Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:3443

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
15-04-2020
Datum publicatie
15-04-2020
Zaaknummer
FT RK 20-191
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzet ongegrond - verzoek om aanhouding afgewezen - opposante, geopposeerde en curator telefonisch gehoord - toepassing van Tijdelijk afwijkende regeling Insolventiezaken rechtbanken vanwege de bijzondere omstandigheden door de coronacrisis

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 6
Faillissementswet 8
Faillissementswet 4
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie

verzet ongegrond

insolventienummer [nummer]

uitspraakdatum: 15 april 2020

Vonnis op het verzoekschrift van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

STAALHOEVE A&M B.V.,

gevestigd aan de Molenweg 6

4543 PA Zaamslag,

verzoekster,

advocaat: mr. R.J.G. Mengelberg,

strekkende tot vernietiging van het vonnis van deze rechtbank van 10 maart 2020, waarbij zij op verzoek van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[namen] LEGAL B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

verweerster,

advocaat: mr. E. van den Hout,

in staat van faillissement is verklaard met benoeming van mr. M.D.E. Leppens tot rechter-commissaris en met aanstelling van mr. B.J. van de Wijnckel als curator.

1 De procedure

Het verzetschrift is op 23 maart 2020 per e-mail door de griffier van de rechtbank Zeeland-West-Brabant ontvangen. De griffier van de rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft het verzetschrift op 26 maart 2020 per e-mail doorgestuurd naar de griffie van de rechtbank Rotterdam en de originele stukken per post nagezonden. Deze originele stukken zijn op 30 maart 2020 door de griffier van de rechtbank Rotterdam ontvangen.

Bij e-mail van 27 maart 2020 heeft mr. R.J.G. Mengelberg namens verzoekster de griffier van de rechtbank Zeeland-West-Brabant verzocht het verzetschrift door te sturen naar de bevoegde instantie: de rechtbank Rotterdam.

De rechtbank heeft partijen voorafgaand aan het telefonisch horen, conform TARIC (de Tijdelijk afwijkende regeling Insolventiezaken rechtbanken vanwege de bijzondere omstandigheden door de coronacrisis), in de gelegenheid gesteld per e-mail te reageren. Door alle partijen is van die gelegenheid gebruik gemaakt.

Op 1, 3 en 7 april 2020 heeft de rechtbank nog nadere stukken van verzoekster ontvangen.

Door verweerster is op 3 april 2020 een verweerschrift aan de rechtbank verzonden. Op 7 april 2020 heeft de rechtbank van verweerster nog een nader bericht ontvangen.

Bij berichten van 3 en 7 april 2020 heeft de curator zijn bevindingen aan de rechtbank doen toekomen.

Ter zitting van 7 april 2020 zijn, conform TARIC, verzoekster, vertegenwoordigd door haar (middellijk) bestuurder, [betrokkene] en haar advocaat mr. R. Mengelberg, mr. E.T. van den Hout, advocaat van verweerster, en mr. B.J. van de Wijnckel, de curator, telefonisch gehoord.

De uitspraak is bepaald op 14 april 2020, en uitgesteld naar heden.

2 De standpunten

Standpunten van verzoekster

Verzoekster heeft, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 25 januari 2019 (ECLI:NL:HR:2019:108), gesteld dat verzoekster ontvankelijk is in haar verzoek. Het verzetschrift is, met toestemming van de griffier op 23 maart 2020 per e-mail aan de rechtbank Zeeland-West-Brabant gestuurd. Het verzetschrift is dus tijdig, maar bij de verkeerde rechtbank ingediend. In een dergelijke situatie dient het verzetschrift te worden doorgestuurd naar het juiste gerecht en is het tijdstip van indiening van het verzetschrift bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant bepalend voor de ontvankelijkheid.

