Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:3510

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
01-04-2020
Datum publicatie
17-04-2020
Zaaknummer
C/10/578777 / HA ZA 19-676
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bedrijfsovername. Variabele overnamesom. Beroep op (oneigenlijke) dwaling, bedrog, intreden opschortende voorwaarde en misbruik van omstandigheden afgewezen. Reconventionele vordering op grond van wanprestatie (deels) toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OR-Updates.nl 2020-0212
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/578777 / HA ZA 19-676

Vonnis van 1 april 2020

in de zaak van

[eiser 1] ,

wonende te [woonplaats eiser 1] ,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. J. Pluis,

tegen

1. [gedaagde 1] ,

2. [gedaagde 2],

beiden wonende te [woonplaats gedaagden] ,

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

advocaat mr. W.M.H. de Werd.

Eiser wordt hierna aangeduid als [eiser 1] en gedaagden als [gedaagde 1] en [gedaagde 2] en gezamenlijk als [gedaagde 1] c.s.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 16 juli 2019, met producties,

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie, tevens houdende eis in reconventie, met producties,

  • -

    de oproepingsbrief van de rechtbank van 9 oktober 2019,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 16 januari 2020 en de daarin genoemde stukken.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1.

[eiser 1] heeft vanaf 1 mei 1989 een eenmanszaak onder de naam [naam bedrijf 1] gedreven op het gebied van de telecommunicatie. De belangrijkste klant van [naam bedrijf 1] was KPN.

2.2.

Albatros Holland V.O.F. is een onderneming op het gebied van de handel in telecommunicatieapparatuur en een van de leveranciers van [naam bedrijf 1] . [gedaagde 1] c.s. zijn vennoten van Albatros Holland V.O.F.

2.3.

Vanaf eind 2017 hebben [eiser 1] en [gedaagde 1] c.s. onderhandeld over de overname van [naam bedrijf 1] door [gedaagde 1] c.s.

2.4.

Op 5 december 2017 heeft [eiser 1] [gedaagde 1] c.s. per e-mailbericht verzocht om een voorschot van € 12.500,-. [gedaagde 1] c.s. heeft diezelfde dag per e-mailbericht gereageerd. Dit e-mailbericht vermeldt, voor zover hier van belang:

“(…) Het gevoel tussen ons is in ieder geval heel goed echter we hebben geen ervaring met overnames, we gaan daarom te snel en dan roep je problemen over je af die er anders niet zouden komen.

Overname bedragen:

We denken aan een primair overnamebedrag van 10.500

(…)

En als secundair overnamebedrag van 20.000

Het secundaire bedrag wordt beschikbaar gesteld wanneer een gecombineerd omzet cijfer van 450.000,- behaald wordt. (jaar omzetten Albatros Holland 2015-2017 = gemiddeld tussen de 200.000 en 350.000).

Een inhuurtarief na overzetten bovenstaande 30

(…)

Het kan helaas niet zo snel gaan als je wilt (…)

Wat we wel kunnen doen; het maken en tekenen van een intentie verklaring, concept overeenkomst. Hierna kunnen een voorschot vrijmaken van 25% wat jij weer als handgeld kunt gebruiken (…)”

2.5.

[eiser 1] heeft, eveneens op 5 december 2017, per e-mailbericht gereageerd. Dit e-mailbericht vermeldt, voor zover hier relevant:

“(…) Bij nader inzien voel ik meer voor een ander eind bedrag waarbij we de vergoeding die mij toekomt over meerdere jaren verdelen gekoppeld aan het behalen van omzet, het primaire overname bedrag komt dan te vervallen. Het inhuur tarief vind ik aan de lage kant dat wil ik graag euro 50,00 per uur hebben. (…)”

2.6.

Op 3 januari 2018 heeft [eiser 1] [naam bedrijf 1] opgeheven met ingang van 31 december 2017. Op 10 januari 2018 hebben [gedaagde 1] c.s. [naam bedrijf 1] opgericht, met [gedaagde 1] c.s. als vennoten.

2.7.

Op 12 januari 2018 zijn [eiser 1] en [gedaagde 1] c.s. bij elkaar gekomen om over de overname te spreken. Diezelfde dag heeft [gedaagde 1] c.s. [eiser 1] een concept van de overnameovereenkomst toegestuurd. Dit concept vermeldt, voor zover hier van belang, het volgende:

“(…) Overwegingen:

  • -

    De onderneming wordt overgenomen per 01-01-2018 tegen een koopsom van € 1,00

  • -

    Partijen spreken af dat bij een gecombineerde Albatros Holland & RCM van € 450.000,- (omzet over 2018) koper een secundaire “bijdrage” zal toevoegen van Euro 20.000,- Partijen spreken vervolgens af dat bij een gecombineerde Albatros Holland & RCM van € 450.000,- (omzet over 2019) koper nogmaals een secundaire “bijdrage” aan verkoper zal toevoegen van Euro 20.000,-

(…)

4. Verkoper zal alle medewerking verlenen aan de verkoop en overdracht van de onderneming en alle hiertoe nog te verrichten handelingen binnen 6 maanden uitvoeren. Binnen deze 6 maanden zal verkoper 8 uur per week bij de onderneming betrokken zijn zonder vergoeding en hiervan minimaal 4 uur per week fysiek aanwezig zijn op de locatie van de vestiging, [adres 1] te Arkel, iedere vrijdag van de week in goed overleg, verkoper is toegestaan gedurende deze periode de titel directeur of manager te voeren zonder hiervoor financiële of algemene bevoegdheid te hebben. Na de eerste 6 maanden komen partijen overeen verkoper in te huren voor een tarief van € 50,00 per uur, hierna zal verkoper zich voor een periode van minimaal 2 jaar in blijven zetten ten behoeve van de onderneming en zich ter beschikking houden voor advies en ondersteuning. (…)”

2.8.

Op 19 januari 2018 hebben [gedaagde 1] c.s. en [eiser 1] op het kantoor van [gedaagde 1] c.s. in Arkel de overeenkomst strekkende tot overname van de handelsactiviteiten van [naam bedrijf 1] (hierna: de overnameovereenkomst) besproken en ondertekend. De overeenkomst vermeldt, voor zover hier relevant, het volgende:

“(…) Overwegingen: (…)

  • -

    Partijen hebben overeenstemming bereikt over de verkoop en levering van de activiteiten, klantenbestand en andere zaken van de onderneming en leggen de bereikte overeenstemming hierbij vast, eerdere afspraken komen hiermee te vervallen.

  • -

    De handels activiteiten van de onderneming worden overgenomen per 01-01-2018 tegen een koopsom van € 1,00

  • -

    Partijen spreken af dat indien [naam bedrijf 1] een jaaromzet genereerd van € 375.000,- of meer, koper over dat jaar een secundaire “bijdrage" aan verkoper zal toevoegen van Euro 13.333,00 te beginnen over 2018, hiervan zal verkoper een nota indienen vanuit privé ofwel uit een onderneming. Partijen spreken vervolgens af dat de secundaire bijdrage gedurende een periode van 5 jaar (volgens boven gestelde voorwaarden) dit maximaal 3 x zal gebeuren zodat een maximale totaal aan secundaire bijdrage behaald kan worden van totaal euro 40.000,00. De Jaaromzet wordt door [gedaagde 2] middels een Exact administratie afschrift verstrekt. Een aanvraag betreffende informatie jaaromzet kan eveneens gedaan worden bij [naam bedrijf 2] te Gorinchem en zal door [naam persoon] gehonoreerd worden na 30 April van het opvolgende jaar. (…)

Zijn overeengekomen als volgt: (…)

4. Verkoper zal alle medewerking verlenen aan de verkoop en overdracht van de onderneming en alle hiertoe nog te verrichten handelingen binnen 6 maanden uitvoeren. Binnen deze 6 maanden zal verkoper 8 uur per week bij de onderneming betrokken zijn zonder vergoeding en hiervan minimaal 4 uur per week fysiek aanwezig zijn op de locatie van de vestiging, [adres 1] te Arkel, bij voorkeur iedere vrijdag vanaf 10:00 uur of in goed overleg, verkoper is toegestaan gedurende deze periode de titel directeur of manager te voeren zonder hiervoor financiële of algemene bevoegdheid te hebben. Na de eerste 6 maanden komen partijen overeen verkoper in te huren voor een tarief van € 50,00 per uur, hierna zal verkoper zich voor een periode van minimaal 2 jaar in blijven zetten ten behoeve van de onderneming en zich ter beschikking houden voor advies en ondersteuning. (…)”

2.9.

