Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:3449

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
10-04-2020
Datum publicatie
17-04-2020
Zaaknummer
7948004 CV EXPL 19-32821
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzet. Overeenkomst van opdracht. Toepasselijkheid algemene voorwaarden. Geen bewijs dat factuur door gedaagde is ontvangen, maar deze is ingebracht in procedure. Geen bewijs dat 14-dagenbrief is ontvangen, afwijzing buitengerechtelijke incassokosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 7948004 CV EXPL 19-32821

uitspraak: 10 april 2020

vonnis in verzet van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

C.V.U. Uitvaartzorg B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres bij exploot van dagvaarding van 1 maart 2019, thans gedaagde in verzet,

gemachtigde: Boeder Incasso te Haarlem,

tegen

[eiser] ,

wonende te [woonplaats eiser] ,

gedaagde, thans eiser in verzet,

gemachtigde: mr. M.P.H. Harten te Den Haag.

Partijen worden hierna aangeduid als “C.V.U. Uitvaartzorg” respectievelijk “ [eiser] ”.

1. Het verloop van de procedure

1.1

Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen:

 de oorspronkelijke dagvaarding, met productie;

 het verstekvonnis van 3 april 2019;

 de verzetdagvaarding van 7 juli 2019;

 de conclusie van antwoord in oppositie, met producties;

 het tussenvonnis van 29 augustus 2019;

 de aantekeningen van de griffier van de mondelinge reactie van 19 december 2019 van [eiser] ;

 de conclusie van repliek in oppositie.

1.2

De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen, voor zover van belang, het volgende vast.

Bij onder zaaknummer 7583277 CV EXPL 19-10701 gewezen verstekvonnis van 3 april 2019 heeft de kantonrechter [eiser] veroordeeld tot betaling aan C.V.U. Uitvaartzorg van € 453,51, vermeerderd met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW over € 447,52 vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van algehele voldoening. Ook heeft de kantonrechter [eiser] veroordeeld in de kosten van de procedure, aan de zijde van C.V.U. Uitvaartzorg vastgesteld op € 224,06 aan verschotten en € 72,00 aan salaris voor haar gemachtigde.

3. Het geschil

3.1

C.V.U. Uitvaartzorg heeft bij (oorspronkelijke) dagvaarding gevorderd [eiser] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen aan C.V.U. Uitvaartzorg te betalen € 499,99, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding, met veroordeling van [eiser] in de kosten van de procedure.

3.2

Aan de eis heeft C.V.U. Uitvaartzorg - zakelijk weergegeven - ten grondslag gelegd dat [eiser] ondanks aanmaning in gebreke is gebleven met de tijdige en volledige betaling van een hem gezonden factuur wegens door C.V.U. Uitvaartzorg in opdracht en voor rekening van [eiser] verleende diensten. Het betreft een bedrag van € 447,52. Naast dat bedrag en de wettelijke rente (in de zin van artikel 6:119 BW daarover) maakt C.V.U. Uitvaartzorg jegens [eiser] aanspraak op een bedrag van € 81,23 aan buitengerechtelijke kosten. Om proceseconomische redenen heeft C.V.U. Uitvaartzorg haar vordering beperkt tot een bedrag van € 499,99, onder reservering van haar rechten op het meerdere.

3.3

Het door [eiser] ingestelde verzet strekt ertoe hem te ontheffen van de bij voormeld verstekvonnis tegen hem uitgesproken veroordeling, dat verstekvonnis te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de vordering van C.V.U. Uitvaartzorg af te wijzen, met veroordeling van C.V.U. Uitvaartzorg in de kosten van het geding.