Verzoekster stelt voorts dat verweerster geen belang heeft bij de faillissementsaanvraag. Door gefailleerde zijn sinds 2015 geen activiteiten meer ontplooid. Ook is er geen omzet gemaakt. De onderneming heeft geen baten, en daarom dient de faillissementsaanvraag niet ontvankelijk te worden verklaard.

Daarnaast is er op grond hiervan ook geen belasting verschuldigd geweest en zijn dus ook geen belastingaangiftes gedaan. De door verweerster aangedragen vorderingen van de belastingdienst betreffen uitsluitend ambtshalve aanslagen omzetbelasting (jaren 2018-2019) en aanslagen vennootschapsbelasting (jaren 2015-2018), waar verzoekster (gemotiveerd) bezwaar tegen heeft gemaakt. Deze bezwaarschriften zijn in behandeling genomen. De ambtshalve aanslagen zullen in hoofdsom op nihil worden gesteld. Verder dient de belastingdienst nog op de te vorderen verzuimboetes te beslissen. Mocht hier toch een vordering uit voortvloeien dan zal verzoekster deze direct voldoen. Voorts is het debetsaldo van € 114,- op de ING-bankrekening aangezuiverd. Gelet op het voorgaande is er derhalve geen sprake van pluraliteit van schuldeisers.

Verzoekster betwist niet het bestaan van de vordering (in hoofdsom) van verweerster, maar wel de hoogte daarvan. Verzoekster betwist het door verweerster gevorderde bedrag aan kosten verschuldigd te zijn.

Tot slot heeft [betrokkene] verklaard zich persoonlijk garant te stellen voor de betaling van de boedelkosten, waarbij deze kosten als eigen schuld zullen worden voldaan.

Op grond hiervan verzoekt verzoekster de beslissing op het verzet aan te houden totdat de belastingdienst heeft verklaard dat zij niets meer te vorderen heeft.

Standpunten van verweerster

Verweerster heeft aangevoerd dat verzoekster niet ontvankelijk is in haar verzoek nu het verzetschrift niet bij de rechtbank Rotterdam is ingediend. Daarnaast is het, ongedateerde, verzetschrift niet binnen 14 dagen na 10 maart 2020 ingediend bij de griffier van de rechtbank Rotterdam; een datum stempel van de rechtbank Rotterdam ontbreekt.

Mocht de rechtbank van oordeel zijn dat verzoekster ontvankelijk is in haar verzoek dan betwist verweerster al hetgeen door verzoekster is gesteld.

Uit een schriftelijk stuk van de belastingdienst is gebleken dat er sprake is van een niet bestreden schuld inzake (onder meer) aanslagen omzet- en vennootschapsbelasting (over de jaren 2015 tot en met 2018). Tegen deze aanslagen staat, volgens de verklaring van de belastingdienst, geen bezwaar en beroep meer open. Verweerster betwist de stelling van verzoekster dat bezwaarschriften zouden zijn ingediend. Mochten deze wel zijn ingediend dan staat dit de verschuldigdheid niet in de weg. Bezwaar heeft geen opschortende werking. De vorderingen van de belastingdienst, waaronder ook de boetes, staan dus (summierlijk) vast.

Verder heeft verzoekster nimmer de (hoogte van de) vordering van verweerster betwist. Zij heeft zelfs meermaals toegezegd de vordering (hoofdsom plus kosten) te zullen voldoen. Daarmee staat ook deze vordering vast. Ook staat vast dat deze vordering en de vordering van de curator nog steeds niet betaald zijn. Aan de persoonlijke garantstelling voor de betaling van de kosten moet, gelet op de eerder gedane toezeggingen tot betaling, niet veel waarde gehecht worden. Ook is er geen betaling aan partijen gedaan of een (minimaal) bedrag gereserveerd op de derdengeldrekening van mr. Mengelberg.

Gelet op het voorgaande staat vast dat er sprake is van pluraliteit van schuldeisers.

