Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:3509

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
08-04-2020
Datum publicatie
17-04-2020
Zaaknummer
C/10/580020 / HA ZA 19-745
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwikkeling huwelijksvoorwaarden. Vervalbeding kosten van gemeenschappelijke huishouding geldig. Nominaal vergoedingsrecht. Man mede aansprakelijk voor terugbetaling PGB-budget (dat niet naar zoon ging maar is opgemaakt in het huishouden).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/580020 / HA ZA 19-745

Vonnis van 8 april 2020

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats eiseres] , gemeente [gemeente 1] ,

eiseres,

advocaat mr. J.L.J. Leijendekker te Wijk bij Duurstede,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats gedaagde] , gemeente [gemeente 2] ,

gedaagde,

advocaat mr. K.W.A. Wools te Elst, Gelderland.

Partijen zullen hierna de vrouw en de man genoemd worden.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding, met producties,

  • -

    de conclusie van antwoord,

  • -

    de brief van deze rechtbank van 16 oktober 2019 waarbij een comparitie van partijen is bepaald op 26 februari 2020,

  • -

    de brief van de griffier aan partijen van 11 februari 2020, houdende de zittingsagenda,

  • -

    de akte overlegging producties van de vrouw,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 26 februari 2020, inclusief de daaraan gehechte comparitie-aantekeningen van de man met daarbij productie 1 van de man.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1.

Partijen zijn voormalige echtelieden. Partijen zijn onder het aangaan van huwelijksvoorwaarden (voor de tweede keer) met elkaar gehuwd op 31 december 1986. Uit het huwelijk van partijen zijn geboren de kinderen [naam zoon] , in 1992, en [naam dochter] , in 1994. De echtscheidingsbeschikking dateert van 18 juni 2015. Deze beschikking op 11 november 2015 ingeschreven in de daartoe bestemde registers.

2.2.

In de huwelijksvoorwaarden van partijen, gedateerd 30 december 1986, is onder meer, deels samengevat, het volgende bepaald:

- partijen sluiten elke gemeenschap uit;

- de kosten van de gemeenschappelijke huishouding worden voldaan naar rato van beider inkomen, en als dat niet toereikend mocht zijn naar rato van beider vermogen;

- het recht tot verrekening van de kosten van de gemeenschappelijke huishouding vervalt indien deze niet binnen één jaar na afloop van het betreffende kalenderjaar heeft plaatsgehad of schriftelijk gevorderd is;

- artikel 3 luidt:

Artikel 3

“De echtgenoten zijn, voor zover niet anders bepaald, verplicht aan elkaar te vergoeden, hetgeen aan het vermogen van de ene echtgenoot is onttrokken ten bate van de andere echtgenoot, ten bedrage van of naar de waarde ten dage van de onttrekking.

Deze vergoedingen zijn bij de ontbinding van het huwelijk of op elk ander tijdstip, waarop ieders rechten moeten worden vastgesteld, opeisbaar.”

2.3.

In het jaar 2000 hebben partijen gezamenlijk een woning aangeschaft op het adres [adres] te Randwijk (hierna: de woning). Deze aanschaf geschiedde onder de verkoop van de vorige woning van partijen, gelegen in Rhenen. Deze verkoop leverde de man ƒ 110.000,-- op en de vrouw ƒ 140.000,--.

De aanschaf van de woning is gefinancierd met een hypothecaire geldlening van

ƒ 172.182,-- (€ 78.133), afgesloten bij ASR Fortis, en daarnaast met voormelde bedragen van ƒ 110.000,-- en ƒ 140.000,--.

2.4.

Partijen hebben ter gelegenheid van aanschaf van de woning in 2000 tevens

een aan de woning grenzend perceel grond gekocht voor ƒ 18.000,-- (€ 8.168,04).

2.5.

Zoon [naam zoon] is op enig moment (omstreeks 2012 of 2013) vanuit een instelling weer bij zijn ouders komen wonen. Ten behoeve van [naam zoon] is toen een PGB-budget verleend. De vrouw beheerde dit budget.

2.6.

De hypothecaire geldlening is in 2014 overgesloten naar ING en daarbij verhoogd naar € 118.000,--.

2.7.

De woning is in 2018 verkocht aan een derde. Na verkoop resteerde een overwaarde van € 78.901,39. Partijen zijn schriftelijk overeengekomen om deze overwaarde in depot te laten staan bij de notaris totdat de rechter heeft beslist aan wie van hen dit bedrag toekomt, tenzij partijen alsnog tot een schikking mochten komen.

2.8.

Partijen zijn niet alsnog tot een schikking gekomen.

3. De vordering en het verweer

3.1.