[gedaagde 1] c.s. hebben [eiser 1] na ondertekening van de overnameovereenkomst € 10.000,- contant betaald.

2.10.

[eiser 1] heeft [naam bedrijf 1] op 20 juli 2018 een factuur gestuurd voor een bedrag van € 275,- (exclusief btw), met als omschrijving “verrekening Oprijplaat aluminium”.

2.11.

[eiser 1] heeft [gedaagde 1] c.s. op 17 september 2018 per brief laten weten, voor zover van belang:

“(…) Op 19-02-2018 bent u met het door u voorbereide en samengestelde contract naar [adres 2] , [postcode] te Gouda gekomen en heeft in deze samenstelling meerdere aanpassingen gemaakt. Nadat ik het samengestelde contract had gelezen heb ik de opmerking gemaakt dat de onderstaande regel, niet voldeed aan de door mij meerdere keren gesteelde som van de mogelijke haalbare omzet op jaarbasis van € 150.000.

(…) Tevens wil ik u er op wijzen dat ik alle werkzaamheden integraal heb uitgevoerd, mede om geen stagnatie te verkrijgen binnen de organisatie, heb ik hier aan tijd gemiddeld 8 uur per week besteed over de periode van januari t/m eind augustus 2018. Zonder een evenredige vergoeding hiervoor te ontvangen (…)

2.12.

[eiser 1] heeft [naam bedrijf 1] op 4 oktober 2018 een factuur gestuurd voor een bedrag van € 9.600,- (exclusief btw), met als omschrijving:

2.13.

Met ingang van 28 december 2018 is Albatros Holland V.O.F. ontbonden. De onderneming is voortgezet door Albatros Holland B.V.

3. Het geschil

in conventie

3.1.

[eiser 1] vordert, na vermindering van eis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. primair te verklaren voor recht dat de tussen partijen gesloten overnameovereenkomst ter zake van de minimaal te behalen jaaromzet van € 375.000,00 of meer om tot betaling van de restantovernamesom te komen (partieel) nietig is, wegens het aan de zijde van [eiser 1] ontbreken van een op die bepaling gerichte wil,

en [gedaagde 1] c.s. hoofdelijk te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser 1] te voldoen ter zake van de restant-overnamesom € 39.999,00, althans een zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren;

subsidiair te verklaren voor recht dat het intreden van de opschortende voorwaarden door toedoen van [gedaagde 1] c.s., die belang heeft bij de niet-vervulling daarvan, is belet, zodat de voorwaarden als vervuld hebben te gelden en de restant-overnamesom thans ineens verschuldigd is,

en [gedaagde 1] c.s. hoofdelijk te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser 1] te voldoen ter zake van de overnamesom € 39.999,00, althans een zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren;

meer subsidiair te verklaren voor recht dat sprake is (geweest) van misbruik van omstandigheden door [gedaagde 1] c.s. althans dwaling aan de zijde van [eiser 1] bij het sluiten van de overnameovereenkomst,

in plaats van de vernietiging uit te spreken de gevolgen van de overeenkomsten te wijzigen ter opheffing van het nadeel van [eiser 1] in die zin dat de overnamesom wordt gesteld op € 39.999,00 onafhankelijk van de te behalen jaaromzet,

en [gedaagde 1] c.s. hoofdelijk te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser 1] te voldoen ter zake van de overnamesom € 39.999,00, althans tot een zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren;

meer meer subsidiair te verklaren voor recht dat sprake is (geweest) van misbruik van omstandigheden door [gedaagde 1] c.s. althans dwaling aan de zijde van [eiser 1] bij het sluiten van de overnameovereenkomst,

in plaats van de vernietiging uit te spreken de gevolgen van de overeenkomsten te wijzigen ter opheffing van het nadeel van [eiser 1] in die zin dat de overnamesom wordt gesteld op € 40.000,00, waarvan € 39.999,00 te voldoen in maximaal drie tranches van € 13.333,00 wanneer in een jaar de jaaromzet van de overgedragen onderneming, daaronder begrepen de door Albatros Holland B.V., althans Aaleph B.V., althans anderszins door of vanwege [gedaagde 1] c.s. handelende vennootschappen of rechtspersonen die geacht kunnen worden de overgedragen onderneming te hebben voortgezet, minimaal € 150.000,00 bedraagt c.q. zal hebben bedragen, althans zodanig betalingsschema als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren;

uiterst subsidiair te verklaren voor recht dat sprake is (geweest) van misbruik van omstandigheden door [gedaagde 1] c.s. althans dwaling aan de zijde van [eiser 1] bij het sluiten van de overnameovereenkomst, de overnameovereenkomst te vernietigen en partijen over en weer te veroordelen tot ongedaan making van de reeds verrichte prestaties;

II. in geval het sub I primair, subsidiair en meer subsidiair gevorderde niet wordt toegewezen, [gedaagde 1] c.s. hoofdelijk te veroordelen om binnen drie dagen na betekening aan [eiser 1] afgifte en inzage te verschaffen in de boekhouding van de overgedragen onderneming, althans/alsmede te bewerkstellingen c.q. bevorderen dat door aan [gedaagde 1] c.s. gelieerde personen en vennootschappen afgifte en inzage wordt verschaft, zulks op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 voor elke dag, een gedeelte van een dag voor een gehele dag gerekend, dat [gedaagde 1] c.s. aan de veroordeling niet voldoet, met een maximum van € 100.000,00;

III. [gedaagde 1] c.s. hoofdelijk te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting ter zake van de achterstallige facturen aan [eiser 1] te voldoen de hoofdsom ad € 11.948,75, althans een zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren,

een en ander telkens te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente;

IV. met hoofdelijke veroordeling van [gedaagde 1] c.s. in de buitengerechtelijke incassokosten conform de staffel buitengerechtelijke incassokosten (BIK) tot een bedrag van € 1.302,06, althans tot een zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren;

V. met hoofdelijke veroordeling van [gedaagde 1] c.s. in de kosten van de gelegde conservatoire beslagen tot een bedrag van € 864,87 + p.m.;

VI. met hoofdelijke veroordeling van [gedaagde 1] c.s. in de proceskosten en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente vanaf veertien dagen na de datum van het te wijzen vonnis tot aan de dag der algehele voldoening.

3.2.

