Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:3499

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
25-03-2020
Datum publicatie
16-04-2020
Zaaknummer
C/10/581356 / FA RK 19-7657
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verhuiszaak tijdens corona-crisis. Overeenstemming tussen partijen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie

zaaknummer / rekestnummer: C/10/581356 / FA RK 19-7657

Beschikking van 25 maart 2020 betreffende het ouderlijk gezag, de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, de vervangende toestemming voor verhuizing naar Spanje op grond van artikel 1:253a BW en de hoofdverblijfplaats

in de zaak van:

[naam man] , de man,

wonende te [woonplaats man] ,

advocaat mr. S. Meeuwsen te Gorinchem,

t e g e n

[naam vrouw] , de vrouw,

wonende te [woonplaats vrouw] ,

advocaat mr. M.G. Hoogerwerf te Dordrecht.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift met bijlagen van de man, ingekomen op 4 september 2019;

  • -

    het rapport van de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht van 9 december 2019;

  • -

    de brief met bijlage van de vrouw van 14 oktober 2019;

  • -

    het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 16 januari 2020;

  • -

    de brief met bijlagen van de vrouw van 19 maart 2020;

  • -

    de brief met pleitnotitie van de vrouw van 24 maart 2020;

  • -

    de brief met pleitnotitie van de man van 24 maart 2020.

1.2.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 24 maart 2020. Bij die gelegenheid zijn (als maatregel tegen het coronavirus) telefonisch gehoord:

  • -

    de man, bijgestaan door zijn advocaat;

  • -

    de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

  • -

    de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), vertegenwoordigd door [naam vertegenwoordiger] .

2 De vaststaande feiten

2.1.

Uit de vrouw is geboren de minderjarige:

[naam minderjarige] , geboren op [geboortedatum minderjarige] 2010 te [geboorteplaats minderjarige] .

2.2.

De man heeft de minderjarige erkend.

2.3.

De vrouw oefent alleen het ouderlijk gezag uit over de minderjarige.

2.4.

Partijen hebben in 2017 door tussenkomst van het Centrum voor Jeugd en Gezin een omgangsregeling op papier gezet en ondertekend. Die omgangsregeling houdt in dat de minderjarige bij de man verblijft een weekend in de veertien dagen van vrijdagmiddag uit school tot zondag 20:00 uur, alsmede tijdens de helft van de vakanties en feestdagen. De afspraken die partijen in december 2017 hebben gemaakt onder begeleiding van Centrum voor Jeugd en Gezin vermelden ook dat de man het recht heeft om de erkenning van en het gezag over de minderjarige middels een advocaat aan te vragen, maar dat het advies is om hier over een jaar op terug te komen.

2.5.

Bij kort gedingvonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam van 16 september 2019 is het de vrouw verboden om met de minderjarige naar Spanje dan wel een ander buitenland te verhuizen totdat is beslist in deze procedure. Ook is de vrouw veroordeeld tot nakoming van voornoemde omgangsregeling en is de raad verzocht om een verkort (raads)onderzoek uit te voeren.

3 De beoordeling

3.1.

Gezag, verhuizing en zorgregeling

3.1.1.

Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling overeenstemming bereikt over de verzoeken van de man tot gezamenlijk gezag en het vaststellen van een zorgregeling, en de verzoeken van de vrouw tot toestemming voor haar verhuizing en het vaststellen van een zorgregeling.

De man heeft uiteindelijk, met inachtneming van de hierna vermelde afspraken, ingestemd met de verhuizing van de vrouw met de minderjarige naar Spanje. Partijen hebben verder afgesproken dat de man, samen met de vrouw, met het ouderlijk gezag over de minderjarige zal worden belast. De rechtbank zal overeenkomstig beslissen.

3.1.2.

Partijen zijn een zorgregeling overeengekomen vanaf het moment dat de vrouw met de minderjarige in Spanje woont. Zolang de vrouw en de minderjarige nog in Nederland verblijven, zal de huidige omgangsregeling worden voortgezet.

Partijen hebben afgesproken dat de vrouw aan de man laat weten wanneer zij naar Spanje zal vertrekken en het gehele weekend voordat de vrouw en de minderjarige zullen vertrekken, zal de minderjarige bij de man verblijven.

Vanaf het moment dat de vrouw en de minderjarige in Spanje verblijven, gelden de volgende afspraken:

a. de vrouw of de minderjarige zal in ieder geval elke dinsdag, donderdag en zondag om 19:00 uur naar de man videobellen voor contact tussen de man en de minderjarige,

waarbij geldt dat, als de minderjarige en de man merken dat zij vaker met elkaar willen videobellen, hen dat vrij staat met een redelijke frequentie
en waarbij geldt dat de vrouw er altijd voor zorgt dat de man tijdig beschikt over het juiste telefoonnummer van de minderjarige;

de minderjarige zal in 2020 de laatste twee weken van de zomervakantie bij de man in Nederland verblijven en vanaf 2021 de laatste drie weken van de zomervakantie (in onderling overleg),
alsmede elk jaar één week tijdens de kerstvakantie (in 2020 tijdens het eerste deel van de kerstvakantie, in 2021 het tweede deel etc.);

de vrouw zal de retourkosten van het reizen naar Nederland voor haar rekening nemen;

de man is, als het voor de vrouw niet mogelijk is om naar Nederland te komen, bereid om, op kosten van de vrouw, de minderjarige in Spanje op te halen en terug te brengen;

de man zal tijdens de Paasvakantie, eventueel met zijn zus en/of moeder, op eigen kosten een week naar Spanje komen, waarbij hij zelf het verblijf regelt en betaalt, en de man is in die week vrij om omgang met de minderjarige te hebben;

de vrouw zal de man wekelijks per e-mail informeren over het welzijn van de minderjarige;

de man zal, wanneer de minderjarige bij hem in Nederland verblijft, de vrouw wekelijks per e-mail informeren over het welzijn van de minderjarige;

wanneer de minderjarige bij de man verblijft, staat het haar vrij om de vrouw te bellen, met een redelijke frequentie.

3.2.

Hoofdverblijfplaats

3.2.1.

Gelet op de bereikte overeenstemming tussen partijen zal de rechtbank het verzoek van de vrouw, om de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij haar te bepalen, toewijzen.

3.3.

Ingetrokken verzoek

3.3.1.

De man heeft het verzoek ten aanzien van de erkenning van de minderjarige tijdens de mondelinge behandeling ingetrokken. De rechtbank zal het verzoek daarom afwijzen.

3.4.

Proceskosten

3.4.1.

De vrouw verzoekt de man te veroordelen in de kosten van de procedure. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van de in het familierecht gebruikelijke compensatie van de proceskosten. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw afwijzen.

4 De beslissing

De rechtbank:

4.1.

belast de man, samen met de vrouw, met het ouderlijk gezag over de minderjarige:

[naam minderjarige] , geboren op [geboortedatum minderjarige] 2010 te [geboorteplaats minderjarige] ;

4.2.

bepaalt dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de vrouw zal zijn;

4.3.

bepaalt dat de vrouw met ingang van vandaag niet meer gehouden is aan het verhuisverbod zoals bepaald in het kort gedingvonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam van 16 september 2019;

4.4.

neemt op in deze beschikking de tussen partijen getroffen regelingen als neergelegd in 3.1.2.;

4.5.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

4.6.

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

4.7.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.J. Klomp, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. E.A.C. van Dijk op 25 maart 2020.

Voor zover in deze beschikking een of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, staat tegen deze beschikking hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.

Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden voor het instellen van hoger beroep.