Verder zal er een vordering op de bestuurders ontstaan als de, gepubliceerde, jaarrekening negatief blijkt. En nu er al zo lang geen jaarstukken zijn ingediend (en waarschijnlijk geen deugdelijke boekhouding is gevoerd), kan de curator de bestuurders daarvoor aansprakelijk stellen en daar vloeit weer een vordering en uiteindelijk een bate voor de boedel uit voort.

Tot slot heeft verweerster, gelet op de huidige door de Rechtspraak genomen maatregelen vanwege de pandemie, de rechtbank voorgesteld om haar vonnis aan te houden tot 5 mei 2020 om partijen in de gelegenheid te stellen om alsnog een regeling te treffen waarbij zowel verweerster als de curator volledig betaald kunnen worden.

Standpunten van de curator

Door de curator is in zijn verslag van 3 april 2020 en ter zitting verklaard dat verzoekster uitsluitend de in rekening gebrachte buitengerechtelijke kosten betwist en niet de hoofdsom van de vordering van verweerster. De vordering van verweerster is voldoende onderbouwd zodat summierlijk van het vorderingsrecht van verzoekster is gebleken. De hoofdsom is onbetaald gebleven.

Verder staan ook de vorderingen van de belastingdienst (nog) open. Verzoekster heeft, te laat, bezwaar ingediend tegen de aanslagen vennootschapsbelasting over de jaren 2016 tot en met 2018. Ook stelt zij bezwaarschriften tegen de aanslagen omzetbelasting te hebben ingediend. Nu er in deze periodes geen sprake was van omzet of winst, kan de hoofdsom van deze aanslagen worden teruggebracht naar nihil. Echter bezwaar c.q. beroep tegen deze vorderingen heeft geen opschortende werking. Voorts heeft de curator ter zitting aangegeven dat de verzuimboetes van de belastingdienst zullen blijven bestaan, ook wanneer de belastingaanslagen heroverwogen of herzien mochten worden.

Gelet op het voorgaande staat naar mening van de curator de pluraliteit van schuldeisers vast, nu in ieder geval de hoofdsom van verweerster en de verzuimboetes van de belastingdienst verschuldigd zijn. De curator refereert zich aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft het antwoord op de vraag of verzoekster ook verkeert in de toestand van te hebben opgehouden te betalen.

Tot slot dienen de faillissementskosten, gegeven de omstandigheden, ten laste van verzoekster te komen. Door de door de feitelijk bestuurder verstrekte garantstelling zullen deze kosten worden voldaan op het moment dat het faillissement vernietigd wordt. Er staat geen bedrag gereserveerd op de derdengeldrekening van mr. Mengelberg of de curator.

3 De beoordeling

Voor de ontvankelijkheid is volgens het arrest van de Hoge Raad van 25 januari 2019 (ECLI:NL:HR:2019:108) bepalend het tijdstip van indiening van het verzetschrift bij het verkeerde gerecht. De griffie van het verkeerde gerecht heeft vervolgens een doorzendplicht naar het juiste gerecht. Nu het verzetschrift op 23 maart 2020 is ontvangen door de griffier van de rechtbank Zeeland-West-Brabant is het tijdig ingediend. Verzoekster heeft dus tijdig verzet ingesteld en kan daarom -op dit punt- worden ontvangen in haar verzoek.

