, wat [eiser 1] heeft betwist, is in ieder geval onvoldoende. Ook dit deel van het verweer wordt daarom verworpen.

Overige voorwaarden artikel 17 van de overeenkomst

5.9.

[gedaagde] heeft meer subsidiair aangevoerd dat ook aan de overige voorwaarden van artikel 17 van de koopovereenkomst niet is voldaan, zodat hij tot ontbinding van de overeenkomst mocht overgaan. Aangezien al is vastgesteld dat [gedaagde] de overeenkomst mocht ontbinden wegens het niet kunnen verkrijgen van financiering, komt de rechtbank aan dit verweer niet meer toe. Ten overvloede wordt hierover nog overwogen dat op basis van de overgelegde stukken niet zonder meer kan worden vastgesteld dat [gedaagde] in redelijkheid een beroep zou kunnen doen op deze voorwaarden, die blijkbaar op last van de franchisegever in de overeenkomst zijn opgenomen. Contractspartijen moeten rekening houden met elkaars gerechtvaardigde belangen. Vooralsnog is onvoldoende uit de verf gekomen of [gedaagde] zich op een redelijke manier heeft opgesteld jegens de franchisegever en of hij zich voldoende heeft ingespannen om aan de voorwaarden van artikel 17 van de overeenkomst te voldoen, zodat hij zijn verplichtingen jegens [eiser 1] kon nakomen.

Matiging boete?

5.10.

[gedaagde] heeft subsidiair een beroep gedaan op matiging van de boete tot nihil op grond van artikel 6:94 BW. Matiging kan alleen aan de orde zijn als toepassing van het boetebeding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt. [gedaagde] heeft niet, althans onvoldoende onderbouwd dat hiervan sprake is. [gedaagde] is een ondernemer. Hij heeft niet betwist dat [eiser 1] met hem heeft gesproken over de boete en dat ook in de koopovereenkomst voor Breda 1 een boetebeding was opgenomen. [eiser 1] heeft tijdens de mondelinge behandeling van 30 oktober 2019 verklaard dat Breda 1 een dubbele omzet van Breda 2 had. Omdat [eiser 1] er belang bij had dat [gedaagde] beide vestigingen zou overnemen, niet alleen de vestiging met de hoogste omzet, is de boete voor het niet afnemen van Breda 2 verhoogd van 10% naar 15%, aldus [eiser 1] . Ook dit heeft [gedaagde] niet betwist. Hieruit wordt afgeleid dat [gedaagde] willens en wetens heeft ingestemd met het boetebeding zoals dat in artikel 10 is opgenomen. Voor zover [gedaagde] zich in het kader van zijn beroep op matiging op het standpunt stelt dat de omzet van Breda 2 na het tekenen van de koopovereenkomst door toedoen, althans nalaten van [eiser 1] sterk is teruggelopen, heeft [gedaagde] dit onvoldoende onderbouwd, zoals hiervoor al is overwogen.

5.11.

Dit betekent dat [gedaagde] onder de gegeven omstandigheden geen beroep kan doen op matiging, zodat hij de gehele overeengekomen boete van € 30.000,- aan [eiser 1] moet betalen. Aangezien deze boete is aan te merken als (gefixeerde) schadevergoeding, zal niet de wettelijke handelsrente over dit bedrag worden toegewezen, zoals gevorderd, maar de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, vanaf 20 oktober 2018.

Buitengerechtelijke en overige kosten

5.12.

[eiser 1] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke kosten van € 1.075,- komt overeen met het in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten bepaalde tarief en zal worden toegewezen. Ook voor dit bedrag geldt dat slechts de wettelijke rente toewijsbaar is en niet de wettelijke handelsrente, vanaf de dag van dagvaarding, 10 april 2019.

5.13.

[eiser 1] vordert [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in art. 706 Rv toewijsbaar. De beslagkosten worden begroot op € 1.088,24, zoals gevorderd.

5.14.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser 1] worden begroot op:

- dagvaarding € 101,06

- griffierecht 1.302,00

- salaris advocaat 1.390,00 (2 punten × tarief € 695,00)

Totaal € 2.793,06.

5.15.

De gevorderde nakosten zullen worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

in reconventie

5.16.

[eiser 2] heeft gesteld dat [verweerder] onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door hem te bewegen de koopovereenkomst te sluiten op grond van valse voorwendselen en dat hij hierdoor schade lijdt. [verweerder] heeft dit gemotiveerd betwist. Tegenover deze betwisting heeft [eiser 2] zijn stellingen dat [verweerder] voor de verkoop de cijfers “heeft opgepoetst” en dat hij Breda 2 na de verkoop niet zoals te doen gebruikelijk heeft geëxploiteerd onvoldoende onderbouwd. Bovendien heeft [eiser 2] weliswaar gesteld dat hij schade lijdt, maar heeft hij dit in het geheel niet geconcretiseerd. De vordering wordt dan ook afgewezen.

5.17.

[eiser 2] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Gelet op de verwevenheid met de vordering in conventie, zal een half punt aan salaris advocaat worden toegekend. De kosten aan de zijde van [verweerder] worden begroot op € 347,50 (1 punt x factor 0,5 x € tarief 695,00).

6. De beslissing

De rechtbank

in conventie

6.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser 1] te betalen een bedrag van € 31.075,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over een bedrag van
€ 30.000,- vanaf 20 oktober 2018 en over € 1.075,00 vanaf 10 april 2019 tot de dag van volledige betaling;

6.2.

veroordeelt [gedaagde] in de beslagkosten, tot op heden begroot op € 1.088,24, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

6.3.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser 1] tot op heden begroot op € 2.793,06, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

in reconventie

6.4.

wijst de vordering af;

6.5.

veroordeelt [eiser 2] in de proceskosten, aan de zijde van [verweerder] tot op heden begroot op € 347,50, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

in conventie en in reconventie

6.6.

veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

6.7.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad en wijst het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.R. Roukema en in het openbaar uitgesproken op

22 april 2020.

2474