3.4

Daartoe heeft [eiser] - zakelijk weergegeven - primair aangevoerd dat hij geen (schriftelijke) overeenkomst is aangegaan met C.V.U. Uitvaartzorg, uit hoofde waarvan zij een bedrag van € 499,99 van hem te vorderen zou hebben. Hij betwist ook dat C.V.U. Uitvaartzorg diensten voor hem heeft verricht. De beweerdelijke factuur kent hij niet en ook is hij nimmer in gebreke gesteld, zodat hij ook nooit in verzuim kan zijn geraakt. [eiser] is bovendien niet bekend met de algemene voorwaarden van C.V.U. Uitvaartzorg. Hij heeft deze nooit ontvangen en heeft niet ingestemd met de toepasselijkheid ervan. [eiser] betwist die toepasselijkheid. Mochten de algemene voorwaarden wel van toepassing zijn, dan zijn deze onredelijk bezwarend voor [eiser] als consument. Uiterst subsidiair stelt [eiser] zich op het standpunt dat C.V.U. Uitvaartzorg toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst, nu zij in gebreke is gebleven met de tijdige installatie van onder meer audioapparatuur voor de zanger en de piano. De hierdoor ontstane vertraging komt voor rekening en risico van C.V.U. Uitvaartzorg. Ten slotte stelt [eiser] dat hij geen vertragingsrente en incassokosten verschuldigd is geworden, omdat hij niet in verzuim is komen te verkeren.

3.5

Op hetgeen partijen verder nog hebben aangevoerd, wordt hierna, voor zover van belang voor de uitkomst van de procedure, teruggekomen.

4. De beoordeling

4.1

Niet in geschil is dat [eiser] tijdig verzet heeft ingesteld tegen het verstekvonnis. Hij kan dan ook in het verzet worden ontvangen.

4.2

Het geschil spitst zich in de eerste plaats toe op de vraag of tussen C.V.U. Uitvaartzorg en [eiser] sprake was van een overeenkomst van opdracht en, zo ja, of daarop de door C.V.U. Uitvaartzorg gehanteerde Algemene Voorwaarden van toepassing zijn.

4.3

C.V.U. Uitvaartzorg heeft bij de conclusie van antwoord in oppositie als productie 2 overgelegd een document getiteld “Aanname uitvaart en kostenbegroting CVU Uitvaartzorg”.

Op blad 1 van 4 van dit document staan vermeld de gegevens van de overledene, [naam overledene] , en blad 3 van 4 bevat een kostenbegroting voor de uitvaart. Op blad 4 van 4 is [eiser] aangeduid als “Ondergetekende, Opdrachtgever”. Bij de gegevens behorende bij de opdrachtgever staan onder meer genoemd het adres [adres] , [postcode] Rotterdam en de relatie “broer”. Namens C.V.U. Uitvaartzorg is de heer [naam persoon] aangeduid als “Opdrachtnemer”. Op blad 4 van 4, dat is voorzien van twee handtekeningen en de vermelding “Opgemaakt te: Rotterdam op 5 april 2018 om 16:16 uur”, staat verder het volgende vermeld:

“verklaren overeenstemming te hebben bereikt over de verzorging van de uitvaart volgens omschreven personalia, plaats, dag, tijden en tijdsduur van de uitvaart, tekst van de rouwcirculaire c.q. overlijdensadvertentie(s), de wijze van uitvoering en de daarop betrekking hebbende de kosten. Op deze overeenkomst zijn de Algemene Voorwaarden van CVU Uitvaartzorg B.V., op 30 december 2010 gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel Rotterdam, van toepassing. Opdrachtgever verklaart door middel van ondertekening dezes, door CVU Uitvaartzorg B.V. in het bezit is gesteld van voornoemde voorwaarden en daarvan kennis te hebben genomen.

De opdrachtgever verklaart zich ervan te hebben vergewist dat deze overeenkomst uit vier pagina’s bestaat en zich ervan bewust te zijn dat:

-de kosten slechts een schatting geeft van de hoogte van de kosten voortvloeiende uit de overeenkomst,

-de definitieve uitvaartkosten op basis van nacalculatie zullen worden berekend,

-die nacalculatie voor hem bindend zal zijn en

-hij door ondertekening van deze overeenkomst aansprakelijk is voor de betaling van de uitvaartkosten.”