[eiser 1] legt aan zijn vorderingen het volgende ten grondslag. De wil van [eiser 1] was er nooit op gericht het variabele deel van de overnamesom afhankelijk te maken van een jaaromzet van € 375.000,- van [naam bedrijf 1] . De betreffende bepaling in de overnameovereenkomst is daarom nietig op grond van oneigenlijke dwaling, zodat betaling van het restant van de overnamesom van € 39.999,- niet afhankelijk is van het behalen van enige jaaromzet en [gedaagde 1] c.s. dit bedrag direct verschuldigd is. Subsidiair geldt dat de verplichting voor [gedaagde 1] c.s. om aan [eiser 1] de variabele overnamesom te voldoen, afhankelijk is van het intreden van de opschortende voorwaarde van het behalen van een bepaalde jaaromzet. [gedaagde 1] c.s. heeft door de omzetting van Albatros Holland V.O.F. in een besloten vennootschap verhinderd dat deze opschortende voorwaarde kan intreden, zodat deze opschortende voorwaarde op grond van artikel 6:23 lid 1 BW als vervuld moet worden beschouwd. Meer subsidiair was [eiser 1] door een inlichting van [gedaagde 1] c.s. in de veronderstelling dat de betaling van de overnamesom afhankelijk was van het behalen van een jaaromzet van € 375.000,- door [naam bedrijf 1] en Albatros Holland V.O.F. gezamenlijk. De overnameovereenkomst is daarom tot stand gekomen onder invloed van dwaling die te wijten is aan een inlichting van [gedaagde 1] c.s. Bij een juiste voorstelling van zaken zou [eiser 1] de overnameovereenkomst niet hebben gesloten. Omdat [gedaagde 1] c.s. misbruik heeft gemaakt van de onervarenheid van [eiser 1] met het tekenen van contracten en van de beperkte tijd die [eiser 1] had om over de overnameovereenkomst na te denken, is voorts sprake van misbruik van omstandigheden. Ter opheffing van het nadeel dat [eiser 1] als gevolg van deze dwaling dan wel misbruik van omstandigheden heeft geleden, dient de overnameovereenkomst in zoverre te worden gewijzigd dat [gedaagde 1] c.s. [eiser 1] het restant van de overnamesom van € 39.999,- direct verschuldigd is, dan wel dient de restant-overnamesom afhankelijk te worden gesteld van het behalen van een jaaromzet van € 150.000,- door de overgedragen onderneming. Uiterst subsidiair vordert [eiser 1] vernietiging van de overnameovereenkomst. Voor zover de gevorderde betaling van de resterende overnamesom ineens niet wordt toegewezen, heeft [eiser 1] belang bij inzage en afschrift van de boekhoudingen waaruit de hoogte van de voor de betaling van de overnamesom vereiste jaaromzet kan blijken.

[eiser 1] heeft in opdracht van [gedaagde 1] c.s. in hun hoedanigheid van vennoten van [naam bedrijf 1] een oprijplaat besteld. [gedaagde 1] c.s. heeft het daarvoor door [eiser 1] gefactureerde bedrag van € 332,75 inclusief btw niet betaald. Voorts heeft [eiser 1] gedurende de eerste zes maanden na de overname meer dan de overeengekomen 8 uur per week voor [gedaagde 1] c.s. en [naam bedrijf 1] gewerkt. [eiser 1] heeft daartoe een bedrag van € 11.616,- inclusief btw gefactureerd. [gedaagde 1] c.s. heeft dit bedrag niet betaald.

3.3.

[gedaagde 1] c.s. concludeert tot afwijzing van de vorderingen. In de overnameovereenkomst is opgenomen dat de restant overnamesom afhankelijk is gemaakt van het behalen van een jaaromzet door [naam bedrijf 1] van € 375.000,-. [eiser 1] heeft de overnameovereenkomst ondertekend en [gedaagde 1] c.s. heeft daaruit mogen afleiden dat [eiser 1] daarmee akkoord was, zodat [eiser 1] op grond van artikel 3:35 BW geen beroep toekomt op het ontbreken van een met deze verklaring overeenstemmende wil.

De variabele overnamesom is afhankelijk gesteld van de jaaromzet van [naam bedrijf 1] Deze vennootschap bestaat nog altijd en staat los van Albatros Holland V.O.F. Van een situatie waarin [gedaagde 1] c.s. het vervullen van de overeengekomen opschortende voorwaarde heeft belet, is daarom geen sprake.

[gedaagde 1] c.s. betwist dat zij [eiser 1] bij het ondertekenen van de overeenkomst heeft toegezegd dat het daarin opgenomen bedrag de gecombineerde jaaromzet van Albatros Holland V.O.F. en [naam bedrijf 1] betrof. Voorts betwist [gedaagde 1] c.s. dat [eiser 1] onervaren is in het sluiten van contracten en dat [gedaagde 1] c.s. [eiser 1] op enigerlei wijze onder druk heeft gezet om de overnameovereenkomst te ondertekenen.

De facturen waarvan [eiser 1] in deze procedure betaling vordert, zijn gericht aan [naam bedrijf 1] [eiser 1] is niet-ontvankelijk in deze vordering, omdat [naam bedrijf 1] geen partij is bij deze procedure en [gedaagde 1] c.s. niet in hun hoedanigheid van vennoten van deze vennootschap zijn gedagvaard. [gedaagde 1] c.s. betwist dat zij opdracht heeft gegeven aan [eiser 1] om de rijplaat te bestellen en betwist voorts dat [eiser 1] meer dan de overeengekomen 8 uur per week voor [naam bedrijf 1] en [gedaagde 1] c.s. heeft gewerkt. De gefactureerde bedragen zijn daarom niet verschuldigd. [eiser 1] heeft in strijd met de waarheidsplicht van artikel 21 Rv feiten achtergehouden en de ingestelde vorderingen missen iedere grondslag, zodat sprake is van misbruik van procesrecht. [eiser 1] is aan [gedaagde 1] c.s. daarom een volledige proceskostenvergoeding verschuldigd.

in reconventie

3.4.

[eiser 2] c.s. vordert voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. te verklaren voor recht dat [verweerder] aansprakelijk is voor de schade die [eiser 2] c.s. als vennoten van de vennootschap onder firma [naam bedrijf 1] lijden, hebben geleden

en/of nog zullen lijden ten gevolge van de door [verweerder] in strijd met de tussen partijen geldende overnameovereenkomst vroegtijdig gestaakte ondersteuning aan RCM

Products V.O.F. c.q. de door hem gepleegde contractbreuk, ofwel de door [verweerder]

gepleegde wanprestatie en/of de door [verweerder] gedane negatieve uitlatingen jegens

klanten en te bepalen dat [verweerder] deze schade aan [eiser 2] c.s. dient te vergoeden;

II. [verweerder] te veroordelen om aan [eiser 2] c.s. binnen 48 uur na betekening van het vonnis te betalen een bedrag van € 50.800,- als voorschot op schadevergoeding wegens zijn

wanprestatie c.q. onrechtmatig handelen jegens [eiser 2] c.s., althans een bedrag als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf de dag dat de wanprestatie c.q. de onrechtmatige handelingen

plaatsvonden (31 augustus 2018), althans vanaf 11 september 2019 tot aan de dag

der algehele voldoening, alsmede om eiser te veroordelen tot vergoeding van de

volledige door [eiser 2] c.s. als gevolg van het voorgaande geleden schade, op te maken bij

staat en te vereffenen volgens de wet;

III. [verweerder] te verbieden nog enige negatieve uitlatingen over [eiser 2] c.s. dan wel [naam bedrijf 1] aan derden te doen, op straffe van verbeurte van een boete aan [eiser 2] c.s. van € 10.000,- voor iedere overtreding, althans van een zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;

IV. te verklaren voor recht dat [verweerder] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser 2] c.s. door op 17 juni 2019 conservatoir beslag te hebben gelegd ten laste van [eiser 2] c.s.;

V. [verweerder] te veroordelen tot vergoeding van de dientengevolge door [eiser 2] c.s. geleden schade c.q. in de door [eiser 2] c.s. gemaakte kosten ter opheffing van de door [verweerder] ten laste van [eiser 2] c.s. gelegde beslagen, waaronder de werkelijk door [eiser 2] c.s. gemaakte advocaatkosten in dat verband, ten bedrage van in totaal € 10.366,44, althans ten bedrage van een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover ingaande de datum van dagtekening van de conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie tot de dag van volledige betaling;

VI. [verweerder] te veroordelen in de kosten van deze procedure, waaronder de werkelijk door

[eiser 2] c.s. gemaakte advocaatkosten in verband met deze procedure, zoals nader te

specificeren bij akte, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover als bedoeld in

artikel 6:119 BW met ingang van 14 dagen na de datum van het in deze te wijzen

vonnis tot de dag van volledige betaling;

V. [verweerder] te veroordelen in de kosten die na het vonnis ontstaan, begroot op € 157,- aan

salaris advocaat, te vermeerderen met € 82,- aan salaris advocaat en de explootkosten

van betekening van het vonnis indien eiser niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het

vonnis heeft voldaan én betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, en te

vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de nakosten

met ingang van veertien dagen na de betekening van het vonnis tot aan de voldoening.