De vrouw vordert, bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij

voorraad:

1. te bepalen dat het volledige depot bij notaris Jansen - conform de hierbij

overgelegd productie - uitsluitend aan de vrouw toekomt (op basis van het in deze

dagvaarding gestelde) en - bij vonnis - te bepalen dat notaris Jansen dit depotbedrag verhoogd met de rente - uitsluitend aan de vrouw dient uit te keren op een door haar aan te wijzen rekeningnummer, een en ander binnen twee dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis aan de man;

2. met veroordeling van de man in de kosten van deze procedure.

3.2.

De vrouw stelt daartoe dat zij een vergoedingsrecht heeft dat hoger is dan het depotbedrag omdat zij:

- schenkingen en erfenissen van haar ouders heeft ontvangen, steeds met toepassing van de uitsluitingsclausule,

- haar schenkingen en erfenissen heeft aangewend voor de echtelijke woning en in het huishouden, in een mate die het depotbedrag (ruim) overstijgt,

- tijdens het huwelijk alle overige lasten heeft voldaan.

3.3.

De man heeft de vordering van de vrouw deels erkend en deels betwist.

3.4.

De stellingen en weren zullen waar nodig in de beoordeling worden betrokken.

4. De beoordeling

4.1.

De rechtbank maakt een onderscheid tussen:

- de kosten van de gemeenschappelijke huishouding en

- aanwending van privégeld van de vrouw ten behoeve van de gemeenschap.

de kosten van de gemeenschappelijke huishouding

4.2.

De vrouw is te laat met haar vordering tot verrekening van de kosten van de gemeenschappelijke huishouding. Het beroep van de man op het vervalbeding in de huwelijksvoorwaarden slaagt. De vrouw had haar vordering moeten instellen uiterlijk in het kalenderjaar volgend op het jaar waar de kosten betrekking op hebben. Dit heeft zij niet gedaan, althans stelt de vrouw niets waaruit kan worden afgeleid dat zij wel op tijd was. In zoverre is haar standpunt tegenover het gemotiveerde verweer niet voldoende nader onderbouwd.

4.3.

In dit oordeel weegt de rechtbank de aard van het onderhavige vervalbeding mee. Dit beding ziet op verrekening van de kosten van de gemeenschappelijke huishouding. Een beroep op een dergelijk vervalbeding is niet (reeds) in beginsel onaanvaardbaar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid, aldus de Hoge Raad (HR 15 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW3044).

Dit zou anders zijn indien het vervalbeding in de huwelijksvoorwaarden betrekking zou hebben op verrekening van overgespaarde inkomsten tijdens het huwelijk. Een beroep op een dergelijk vervalbeding is in beginsel wél naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar, tenzij blijkt van - door de echtgenoot die zich op het vervalbeding beroept te stellen en zo nodig te bewijzen - omstandigheden die een beroep op het beding rechtvaardigen (vgl. HR 19 januari 1996, NJ 1996, 617, niet gepubliceerd op rechtspraak.nl). Maar zo’n beding is niet aan de orde.

4.4.

Een beding dat niet in beginsel onaanvaardbaar wordt geacht, kan alsnog onaanvaardbaar zijn vanwege de concrete omstandigheden van het geval. De vrouw stelt echter geen feiten of omstandigheden die de conclusie kunnen rechtvaardigen dat het beroep van de man op het vervalbeding in de concrete omstandigheden van het geval onaanvaardbaar is. Integendeel, de vrouw stelt er helemaal niets over.

4.5.

Op de grondslag van verrekening van de kosten van de gemeenschappelijke huishouding is de vordering van de vrouw daarom niet toewijsbaar.

aanwending van privé-geld van de vrouw ten behoeve van de gemeenschap

4.6.

De vrouw stelt voorts dat zij een vergoedingsrecht heeft omdat zij privégeld heeft aangewend ter aanschaf en verbouwing van een gemeenschappelijk goed, namelijk de woning.

4.7.

Tussen partijen is niet in geding dát artikel 3 van de huwelijksvoorwaarden een vergoedingsrecht geeft aan de echtgenoot die privégeld heeft aangewend ten bate van de andere echtgenoot. Evenmin is in geding dat dit een nominaal vergoedingsrecht is (d.w.z. een latere waardestijging van het goed is niet van invloed op de hoogte van het vergoedingsrecht).

4.8.

Tussen partijen is wel in geding de vraag of de schenkingen en makingen aan de vrouw zijn gedaan met/ zonder toepassing van de uitsluitingsclausule. Dit debat is irrelevant. Door toepassing van deze clausule zou een schenking of erfenis niet in de huwelijksgemeenschap vallen. Maar tussen partijen bestond geen huwelijksgemeenschap. Dan kan daar per definitie geen erfenis of schenking in vallen. Een uitsluitingsclausule zou slechts hebben geleid tot een rechtspositie tussen partijen die er toch al was.