4.4

Nu [eiser] niet stellig heeft betwist dat de handtekening op het document “Aanname uitvaart en kostenbegroting CVU Uitvaartzorg” de zijne is, moet reeds op grond van het voorgaande worden geconcludeerd dat tussen [eiser] en C.V.U. Uitvaartzorg sprake was van een overeenkomst tot opdracht met betrekking tot het verzorgen van de uitvaart van zijn broer. Dat [eiser] ook is uitgegaan van het bestaan van een overeenkomst van opdracht, volgt bovendien ook uit de als productie 4 overgelegde e‑mailwisseling, waaruit blijkt dat [eiser] en uitvaartverzorger [naam persoon] op 4 en 5 april 2018 overleg hebben gevoerd over onder meer de kosten voor consumpties bij de uitvaartplechtigheid en de te gebruiken tekst voor de rouwkaart. Dat [eiser] , naar hij heeft aangevoerd, de overeenkomst slechts zou zijn aangegaan als vertegenwoordiger van zijn overleden broer, is onverenigbaar met het bepaalde in artikel 3:72 onder a BW, waarin onder meer is bepaald dat een volmacht eindigt door de dood van de volmachtgever. Dat verweer wordt dan ook verworpen.

4.5

Verder beroept [eiser] zich op dwaling (artikel 6:228 BW). Ter onderbouwing hiervan stelt [eiser] dat C.V.U. Uitvaartzorg duidelijker had moeten aangeven dat uitvaartkosten, bij een ontoereikende uitkering door de uitvaartverzekering, door [eiser] zelf zouden moeten worden betaald. Gelet op de grote impact van het overlijden van zijn broer op de gemoedstoestand van [eiser] , rustte op C.V.U. Uitvaartzorg een verzwaarde mededelingsplicht, waaraan C.V.U. Uitvaartzorg niet heeft voldaan. Bij een juiste voorstelling van zaken zou hij de overeenkomst van opdracht niet zijn aangegaan, aldus [eiser] .

Voor een geslaagd beroep op dwaling is om te beginnen vereist dat de betrokken partij is uitgegaan van een onjuiste voorstelling van zaken, die - behoudens de situatie waarin sprake is van wederzijdse dwaling - te wijten is aan inlichtingen van de wederpartij dan wel het achterwege blijven van inlichtingen. Nu [eiser] zich beroept op het rechtsgevolg van dwaling, rust op [eiser] op grond van artikel 150 Rv de stelplicht en eventuele bewijslast van zijn stelling dat de overeenkomst van opdracht onder invloed van dwaling tot stand is gekomen.

De omstandigheid dat het overlijden van zijn broer een grote impact had op de gemoedstoestand van [eiser] is op zichzelf, hoe begrijpelijk ook, onvoldoende om te oordelen dat C.V.U. Uitvaartzorg de op haar op grond van artikel 6:228 lid 1 onder b BW rustende mededelingsplicht heeft geschonden. Verder is van belang dat, zoals hierboven al is overwogen, [eiser] door middel van de ondertekening van de “Aanname uitvaart en kostenbegroting CVU Uitvaartzorg” heeft verklaard zich ervan bewust te zijn dat de kostenbegroting slechts een schatting geeft van de hoogte van de uitvaartkosten, de definitieve uitvaartkosten op basis van nacalculatie zullen worden berekend en die nacalculatie voor [eiser] bindend zal zijn, alsmede dat [eiser] door ondertekening van deze overeenkomst aansprakelijk is voor de betaling van de uitvaartkosten. Ten slotte is in de kostenbegroting meegenomen dat de uitkering van een polis van Yarden zou leiden tot het in mindering brengen van een bedrag van € 8.487,20 op het totaal van de kosten van de uitvaart. Onder deze omstandigheden is de kantonrechter van oordeel dat [eiser] onvoldoende concrete feiten en omstandigheden heeft gesteld en onderbouwd voor een geslaagd beroep op dwaling.