3.5.

[eiser 2] c.s. legt aan haar vorderingen het volgende ten grondslag. [verweerder] heeft in strijd met artikel 4 van de overnameovereenkomst na zeven maanden zijn inzet voor [eiser 2] c.s. en [naam bedrijf 1] gestaakt. Voorts heeft [verweerder] zich tegenover KPN, de belangrijkste klant van [naam bedrijf 1] , negatief uitgelaten over [eiser 2] c.s. Als gevolg daarvan heeft [eiser 2] c.s. schade geleden in de vorm van gederfde omzet van [naam bedrijf 1] . Indien de vorderingen van [verweerder] in conventie worden afgewezen, is [verweerder] op grond van onrechtmatige daad aansprakelijk voor de gevolgen van de door hem gelegde beslagen, bestaande uit de kosten van € 10.366,44 die [eiser 2] c.s. heeft moeten maken voor het inhuren van een advocaat, griffierecht en de oproepingskosten in de opheffingsprocedure. Net als in conventie, dient [verweerder] in reconventie veroordeeld te worden in de werkelijke proceskosten.

3.6.

De conclusie van [verweerder] strekt tot afwijzing van de vorderingen. Voor zover [eiser 2] c.s. schade heeft geleden in de vorm van gederfde omzet, betreft dit schade van [naam bedrijf 1] [eiser 2] c.s. is niet-ontvankelijk in haar vordering, omdat deze vennootschap geen partij is bij deze procedure. [verweerder] betwist dat hij wanprestatie heeft gepleegd. [verweerder] heeft zijn werkzaamheden opgeschort, omdat [eiser 2] c.s. hem niet heeft betaald voor de door hem vanaf de 7e maand na overname gewerkte uren. [verweerder] verkeerde voorts niet in verzuim, omdat [eiser 2] c.s. [verweerder] niet in gebreke heeft gesteld. Voor zover dit wel is gebeurd, verkeerde [eiser 2] c.s. op dat moment in schuldeisersverzuim, omdat zij de factuur van [verweerder] voor de door hem gewerkte uren onbetaald heeft gelaten. [verweerder] betwist dat hij zich tegenover klanten negatief heeft uitgelaten over [eiser 2] c.s., behoudens dat hij bij een klant zijn bezorgdheid heeft uitgesproken. [verweerder] betwist dat [eiser 2] c.s. hierdoor schade heeft geleden.

[verweerder] betwist voorts dat hij onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser 2] c.s. door beslag te leggen en betwist de door [eiser 2] c.s. gestelde schade. [verweerder] voert als verweer dat [eiser 2] c.s. haar schade had kunnen beperken, door onmiddellijk na beslaglegging een bankgarantie te stellen. [verweerder] betwist voorts dat sprake is van misbruik van procesrecht, nu hij zich in reconventie enkel tegen de door [eiser 2] c.s. ingestelde vorderingen heeft verweerd.

4. De beoordeling

in conventie

Inleiding

4.1.

De overnameovereenkomst bepaalt dat [gedaagde 1] c.s. aan [eiser 1] een variabele overnamesom van € 13.333,- verschuldigd is “indien [naam bedrijf 1] een jaaromzet genereert van € 375.000,- of meer” en dat deze variabele overnamesom gedurende een periode van vijf jaar na de overname maximaal drie keer zal worden uitgekeerd, zodat de maximaal uit te keren variabele overnamesom € 39.999,- bedraagt. [eiser 1] stelt zich op het standpunt dat in weerwil van de tekst van de overnameovereenkomst is bedoeld dat [eiser 1] de variabele overnamesom zou ontvangen voor ieder jaar waarin ofwel [naam bedrijf 1] een omzet van € 150.000,- zou behalen, ofwel de omzet van [naam bedrijf 1] en Albatros Holland tezamen € 375.000,- zou bedragen.

4.2.

[eiser 1] heeft zijn vorderingen achtereenvolgens gebaseerd op (i) oneigenlijke dwaling, (ii) het beletten door [gedaagde 1] c.s. van het intreden van de overeengekomen opschortende voorwaarde als bedoeld in artikel 6:23 BW en (iii) dwaling en/of misbruik van omstandigheden. Gezien de samenhang wat betreft de feitelijke grondslag van de vorderingen gebaseerd op de hiervoor onder (i) en (iii) bedoelde grondslagen, zullen deze hierna eerst worden behandeld, waarna vervolgens op het beroep op artikel 6:23 BW zal worden ingegaan.

Oneigenlijke dwaling

4.3.

Artikel 3:33 BW brengt mee dat indien de wil om een bepaald rechtsgevolg tot stand te brengen ontbreekt, in beginsel geen rechtshandeling tot stand komt. Uit artikel 3:35 BW volgt echter dat tegen degene die de verklaring of gedraging van een ander, overeenkomstig de zin die hij daaraan onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mocht toekennen, heeft opgevat als een door die ander tot hem gerichte verklaring van een bepaalde strekking, geen beroep kan worden gedaan op het ontbreken van een met deze verklaring overeenstemmende wil.

4.4.

In het midden kan blijven of bij [eiser 1] de wil om het betreffende beding overeen te komen, ontbrak, omdat [gedaagde 1] c.s. zich terecht beroept op gerechtvaardigd vertrouwen in de zin van artikel 3:35 BW. Daartoe is het volgende van belang.

Vast staat dat [eiser 1] de overnameovereenkomst op 19 januari 2018 heeft ondertekend op het kantoor van [gedaagde 1] c.s. in Arkel, nadat de overeenkomst integraal aan hem was voorgelezen. Tussen partijen is voorts niet in geschil dat de overnameovereenkomst niet anders kan worden uitgelegd dan dat daaruit volgt dat de variabele overnamesom verschuldigd is wanneer [naam bedrijf 1] een jaaromzet van € 375.000,- heeft behaald. [eiser 1] stelt dat hij voorafgaand aan het ondertekenen van de overnameovereenkomst aan [gedaagde 1] c.s. heeft gemeld dat het in deze overeenkomst opgenomen bedrag niet correct was en dat [gedaagde 1] c.s. daarop heeft toegezegd dat het de bedoeling was dat de opgenomen € 375.000,- de gecombineerde jaaromzet van [naam bedrijf 1] en Albatros Holland V.O.F. betrof. Dat partijen over en weer dergelijke verklaringen hebben gedaan wordt niet bevestigd door de overgelegde correspondentie en is voorts door [gedaagde 1] c.s. gemotiveerd betwist onder verwijzing naar schriftelijke verklaringen van de bij de ondertekening aanwezige medewerkers van [gedaagde 1] c.s. Omdat [eiser 1] zijn stelling tegenover de betwisting van [gedaagde 1] c.s. onvoldoende heeft onderbouwd, wordt aan bewijslevering niet toegekomen.