4.9.

Voor zover de man betwist dat de vrouw überhaupt privégeld had, is dat verweer onvoldoende onderbouwd. De door de vrouw overgelegde verificatoire bescheiden, met name bankafschriften en testamenten, wijzen er duidelijk op dat de vrouw substantiële bedragen heeft verkregen uit erfenis en schenking, waaronder in ieder geval:

- € 164.648 ‘schenking [naam persoon]’ op 5 januari 2001

- € 4.143 schenking door ouders vrouw op 14 januari 2005

- € 30.504,49 op 30 november 2009 (deel erfenis vader).

De man maakt niet (goed) duidelijk wat onjuist zou kunnen zijn aan deze bescheiden.

4.10.

Voor een vergoedingsrecht is, anders dan de vrouw lijkt te veronderstellen, niet beslissend dat de vrouw privégeld heeft verkregen, noch dat het geld is opgemaakt in de huwelijkse periode. Beslissend is waar dat geld naar toe is gegaan: heeft de vrouw dit geld zelf opgemaakt, aangewend ter delging van de kosten van de gemeenschappelijke huishouding (waaromtrent zij, zoals geoordeeld, geen vordering meer heeft), dan wel in de woning geïnvesteerd? Slechts in het laatste geval heeft de vrouw een vergoedingsrecht.

4.11.

Ook als juist is de stelling van de vrouw dat haar investeringen in de woning hoger zijn dan het depotbedrag, dan rechtvaardigt dat niet zonder meer de conclusie dat zij volledig recht heeft op het depotbedrag. De man kan immers van zijn kant ook privégeld in de woning hebben geïnvesteerd. En dat doet zich voor, want de vrouw erkent zelf al (in haar productie 1A) dat de aanschaf van de woning mede is gefinancierd met zowel eigen geld van de vrouw (ƒ 140.000) als van de man (ƒ 110.000). In de eigen stellingname van de vrouw ligt dus besloten dat ook de man een vergoedingsrecht heeft.

4.12.

De voorliggende rechtsvraag is dus eigenlijk: welke vergoedingsrechten hebben partijen over en weer en wie heeft dan - per saldo - welk bedrag te vorderen van de ander? Daartoe dienen de vergoedingsrechten die beide partijen claimen separaat beoordeeld te worden (zijdens de man bij wijze van verrekeningsverweer, er is geen eis in reconventie ingesteld).

erkende vergoedingsrechten vrouw

4.13.

Als erkend door de man in zijn pleitnota staat vast dat de vrouw de navolgende vergoedingsrechten heeft:

- € 13.613,41 ( inleg in aanschaf woning: ƒ 140.000,-- vrouw minus ƒ 110.000,-- man = ƒ 30.000,--/ € 13.613,41)

- € 18.691,39 ( ƒ 41.190,41 kosten aanbouw)

- € 5.989,90 ( ƒ 13.200 aanschaf parket).

overige vorderingsrechten vrouw

4.14.

De vrouw heeft net voor de comparitie een omvangrijke akte met producties genomen. Voor zover de vrouw aanneemt dat uit die producties zonder meer blijkt van nog meer aan haar toekomende vergoedingsrechten, gaat de rechtbank daar aan voorbij. Het is niet aan de rechtbank om in de producties naar het eventuele gelijk van een procespartij te gaan zoeken. Het is aan die procespartij op zijn standpunt deugdelijk te onderbouwen. Overlegging van producties kan niet dienen als vervanging van de taak van een advocaat om het standpunt van zijn cliënte voldoende duidelijk naar voren te brengen. Anders kan een wederpartij niet goed weten waartegen hij zich heeft te verweren. De rechtbank houdt daarom slechts rekening met vergoedingsrechten waaromtrent een voldoende partijdebat heeft kunnen plaatsvinden. Dat zijn (alleen) de vergoedingsrechten van de vrouw die ter comparitie zijn besproken. In haar dagvaarding noemt de vrouw geen enkel afzonderlijk vergoedingsrecht. Daarin stelt zij slechts dat zij recht heeft op het depotbedrag omdat zij in de woning en in de kosten van de huishouding heeft geïnvesteerd in een mate die het depotbedrag overstijgt.

overschot bij aankoop woning

4.15.