Verzoekster stelt dat de afwezigheid van een (te realiseren) actief betekent dat het verzet gegrond moet worden verklaard, onder verwijzing naar het arrest van de hoge Raad van 18 december 2015 (ECLI:NL:HR:2015:3636), waarbij is geoordeeld over mogelijk misbruik van eigen aangifte tot faillietverklaring. In casu is het faillissement uitgesproken op verzoek van een schuldeiser. De schuldeiser moet een redelijk belang hebben bij de faillietverklaring (HR 26 juni 1942, NJ 1942/585). Het ontbreken van een redelijk belang kan leiden tot afwijzing van de faillietverklaring, en afhankelijk van de omstandigheden van het geval tot gegrondverklaring van een verzet. Een redelijk belang zou kunnen ontbreken als duidelijk is dat er geen baten (te verwachten) zijn, zoals verzoekster stelt. Volgens verweerster is er evenwel nog sprake van een (toekomstige) bate bestaande uit een vordering uit bestuurdersaansprakelijkheid. In casu kan het redelijk belang van de schuldeiser bij een faillissementsverzoek erin gelegen zijn dat de curator een onderzoek naar de bestuurdersaansprakelijkheid uitvoert. Voor dit onderzoek heeft een curator wettelijke bevoegdheden. Het onderzoek van de curator is vanwege het verzet tot op heden summier geweest en de conclusie dat geen vermogen te verwachten is gedurende het faillissement, is met name op informatie van verzoekster gebaseerd. Ten tijde van de faillissementsaanvraag, en ook thans nog, was het niet overduidelijk dat onderzoek door de curator niet zou leiden tot een aansprakelijkstelling.

Verweerster heeft gelet op het voorgaande dan ook geen misbruik gemaakt van haar recht om het faillissement van verzoekster aan te vragen.

De rechtbank is vervolgens van oordeel dat het vorderingsrecht van verweerster voldoende summierlijk is gebleken, nu verzoekster het vorderingsrecht van verweerster onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. Ter terechtzitting is voldoende duidelijk geworden dat verzoekster uitsluitend de buitengerechtelijke kosten betwist en niet de hoofdsom. Deze hoofdsom is onbetaald gebleven en hiervoor is ook geen zekerheid gesteld.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat sprake is van pluraliteit van schuldeisers. Duidelijk is dat de belastingdienst thans in ieder geval verzuimboetes op verzoekster te vorderen heeft. Daarnaast is er niet voldoende zekerheid gesteld voor de kosten van de curator. De enkele toezegging dat de (middellijk) bestuurder zich persoonlijk garant stelt voor deze kosten is daartoe onvoldoende. Ook zijn voor deze kosten geen gelden ter beschikking gesteld op de derdengeldrekening van mr. Mengelberg.

Naar het oordeel van de rechtbank leidt de uitkomst van het onderzoek gedurende deze verzetprocedure tot de conclusie dat voldoende summierlijk is gebleken van feiten

en omstandigheden die aantonen dat verzoekster verkeert in de toestand van te hebben opgehouden te betalen. Uit genoemd onderzoek blijkt voorts dat verzoekster gedurende deze verzetprocedure slechts het geringe debetsaldo van de bank heeft aangezuiverd, voor het overige geen zekerheid heeft gesteld en evenmin concreet een aanbod daartoe heeft gedaan. Een faillissement raakt in beginsel vele rechtsbetrekkingen en langdurige onzekerheid moet daarom, ook in het algemeen maatschappelijk belang, worden voorkomen. Tegen deze achtergrond bepaalt de wet dat verzet met de meeste spoed wordt behandeld (artikel 8, zesde lid, jo. artikel 4, eerste lid, van de Faillissementswet). Het faillissement is inmiddels meer dan een maand geleden uitgesproken en er is (nog steeds) onzekerheid of daadwerkelijk een regeling zal worden getroffen. Onder die omstandigheden ziet de rechtbank geen aanleiding het verzet nog langer aan te houden en zal heden beslissen.

De rechtbank zal op grond van het voorgaande het verzet ongegrond verklaren.

4 De beslissing

De rechtbank:

- verklaart het verzet ongegrond;

- bepaalt dat ieder der partijen haar eigen kosten van de verzetprocedure draagt;

- wijst af het anders of meer verzochte.

Dit vonnis is gewezen door mr. drs. J.C.A.T. Frima, rechter, en in aanwezigheid van J.C.M. Mol, griffier, in het openbaar uitgesproken op 15 april 2020.1

1 Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.