[eiser 1] heeft voorts onvoldoende onderbouwd gesteld dat de in de overnameovereenkomst opgenomen jaaromzet voor [naam bedrijf 1] volstrekt onhaalbaar was en dat [gedaagde 1] c.s. daarom had moeten begrijpen dat het nooit zijn bedoeling kon zijn geweest om het variabele deel van de overnamesom van een dergelijke onrealistisch hoge omzet afhankelijk te maken. Weliswaar staat vast dat de omzet van [naam bedrijf 1] tussen 2015 en 2017 gemiddeld ongeveer € 150.000,- bedroeg en dat [naam bedrijf 1] in 2017 een omzet van € 202.937,75 heeft behaald bij KPN en een omzet van € 6.380,83 bij Agentschap Telecom, maar [eiser 1] heeft ter zitting verklaard dat hij zijn activiteit binnen [naam bedrijf 1] tussen 2015 en 2017 al enigszins had afgebouwd om toe te werken naar zijn pensioen en dat de potentie bestond om meer omzet te maken, zeker wanneer met meer mensen gewerkt zou worden. Omdat vast staat dat de ingezette mankracht met [gedaagde 1] c.s. na de overname in ieder geval zou verdubbelen, terwijl ook [eiser 1] voor een periode van ten minste twee jaar bij [naam bedrijf 1] betrokken zou blijven, valt niet in te zien dat een omzet van € 375.000,- voor [naam bedrijf 1] binnen een termijn van vijf jaar volstrekt onrealistisch en onhaalbaar was. Daarbij is ook van belang dat [gedaagde 1] c.s. heeft toegelicht dat de marge op de omzet die [naam bedrijf 1] bij KPN behaalt, ongeveer 10% bedraagt, zodat bij een omzet van € 375.000,- een variabele overnamesom van € 13.333,- aan [eiser 1] zou kunnen worden betaald en [gedaagde 1] c.s. ongeveer eenzelfde bedrag voor hun werkzaamheden zouden ontvangen.

Voor zover [eiser 1] zich op het standpunt stelt dat hij zijn onderneming nu voor € 1,- heeft overgedragen en [gedaagde 1] c.s. niet heeft mogen begrijpen dat [eiser 1] dat heeft gewild, vindt deze stelling geen steun in de feitelijke grondslag. In aanvulling op hetgeen hiervoor is overwogen over de variabele overnamesom, is tussen partijen niet in geschil dat [gedaagde 1] c.s. een bedrag van € 10.000,- cash heeft betaald aan [eiser 1] . Weliswaar heeft [eiser 1] ter zitting verklaard dat de cashbetaling geen onderdeel uitmaakt van de overnamesom, maar dit staat haaks op zijn stelling in de dagvaarding dat “partijen (…) uiteindelijk een overnamesom van € 50.000,- [zijn] overeengekomen, € 10.000,- is door [gedaagde 1] cash betaald aan [eiser 1]”. Ter zitting heeft [eiser 1] herhaald dat de overeengekomen overnamesom in totaal € 50.000,- betrof. Het moet er daarom voor worden gehouden dat partijen zijn overeengekomen dat [gedaagde 1] c.s. een vaste overnamesom van € 10.001,- heeft betaald aan [eiser 1] voor de overname van [naam bedrijf 1] en dat [eiser 1] daarnaast, afhankelijk van de omzet van [naam bedrijf 1] , een variabele overnamesom zou ontvangen van maximaal € 39.999,-.

4.5.

Concluderend geldt dat [gedaagde 1] c.s. er gerechtvaardigd op heeft mogen vertrouwen dat [eiser 1] de betaling van een variabele overnamesom afhankelijk heeft willen stellen van het behalen van een jaaromzet van € 375.000,- door [naam bedrijf 1] . Van (partiële) nietigheid van de overnameovereenkomst is dan ook geen sprake.

Dwaling en/of misbruik van omstandigheden

4.6.

[eiser 1] heeft aan zijn standpunt dat de overnameovereenkomst tot stand is gekomen onder invloed van dwaling ten grondslag gelegd dat [gedaagde 1] hem op 19 januari 2018 bij het ondertekenen van de overnameovereenkomst heeft toegezegd dat de variabele overnamesom afhankelijk was van de gecombineerde omzet van [naam bedrijf 1] en Albatros Holland V.O.F. Zoals hiervoor onder r.o. 4.4 overwogen, heeft [eiser 1] onvoldoende onderbouwd gesteld dat [gedaagde 1] c.s. een dergelijke toezegging heeft gedaan, zodat het beroep op dwaling daarop afstuit.

4.7.

Van misbruik van omstandigheden is evenmin sprake. [eiser 1] heeft onvoldoende onderbouwd gesteld dat, wanneer, en op welke wijze, [gedaagde 1] c.s. de druk om de overnameovereenkomst te ondertekenen zodanig heeft opgevoerd dat sprake is van misbruik van omstandigheden. Integendeel, uit overgelegde e-mailcorrespondentie uit december 2017 blijkt juist dat [gedaagde 1] c.s. aan [eiser 1] heeft medegedeeld dat de overname “helaas niet zo snel [kan] gaan als je wilt”. [eiser 1] heeft verzuimd toe te lichten waarom het hem niet vrijstond de overnameovereenkomst niet te ondertekenen, zolang hij met de inhoud daarvan niet akkoord was. Voorts geldt dat voor zover [eiser 1] geen ervaring zou hebben met het sluiten van contracten, wat [gedaagde 1] c.s. heeft betwist, dat nog niet meebrengt dat de overnameovereenkomst daarmee vernietigbaar is. [eiser 1] heeft niet gesteld dat, en op welke manier, [gedaagde 1] c.s. misbruik zou hebben gemaakt van deze onervarenheid.

4.8.

Gezien het bovenstaande zullen de vorderingen van [eiser 1] voor zover zij zijn gegrond op dwaling en misbruik van omstandigheden worden afgewezen.

Intreden opschortende voorwaarde

4.9.

[eiser 1] heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat voor zover betaling van de variabele overnamesom afhankelijk is van enige te behalen jaaromzet, [gedaagde 1] c.s. de vervulling van deze opschortende voorwaarde heeft belet door Albatros Holland V.O.F. om te zetten in Albatros Holland B.V., zodat deze voorwaarde volgens [eiser 1] met toepassing van artikel 6:23 BW van rechtswege als vervuld moet worden beschouwd.

[eiser 1] miskent hiermee dat de overnameovereenkomst bepaalt dat [eiser 1] recht heeft op een secundaire bijdrage “indien [naam bedrijf 1] een jaaromzet genereert van € 375.000,- of meer”. De betaling van de variabele overnamesom is dan ook niet afhankelijk gesteld van het behalen van een bepaalde jaaromzet door Albatros Holland V.O.F., maar door [naam bedrijf 1] . Uit de overgelegde uittreksels uit het handelsregister blijkt dat [eiser 1] de eenmanszaak [naam bedrijf 1] ten tijde van het ondertekenen van de overnameovereenkomst reeds had opgeheven en dat [gedaagde 1] c.s. per 1 januari 2018 [naam bedrijf 1] had opgericht, met [gedaagde 1] c.s. als vennoten. De overnameovereenkomst laat zich dan ook niet anders uitleggen dan dat de secundaire bijdrage afhankelijk is van de jaaromzet van [naam bedrijf 1] Zoals door [gedaagde 1] c.s. is aangevoerd en door [eiser 1] niet is weersproken, zijn [naam bedrijf 1] en Albatros Holland V.O.F. separate ondernemingen en loopt de omzet van de door [gedaagde 1] c.s. van [eiser 1] overgenomen handelsactiviteiten vanaf de overname tot op heden via [naam bedrijf 1] Van het beletten door [gedaagde 1] c.s. van de vervulling van de in de overnameovereenkomst neergelegde opschortende voorwaarde is dan ook geen sprake, zodat de subsidiaire vordering van [eiser 1] zal worden afgewezen.

Facturen

4.10.

[eiser 1] vordert in deze procedure – na vermindering van eis – verder betaling van een tweetal facturen met factuurnummers 2018014 en 2018017. De rechtbank begrijpt dat [eiser 1] deze vordering heeft ingesteld tegen [gedaagde 1] en [gedaagde 1] -Hopman in hun hoedanigheid van (enig) vennoten van [naam bedrijf 1] Omdat [gedaagde 1] en [gedaagde 1] -Hopman op grond van artikel 18 WvK hoofdelijk verbonden zijn voor de verbintenissen van deze vennootschap, staat aan de ontvankelijkheid van [eiser 1] voorts niet in de weg dat [naam bedrijf 1] geen partij is bij deze procedure.