4.6

De stelling van [eiser] , dat C.V.U. Uitvaartzorg geen opeisbare vordering op hem heeft voortvloeiende uit een schriftelijke overeenkomst, wordt op grond van het voorgaande verworpen.

4.7

Met betrekking tot de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden overweegt de kantonrechter als volgt.

Uit het verweer van [eiser] begrijpt de kantonrechter dat hij zich niet gebonden acht aan de algemene voorwaarden van C.V.U. Uitvaartzorg, omdat deze niet aan hem ter hand zijn gesteld.

Op grond van artikel 6:232 BW is een wederpartij ( [eiser] ) ook dan aan de algemene voorwaarden gebonden als bij het sluiten van de overeenkomst de gebruiker (C.V.U. Uitvaartzorg) begreep of moest begrijpen dat zij de inhoud daarvan niet kende. De vraag of de toepasselijkheid van algemene voorwaarden is overeengekomen moet worden beantwoord aan de hand van de bepalingen over aanbod en aanvaarding. Uit artikel 6:232 BW volgt dat het voldoende is dat de gelding van het geheel van voorwaarden is aanvaard. Uit de door C.V.U. Uitvaartzorg overgelegde “Aanname uitvaart en kostenbegroting CVU Uitvaartzorg” blijkt dat [eiser] de daarop voorbedrukte verwijzing naar bedoelde voorwaarden voor akkoord heeft getekend (zie 4.3), zodat daarmee de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden door [eiser] is aanvaard. Behoudens tegenbewijs gaat de kantonrechter daarom uit van de ontvangst van de algemene voorwaarden door [eiser] . [eiser] heeft geen bewijs aangeboden. Het verweer wordt dus verworpen.

Vervolgens is de vraag aan de orde of de algemene voorwaarden van C.V.U. Uitvaartzorg onredelijk bezwarend in de zin van artikel 6:233 onder a BW zijn. [eiser] heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan hij vindt dat (bepalingen uit) de algemene voorwaarden onredelijk bezwarend zijn. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, valt niet in te zien dat sprake is van één of meer bedingen die onredelijk bezwarend zijn.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de door C.V.U. Uitvaartzorg gehanteerde algemene voorwaarden op de tussen partijen gesloten overeenkomsten van toepassing zijn.

4.8

Het voorgaande leidt ertoe dat [eiser] de betaling verschuldigd is voor de geleverde prestatie. Anders dan [eiser] betoogt is overigens het al dan niet ontvangen hebben van een factuur op zichzelf genomen voor het bestaan van de betalingsverplichting niet relevant. Deze verplichting vloeit voort uit de overeenkomst. Nu de hoogte van de factuur op grond van het voorgaande vaststaat, ligt de gevorderde hoofdsom van € 447,52 voor toewijzing gereed.

4.9

C.V.U. Uitvaartzorg maakt aanspraak op een vergoeding voor de door haar gemaakte buitengerechtelijke incassokosten. Deze vordering dient beoordeeld te worden aan de hand van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Artikel 6:96 lid 6 BW vereist voor toewijzing van deze vordering dat [eiser] door C.V.U. Uitvaartzorg (kosteloos) is aangemaand tot betaling. Een dergelijke aanmaning is aan te merken als een verklaring als bedoeld in artikel 3:37 lid 3 BW. Daardoor heeft deze aanmaning pas werking indien deze de schuldenaar heeft bereikt. Op C.V.U. Uitvaartzorg rust de stelplicht en bewijslast dat aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW is voldaan. Die stelplicht omvat ook dat en op welke dag de schuldenaar de veertiendagenbrief heeft ontvangen. Nu [eiser]

- naast de betwisting van de ontvangst van de factuur - tevens de ontvangst van de door C.V.U. Uitvaartzorg bij conclusie van antwoord in oppositie overgelegde veertiendagenbrief van 3 oktober 2018 heeft betwist, dient C.V.U. Uitvaartzorg feiten en omstandigheden te stellen en te bewijzen waaruit volgt dat de brief door haar is verzonden naar een adres waarvan zij redelijkerwijs mocht aannemen dat [eiser] daar kon worden bereikt, en dat en op welke dag de brief daar is bezorgd. Dit volgt uit de uitspraak van de Hoge Raad van 25 november 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2704).