De man rekent in zijn pleitnota voor dat er geld overbleef na verkoop van de vorige woning (in Rhenen) en aankoop van de woning inclusief perceel grond (in Randwijk), het plaatsen van de aanbouw en de koop van het parket, namelijk ƒ 21.682. De man trekt daaruit de conclusie dat dit bedrag in mindering moet strekken op de vordering van de vrouw. Dit betoog faalt. De rechtsvraag is niet of er geld over was, maar of er privégeld door de ene echtgenoot is aangewend ten bate van de andere echtgenoot. De man stelt niets waaruit kan worden afgeleid dat het gestelde overschot geheel of gedeeltelijk zijn privégeld was en evenmin dat/ hoe dit overschot ten bate van de vrouw is aangewend. In zoverre is zijn stellingname onvoldoende onderbouwd.

Waar het gestelde overschot dan feitelijk aan is opgegaan, is niet de rechtsvraag die voorligt.

vergoedingsrecht man € 12.500,-- PGB-schuld vrouw

4.16.

De man stelt dat de gezamenlijke hypothecaire geldlening in 2014 is verhoogd, onder meer om een PGB-schuld van de vrouw van € 25.000,-- betreffende ‘haar zoon’ te kunnen voldoen en dat hij een vergoedingsrecht heeft ter hoogte van de helft.

4.17.

De vrouw stelt daar tegenover dat het bedrag dat zij geleend zou hebben uit het PGB-budget van de zoon is opgegaan in het huishouden, aangezien de inkomsten van de man en de vrouw niet voldoende waren om een gezin van te onderhouden. Het betreft dan ook een huishoudpotje en hier kan geen verrekening meer plaatsvinden.

4.18.

De rechtbank is van oordeel dat het standpunt van de man faalt. De rechtbank begrijpt dat het volgende is geschied. Zoon [naam zoon] was vanuit een instelling weer thuis bij zijn ouders komen wonen en te zijner behoeve is toen een PGB-budget verleend. De vrouw erkent dat zij dit budget (uit arren moede, partijen kwamen altijd geld tekort) heeft besteed ter delging van huishoudelijke kosten, in plaats van aan [naam zoon] . De terugvordering van dit budget wekt dus geen verbazing. De man veronderstelt kennelijk dat de terugvordering geen gemeenschapsschuld is, maar een schuld op naam van alleen de vrouw. Dit betoog kan niet worden aanvaard. De man heeft er kennelijk mee ingestemd om de hypotheekschuld te verhogen om de terugvordering te kunnen betalen. De man stelt niet dat hij zich bij het verhogen van de hypotheekschuld een regresrecht heeft voorbehouden omdat hij niet wilde meebetalen. De vrouw heeft daarom, zo nodig stilzwijgend, mogen begrijpen dat de man ermee instemde om samen deze schuld te voldoen. Daarmee is het een - contractuele - gemeenschapsschuld, die voldaan is uit gemeenschappelijke middelen. En dan valt er niets te verrekenen tussen partijen.

Voor zover de terugvordering op naam van alleen de vrouw mocht zijn gesteld noopt dat niet tot een ander oordeel, ook niet in het licht dat partijen buiten elke gemeenschap gehuwd waren. Eén en ander neemt immers niet weg de (stilzwijgende) overeenkomst om deze schuld gezamenlijk te dragen.

4.19.

Het verweer van de man faalt ook om een andere reden. De man zou ongerechtvaardigd worden verrijkt als zijn verweer zou slagen. Ook de man is er gebaat bij geweest dat het PGB-budget voor [naam zoon] werd aangewend ter delging van de kosten van de gemeenschappelijke huishouding. Het gaat niet aan om deze schuld dan niet mede te willen dragen.

4.20.

Slotsom is dat uit het depot toekomt aan de vrouw € 13.613,41 + € 18.691,39 + € 5.989,90 en dat het restant bij helfte moet worden verdeeld.

4.21.

Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

4.22.

Volgens de letterlijke tekst van het petitum zou de notaris veroordeeld moeten worden tot uitbetaling van het depotbedrag aan de vrouw. De rechtbank kan de notaris echter niet veroordelen, want de notaris is geen partij in dit geding. In de beslissing zal daarmee rekening worden gehouden. De rechtbank neemt daarbij, zonodig, in acht dat zij volgens de jurisprudentie van de Hoge Raad bij vorderingen tot verdeling van een gemeenschap, en daar gaat het hier deels om, mag afwijken van het gevorderde (HR 17 april 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2631).

5. De beslissing

De rechtbank

5.1.

bepaalt dat van het bedrag dat in depot staat bij notaris Jansen toekomt aan de vrouw: € 13.613,41 + € 18.691,39 + € 5.989,90 en bepaalt dat het restant bij helfte tussen partijen moet worden verdeeld,

5.2.

verklaart het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.3.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.J. Heevel en ondertekend en in het openbaar uitgesproken door de rolrechter mr. J.F. Koekebakker op 8 april 2020.

[2517/1515]