Factuur 2018014 - oprijplaat

4.11.

De factuur met factuurnummer 2018014 van 20 juli 2018 betreft een rijplaat. [eiser 1] stelt dat hij deze rijplaat in opdracht en ten behoeve van [gedaagde 1] en [gedaagde 1] -Hopman, in hun hoedanigheid van vennoten van [naam bedrijf 1] , heeft besteld. [gedaagde 1] c.s. heeft gemotiveerd betwist dat zij hiertoe opdracht heeft gegeven en verwijst daartoe naar een e‑mailbericht waarin zij in reactie op het e-mailbericht waarin [eiser 1] deze factuur heeft toegestuurd, meldt deze oprijplaat niet te hebben besteld, met het verzoek deze op te halen en een creditnota te versturen. Daarnaast verwijst [gedaagde 1] c.s. naar een gespreksverslag van een bespreking met [eiser 1] van 30 augustus 2018, waarin deze factuur is besproken en waarin [eiser 1] toezegt “de plaat weer mee te nemen en een credit nota te sturen”. [eiser 1] stelt weliswaar deze notulen niet te hebben ontvangen, maar heeft niet betwist dat deze bespreking heeft plaatsgevonden, noch dat de notulen een correcte weergave zijn van hetgeen daar is besproken. Gelet hierop heeft [eiser 1] zijn stelling dat [gedaagde 1] c.s. opdracht heeft gegeven voor het bestellen van de rijplaat, onvoldoende onderbouwd. De vordering tot betaling van de factuur met factuurnummer 2018014 voor een bedrag van € 332,75 (inclusief btw) zal daarom worden afgewezen.

Factuur 2018017 - meerwerk

4.12.

[eiser 1] heeft [gedaagde 1] c.s. een factuur d.d. 4 oktober 2018 gestuurd voor een bedrag van € 11.616,-. [eiser 1] stelt zich op het standpunt dat hij meer dan de overeengekomen acht uur per week voor [naam bedrijf 1] heeft gewerkt en vordert betaling van het verrichte meerwerk van 192 uur over deze periode van zes maanden, tegen een uurtarief van 50 euro.

4.13.

[eiser 1] heeft het gestelde meerwerk niet anders onderbouwd dan door het overleggen van de door hemzelf opgestelde factuur, waarin exact 8 uur per week lijkt te worden gevorderd. Enige specificatie of onderbouwing ontbreekt. [gedaagde 1] c.s. heeft gemotiveerd betwist dat [eiser 1] meer dan de overeengekomen acht uur voor [naam bedrijf 1] heeft gewerkt en verwijst daartoe naar een brief die [eiser 1] twee weken voor deze factuur, op 17 september 2018, aan [gedaagde 1] c.s. heeft verstuurd, waarin [eiser 1] schrijft “Tevens wil ik u er op wijzen dat ik alle werkzaamheden integraal heb uitgevoerd (…), heb ik hier aan tijd gemiddeld 8 uur per week besteed over de periode van januari t/m eind augustus 2018”. Gelet hierop heeft [eiser 1] zijn stelling, dat hij meer dan de overeengekomen acht uur per week voor [naam bedrijf 1] heeft gewerkt, onvoldoende onderbouwd. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen.

Conclusie vorderingen in conventie

4.14.

Het voorgaande leidt ertoe dat de vorderingen van [eiser 1] in conventie niet zullen worden toegewezen. Omdat de vorderingen van [eiser 1] worden afgewezen is er geen grond [gedaagde 1] c.s. te veroordelen in de beslagkosten. Voorts brengt de afwijzing van de vorderingen mee dat de door [eiser 1] op grond van artikel 843a Rv en artikel 162 Rv gevorderde afgifte en inzage in de boekhouding van [naam bedrijf 1] zal worden afgewezen nu een rechtmatig belang daarbij ontbreekt en omdat aan bewijslevering niet wordt toegekomen.

4.15.

[eiser 1] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Anders dan [gedaagde 1] c.s. heeft gevorderd, zal [eiser 1] niet worden veroordeeld tot vergoeding van de volledige proceskosten van [gedaagde 1] c.s. Uit vaste jurisprudentie volgt dat een dergelijke vordering alleen in buitengewone omstandigheden toewijsbaar is, waarbij onder meer moet worden gedacht aan misbruik van procesrecht. In het arrest HR 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7828, NJ 2012/233 (Duka/Achmea) is overwogen dat pas sprake is van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen (als grond voor een vergoedingsplicht ter zake van alle in verband met een procedure gemaakte kosten), als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan eerst sprake zijn als eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door art. 6 EVRM.

[gedaagde 1] c.s. verwijt [eiser 1] dat hij in de dagvaarding en bij de beslaglegging in strijd met de waarheidsplicht van artikel 21 Rv feiten heeft achtergehouden en stellingen heeft gehandhaafd die met die feiten strijdig waren, terwijl bovendien de vorderingen die [eiser 1] pretendeert te hebben, niet bestaan. Gezien de hiervoor genoemde terughoudendheid die in acht genomen moet worden, is dit onvoldoende om te concluderen dat [eiser 1] door het voeren van deze procedure misbruik heeft gemaakt van procesrecht. Dat de vorderingen van [eiser 1] geheel worden afgewezen, brengt niet zonder meer mee dat deze vorderingen al bij het instellen daarvan evident ongegrond waren.

Het voorgaande betekent dat [gedaagde 1] c.s. geen aanspraak heeft op vergoeding van haar volledige proceskosten, maar op een vergoeding aan de hand van het liquidatietarief, welke vergoeding wordt begroot op:

- griffierecht € 914,00

- salaris advocaat € 2.148,00 (2,0 punten × tarief € 1.074,00)

Totaal € 3.062,00

4.16.

De nakosten zullen worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

in reconventie

Aansprakelijkheid [verweerder] jegens [eiser 2] c.s.

4.17.

[eiser 2] c.s. heeft zich op het standpunt gesteld dat [verweerder] jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld door zich jegens KPN, de belangrijkste klant van [naam bedrijf 1] , negatief uit te laten over [eiser 2] c.s. [verweerder] heeft ter zitting verklaard dat hij op enig moment na de overname met een contactpersoon binnen KPN heeft gesproken en hem heeft verteld dat hij niet werd betaald door [eiser 2] c.s. en dat dat hem niet beviel. Voor zover [eiser 2] c.s. zich op het standpunt stelt dat [verweerder] zich ook jegens andere klanten en/of toeleveranciers negatief heeft uitgelaten, heeft zij deze stelling niet geconcretiseerd wat betreft de inhoud van deze uitlatingen, het moment waarop deze uitlatingen zijn gedaan en de personen die het betreft. Daarom zal hierna uitsluitend de door [verweerder] erkende uitlating worden beoordeeld.

4.18.