4.9.1

C.V.U. Uitvaartzorg heeft in dit verband het volgende gesteld. In de eerste plaats heeft C.V.U. Uitvaartzorg gesteld dat alle reacties van haar kant zijn verzonden naar het aangegeven adres [adres] , [postcode] Rotterdam. In de tweede plaats heeft C.V.U. Uitvaartzorg gesteld dat uitvaartverzorger de heer [naam persoon] hem twee maal op dat adres heeft bezocht en heeft kunnen vaststellen dat [eiser] daar woonachtig is. Verder heeft C.V.U. Uitvaartzorg gesteld dat de heer [naam persoon] op 13 september 2018 met [eiser] heeft gebeld omdat betaling van de factuur uitbleef, dat [eiser] tijdens dat gesprek aangaf niets te hebben ontvangen en dat de heer [naam persoon] daarom de factuur en herinnering opnieuw heeft verzonden. Tot slot heeft C.V.U. Uitvaartzorg opgaaf gedaan van de telefoonnummers en het e-mailadres waarmee zij contact heeft onderhouden met [eiser] .

4.9.2

Met het voorgaande heeft C.V.U. Uitvaartzorg echter geen concrete feiten of omstandigheden gesteld die, indien bewezen, leiden tot de conclusie dat en op welke dag de veertiendagenbrief door [eiser] is ontvangen. De kantonrechter ziet geen aanleiding om C.V.U. Uitvaartzorg in de gelegenheid te stellen om dit bewijs alsnog te leveren, nu zij geen daarop gericht bewijsaanbod heeft gedaan. Aldus is niet komen vast te staan dat [eiser] de veertiendagenbrief heeft ontvangen. De vordering tot vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten zal dan ook worden afgewezen.

4.10

Ten slotte heeft [eiser] gesteld dat hij geen wettelijke rente verschuldigd is, omdat hij niet in verzuim is komen te verkeren.

Zoals hiervoor geoordeeld is niet komen vast te staan dat [eiser] de eindfactuur en herinnering heeft ontvangen voorafgaand aan de overlegging hiervan bij conclusie van antwoord in oppositie. Gelet hierop is er dus geen grondslag om de gevorderde verschenen rente van € 5,99 toe te kennen. [eiser] is op grond van artikel 9.2 van de algemene voorwaarden gehouden de eindfactuur binnen veertien dagen te voldoen, zodat hij in elk geval sinds 13 september 2019 in verzuim verkeert en vanaf die datum de wettelijke rente in de zin van 6:119 BW over het bedrag van € 447,52 toewijsbaar is.

4.11

Gezien het voorgaande kan het verstekvonnis niet in stand blijven. Dat vonnis wordt hierna dan ook vernietigd, waarna de kantonrechter opnieuw recht zal doen.

4.12

[eiser] wordt, als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld in de proceskosten.

5. De beslissing

De kantonrechter:

vernietigt het op 3 april 2019 tussen partijen gewezen verstekvonnis;

en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [eiser] om aan C.V.U. Uitvaartzorg te betalen € 447,52, vermeerderd met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW daarover vanaf 13 september 2019 tot aan de dag van algehele voldoening;

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van C.V.U. Uitvaartzorg vastgesteld op € 224,06 aan verschotten en € 144,00 aan salaris voor haar gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.I. Mentink en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

44478