Bij de beoordeling van deze uitlating staat voorop dat [verweerder] in beginsel het recht heeft op vrijheid van meningsuiting. Dit recht is echter niet onbeperkt. [verweerder] moet daarbij de grenzen van zorgvuldigheid en betamelijkheid in het oog houden. Daartegenover staat immers het recht van [eiser 2] c.s. op bescherming van haar eer en goede naam. Het antwoord op de vraag welk van deze rechten zwaarder weegt, moet worden gevonden door een afweging van alle ter zake dienende omstandigheden van het geval. Bij deze afweging is ten eerste van belang dat [verweerder] zijn uitlating heeft gedaan jegens een werknemer van de grootste klant van [naam bedrijf 1] . Dat brengt mee dat [verweerder] zich bewust moest zijn van de impact die zijn uitlatingen zouden kunnen hebben op de bedrijfsvoering van [naam bedrijf 1] . Daarbij is relevant op welke wijze en in welke context [verweerder] zijn uitlatingen heeft gedaan. Uit de verklaring van [verweerder] volgt dat hij zijn uitlating eenmalig en mondeling heeft gedaan in de beslotenheid van een gesprek met een enkel persoon. Daarmee is het niet aannemelijk dat deze uitlating in de openbaarheid is gekomen of nog zal komen. Voorts heeft [verweerder] ter zitting verklaard dat hij uitsluitend zijn ontevredenheid heeft geuit over de afwikkeling van de overname van [naam bedrijf 1] . Niet gesteld is dat de capaciteiten of integriteit van [eiser 2] c.s. anderszins in twijfel zijn getrokken. Gegeven deze omstandigheden vormt de enkele opmerking van [verweerder] dat hij niet werd betaald en dat dat hem niet beviel geen onrechtmatige gedraging jegens [eiser 2] c.s.

4.19.

[eiser 2] c.s. stelt voorts dat [verweerder] is tekortgeschoten in de nakoming van een op hem rustende verbintenis voortvloeiend uit de overnameovereenkomst. Voor zover [verweerder] zich op het standpunt stelt dat hij de overnameovereenkomst is aangegaan met [naam bedrijf 1] als koper, is dit standpunt onvoldoende onderbouwd. De overnameovereenkomst vermeldt als kopende partij de heer [eiser 2] en mevrouw [eiser 3] en is door deze twee personen ondertekend. Dat [eiser 2] c.s. de handelsactiviteiten van de eenmanszaak [naam bedrijf 1] hebben ondergebracht in [naam bedrijf 1] , waarvan zij enig vennoten zijn, maakt niet dat [naam bedrijf 1] ook als koper onder de overnameovereenkomst moet worden aangemerkt. Hierna zal daarom als uitgangspunt gelden dat de overnameovereenkomst betreffende de handelsactiviteiten van de eenmanszaak [naam bedrijf 1] is aangegaan tussen [verweerder] als verkoper en [eiser 2] c.s. als koper.

4.20.

Artikel 4 van de overnameovereenkomst bepaalt – samengevat – dat [verweerder] de eerste zes maanden na de overname acht uur per week bij de onderneming betrokken zal zijn, zonder daarvoor een vergoeding te ontvangen. Na deze zes maanden zullen [eiser 2] c.s. [verweerder] inhuren voor een tarief van € 50,- per uur en zal [verweerder] zich voor een periode van minimaal twee jaar in blijven zetten voor de onderneming en zich ter beschikking houden voor advies en ondersteuning. Partijen hebben de overnameovereenkomst ondertekend op 19 januari 2018. Tussen partijen is niet in geschil dat [verweerder] in de loop van 2018 na ongeveer zeven maanden zijn inzet voor [naam bedrijf 1] heeft gestaakt. Voor zover [verweerder] heeft betwist dat sprake is van wanprestatie, heeft hij deze betwisting niet nader gemotiveerd, zodat daaraan voorbij wordt gegaan. [verweerder] is dan ook tekortgeschoten in de nakoming van de tussen partijen gesloten overnameovereenkomst.

4.21.

[eiser 2] c.s. heeft zich op het standpunt gesteld dat nakoming door [verweerder] als gevolg van het verstrijken van de tijd en de onherstelbaar toegebrachte schade niet meer mogelijk is. [verweerder] heeft dit niet betwist, maar voert als verweer dat [verweerder] zich met betrekking tot zijn werkzaamheden op een opschortingsgrond kon beroepen, omdat [eiser 2] c.s. weigerde de overuren van [verweerder] uit te betalen en [verweerder] voorts geen betaling voor de nog te werken uren in het vooruitzicht heeft gesteld. Dit verweer, voor zover relevant, slaagt niet. Zoals hiervoor in r.o. 4.13 overwogen heeft [verweerder] onvoldoende onderbouwd gesteld dat hij gedurende de eerste zes maanden meerwerk heeft geleverd dat door [eiser 2] c.s. vergoed zou moeten worden. Voorts heeft [verweerder] niet gesteld dat hij door hem gewerkte uren na de eerste zes maanden bij [eiser 2] c.s. in rekening heeft gebracht en dat [eiser 2] c.s. in gebreke is gebleven met betrekking tot de betaling van deze uren. Dit betekent dat niet is komen vast te staan dat sprake is van een niet-nakoming van een opeisbare verbintenis van de zijde van [eiser 2] c.s., zodat [verweerder] geen beroep toekomt op een opschortingsrecht. Omdat, zoals hiervoor overwogen, nakoming blijvend onmogelijk moet worden geacht, is bovendien geen verzuim vereist. [verweerder] is dan ook jegens [eiser 2] c.s. aansprakelijk voor de schade die [eiser 2] c.s. hebben geleden als gevolg van de in strijd met de tussen [verweerder] en [eiser 2] c.s. geldende overnameovereenkomst vroegtijdig gestaakte ondersteuning aan [naam bedrijf 1]

4.22.

[eiser 2] c.s. stelt dat zij als gevolg van de hiervoor genoemde tekortkoming van [verweerder] schade heeft geleden en verwijst daartoe onder andere naar teruglopende omzetcijfers van [naam bedrijf 1] [eiser 2] c.s. heeft hiermee voldoende aannemelijk gemaakt dat zij schade heeft geleden als gevolg van de tekortkoming van [verweerder] . Voor het vaststellen van de omvang van die schade zal de zaak naar de schadestaatprocedure worden verwezen.

4.23.

Toewijzing van een voorschot op schadevergoeding in deze civiele bodemprocedure, zoals door [eiser 2] c.s. gevorderd, vereist dat vaststaat dat [eiser 2] c.s. door het handelen van [verweerder] minimaal ter hoogte van het toe te wijzen bedrag schade lijdt. De omvang van de schade moet worden bepaald door een vergelijking van de toestand zoals deze in werkelijkheid is met de toestand zoals die (vermoedelijk) zou zijn geweest indien de tekortkoming door [verweerder] niet zou hebben plaatsgevonden.

4.24.

[eiser 2] c.s. stelt dat zij als gevolg van voornoemd handelen van [verweerder] in de eerste plaats schade heeft geleden in de vorm van teruggelopen omzet van [naam bedrijf 1] , waarvan [eiser 2] c.s. enig vennoten zijn. [verweerder] heeft het bestaan en de hoogte van de schade betwist. Als uitgangspunt geldt dat de gemiste winst en niet de gemiste omzet van [naam bedrijf 1] voor vergoeding in aanmerking komt. Bovendien heeft [eiser 2] c.s. niet gesteld in hoeverre een eventuele achteruitgang in de omzet van [naam bedrijf 1] het gevolg is van de tekortkoming door [verweerder] . Wat betreft de stelling van [eiser 2] c.s. dat zij de website van [naam bedrijf 1] heeft moeten aanpassen vanwege het plotselinge vertrek van [verweerder] , geldt dat [verweerder] het causaal verband tussen deze aanpassingen en zijn tekortkoming onder de overnameovereenkomst heeft betwist. Daarom staat onvoldoende vast dat, en voor welk bedrag [eiser 2] c.s. schade heeft geleden door het handelen van [verweerder] . Gelet hierop zal het gevorderde voorschot op de schadevergoeding worden afgewezen.

Verbod negatieve uitlatingen

4.25.

[eiser 2] c.s. heeft voorts verzocht [verweerder] te verbieden nog enige negatieve uitlatingen over [eiser 2] c.s. dan wel [naam bedrijf 1] aan derden te doen, op straffe van verbeurte van een boete. Deze vordering zal worden afgewezen. Het verbod is onvoldoende concreet omschreven, zowel wat betreft de inhoud van de uitlatingen als wat betreft de groep van personen jegens wie [verweerder] zich van dergelijke uitlatingen moet onthouden. Daarmee ziet het verbod niet uitsluitend op handelingen die onder alle omstandigheden als onrechtmatig moeten worden beschouwd. Dit neemt overigens niet weg dat de mogelijkheid bestaat dat wanneer [verweerder] zich op een dusdanige manier uitlaat tegen derden dat [eiser 2] c.s. daarvan schade ondervindt, het mogelijk zal zijn dat [verweerder] daarmee onrechtmatig handelt jegens [eiser 2] c.s. en daarvoor een schadevergoeding zal moeten betalen.

Beslag

4.26.

Volgens vaste jurisprudentie handelt degene die (conservatoir) beslag legt, op eigen risico en dient deze partij, bijzondere omstandigheden daargelaten, de door het beslag geleden schade te vergoeden indien het beslag ten onrechte blijkt te zijn gelegd, ook in het geval de beslaglegger op verdedigbare gronden van het bestaan van zijn vorderingsrecht overtuigd was en bij het leggen van het beslag niet lichtvaardig heeft gehandeld (HR 13 januari 1995, NJ 1997, 366). Omdat de vorderingen van [verweerder] in conventie zullen worden afgewezen, heeft [verweerder] onrechtmatig gehandeld jegens [eiser 2] c.s. door voor deze gepretendeerde vorderingen conservatoir beslag te leggen op appartementsrechten van [eiser 2] c.s. De door [eiser 2] c.s. gevorderde verklaring voor recht, zoals hiervoor vermeld in r.o. 3.4 onder IV, zal daarom worden toegewezen en [verweerder] is gehouden de door het beslag geleden schade van [eiser 2] c.s. te vergoeden.

4.27.

[eiser 2] c.s. stelt dat haar schade bestaat uit een bedrag van € 10.366,44 aan advocaatkosten, griffierecht en oproepingskosten in verband met de pogingen tot een minnelijke regeling te komen, het daaropvolgende kort geding tot opheffing van het beslag en de bijstand van [eiser 2] c.s. in het kader van de verkrijging van een bankgarantie.

4.28.

[verweerder] wordt niet gevolgd in zijn verweer dat deze schade niet voor vergoeding in aanmerking komt, omdat [eiser 2] c.s. de kosten van het opheffingskortgeding had kunnen voorkomen. [eiser 2] c.s. heeft onweersproken gesteld dat het voor haar essentieel was de op 17 juni 2019 gelegde beslagen zo spoedig mogelijk op te laten heffen, omdat zij op 1 juli 2019 haar volledige hypotheekportefeuille moest oversluiten. Dat betekent echter niet dat [eiser 2] c.s. gehouden was onmiddellijk akkoord te gaan met het aanbod van [verweerder] tot het stellen van een bankgarantie. Het stond [eiser 2] c.s. vrij te besluiten in reactie op de beslaglegging een opheffingskortgeding aanhangig te maken. Dat [eiser 2] c.s. en [verweerder] in het kader van die procedure een minnelijke regeling hebben bereikt en dat [eiser 2] c.s. in dat kader alsnog is overgegaan tot het stellen van een bankgarantie, maakt niet dat de door [eiser 2] c.s. gemaakte kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ook [verweerder] had immers kunnen voorkomen dat schade zou ontstaan als gevolg van de beslagleggingen. Zo is onweersproken gesteld dat [eiser 2] c.s. vervangende zekerheid heeft aangeboden in de vorm van deponering van het beslagbedrag op de derdengeldrekening van haar advocaat. [verweerder] had daarmee genoegen kunnen nemen om de kortgedingprocedure en de daarmee gemoeide kosten te voorkomen. De kosten van de kortgedingprocedure zijn een direct gevolg van de beslaglegging door [verweerder] en moeten daarom, met inachtneming van hetgeen hierna wordt overwogen, door [verweerder] worden vergoed.

4.29.

[verweerder] heeft de hoogte van de door [eiser 2] c.s. gevorderde advocaatkosten ad € 9.685,20 betwist. [eiser 2] c.s. heeft ter onderbouwing van haar vordering een factuur van Putters Advocatuur overgelegd, waarop het totaalbedrag vermeld staat dat op 2 juli 2019 aan honorarium in rekening is gebracht. Een specificatie van deze kosten ontbreekt, zodat hieruit zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet valt op te maken of en, zo ja, in welke mate deze kosten verband houden met de kortgedingprocedure, het bereiken van een minnelijke regeling en/of (bijvoorbeeld) de voorbereiding van deze bodemprocedure. Omdat vaststaat dat [eiser 2] c.s. als gevolg van het onterecht gelegde beslag schade heeft geleden in de vorm van advocaat- en proceskosten, maar de hoogte van de advocaatkosten onduidelijk is gebleven, zal de hoogte van de schade worden geschat op het bedrag dat wordt gerechtvaardigd door de regels betreffende de begroting van proceskosten. Wat betreft de verschotten is door [eiser 2] c.s. onweersproken gesteld dat deze € 267,40 betreffen, zodat dit bedrag zal worden toegewezen. De eveneens overgelegde factuur betreffende koeriersdiensten ad € 116,84 is reeds in dit bedrag inbegrepen en zal daarom worden afgewezen. Concluderend zullen de gevorderde advocaat- en proceskosten worden toegewezen tot een bedrag van € 1.544,40 (€ 980,- aan salaris advocaat plus € 297,- aan griffierecht plus € 267,40 aan verschotten) en voor het overige worden afgewezen.

4.30.

[verweerder] zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De door [eiser 2] c.s. gevorderde volledige proceskostenvergoeding in reconventie zal worden afgewezen, omdat hetgeen door [eiser 2] c.s. is aangevoerd onvoldoende is om vast te stellen dat [verweerder] misbruik heeft gemaakt van procesrecht bij zijn verweer tegen de vorderingen in reconventie. De proceskosten aan de zijde van [eiser 2] c.s. worden begroot op € 1.086,- (2,0 punten × tarief € 543,-) voor het salaris van de advocaat.

4.31.

De nakosten zullen worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiser 1] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde 1] c.s. tot op heden begroot op € 3.062,-, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van veertien dagen na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

in reconventie

5.3.

verklaart voor recht dat [verweerder] aansprakelijk is voor de schade die [eiser 2] c.s. als vennoten van de vennootschap onder firma [naam bedrijf 1] lijden, hebben geleden en/of nog zullen lijden ten gevolge van de door gedaagde in strijd met de tussen partijen geldende overnameovereenkomst vroegtijdig gestaakte ondersteuning aan [naam bedrijf 1] en dat [verweerder] de als gevolg daarvan geleden schade aan [eiser 2] c.s. dient te vergoeden;

5.4.

veroordeelt [verweerder] tot vergoeding van de als gevolg van het voorgaande geleden schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

5.5.

verklaart voor recht dat [verweerder] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser 2] c.s. door op 17 juni 2019 conservatoir beslag te leggen ten laste van [eiser 2] c.s.;

5.6.

veroordeelt [verweerder] tot vergoeding van de dientengevolge door [eiser 2] c.s. geleden schade voor een bedrag van € 1.544,40, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 11 september 2019 tot de dag van volledige betaling;

5.7.

veroordeelt [verweerder] in de proceskosten in reconventie, aan de zijde van [eiser 2] c.s. tot op heden begroot op € 1.086,-, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van veertien dagen na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.8.

wijst het meer of anders gevorderde af.

in conventie en in reconventie

5.9.

veroordeelt [eiser 1] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 246,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening.

5.10.

verklaart dit vonnis wat betreft de veroordelingen onder 5.2, 5.6, 5.7 en 5.9 uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. drs. L. Stevens en in het openbaar uitgesproken en ondertekend door de rolrechter mr. C. Bouwman op 1 april 2020.

2457/3192