Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:3402

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
08-04-2020
Datum publicatie
15-04-2020
Zaaknummer
C/10/555824 / HA ZA 18-731
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verdeling na echtscheiding in dagvaardingsprocedure. Benoeming deskundige taxatie drie woningen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/555824 / HA ZA 18-731

Vonnis van 8 april 2020

in de zaak van

[naam eiser] ,

wonende te [woonplaats eiser] ,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. K.M. Lans te Bilthoven,

tegen

[naam gedaagde] ,

wonende te [woonplaats gedaagde] ,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. S. Askamp te Laren, Noord-Holland.

Partijen zullen hierna de man en de vrouw genoemd worden.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 13 november 2019 en de daarin genoemde processtukken,

  • -

    de nadere conclusie na tussenvonnis van de man (faxbericht van de man van 11 december 2019),

  • -

    de ‘antwoordconclusie alsmede overlegging van stukken en uitlating deskundige en tevens vermeerdering van eis en nadere aanvulling/wijziging/verduidelijking van een eerder gestelde eis’ van de vrouw,

- het bezwaar van de man tegen de voormelde eiswijziging/-vermeerdering van de vrouw.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

2.1.

In geschil is de afwikkeling van het huwelijksvermogensrechtelijk regime van partijen (gemeenschap van goederen) na hun echtscheiding.

2.2.

De rechtbank staat de akte eiswijziging/eis- vermeerdering van de vrouw niet toe. Deze is in strijd met de goede procesorde. De rechtbank onderschrijft het desbetreffende bezwaar van de man. De conclusie van de vrouw komt er op neer dat zij het gevoerde debat wil heropenen en bindende eindbeslissingen van de rechtbank ter discussie wil stellen omdat zij zich daar niet in kan vinden. De rechtbank ziet (grotendeels) geen reden om terug te komen op haar bindende eindbeslissingen. De lijnen in de onderhavige procedure zijn door het wijzen van het vorige tussenvonnis inmiddels uitgezet. De rechtbank refereert aan haar eerdere oordeel dat zij, zo nodig ambtshalve, dient te waken tegen onredelijke vertraging van de procedure. De dagvaarding dateert (al) van 18 juli 2018 en de echtscheiding tussen partijen zelfs uit 2014.

2.3.

Onderhavig vonnis wordt gewezen door een andere rechter dan de rechter ten overstaan van wie de comparitie van partijen heeft plaatsgevonden (laatstgenoemde rechter werkt niet meer binnen de handelskamer van de rechtbank). De rechtbank heeft partijen in de gelegenheid gesteld om aan te geven of zij een nieuwe comparitie verlangen. De man verlangt geen nieuwe comparitie. De vrouw verlangt wel een nieuwe comparitie, dit omdat zij inmiddels een nieuwe advocaat heeft en omdat zij ter comparitie een schikking hoopt te treffen. De vrouw verwacht dat dit een gunstige invloed kan hebben op de thans lopende alimentatieprocedure tussen partijen.

De rechtbank ziet, partijen gehoord hebbend daarover, en gegeven dat van de vorige comparitie een proces-verbaal is opgemaakt, geen aanleiding om een nieuwe comparitie te gelasten. Een rechterswisseling noopt niet meer tot een nieuwe comparitie indien, zoals hier, na het houden van de comparitie inmiddels een tussenvonnis is gewezen (HR 15 april 2016, ELCI:NL:HR:2016:662). Na de vorige comparitie is de behandeling van de zaak al eens aangehouden wegens het voeren van schikkingsonderhandelingen tussen partijen. Dat heeft toen geen effect gesorteerd. De rechtbank heeft er onvoldoende vertrouwen in dat een nieuwe comparitie wel tot een minnelijke regeling zal leiden.

2.4.

De zaak is in het tussenvonnis naar de rol verwezen voor uitlating door partijen over drie onderwerpen:

1) uitlating door partijen omtrent de persoon van de deskundige die moet rapporteren over de waarde van de drie in geding zijnde panden en de aan hem/haar te stellen vragen,

2) overlegging van de informatie als genoemd in het tussenvonnis,

3) antwoordconclusie van de vrouw op de eisvermeerdering van de man.

ad 1) de deskundige

2.5.

Partijen hebben zich kunnen uitlaten over de persoon van de deskundige die de drie in geding zijnde onroerende goederen, woningen, moet taxeren. De rechtbank zal, partijen gehoord hebbend op de persoon van de te benoemen deskundige en de aan hem/haar te stellen vragen, als deskundige benoemen:

dhr. D.F. van Kleef , werkzaam bij Van Kleef NVM Makelaars te Rotterdam .

Deze deskundige is door de man voorgesteld. De rechtbank ziet geen objectieve aanwijzingen dat deze deskundige partijdig en/of bevooroordeeld zou kunnen zijn. De rechtbank zal aan de deskundige de vraag voorleggen wat de vrije verkoopwaarde is van de drie in geding zijnde panden (te weten: de - thans onbewoonde - voormalige echtelijke woning, de woning waarin de vrouw woont, en een woning die de vrouw exploiteert als kamerverhuurbedrijf).

2.6.

De deskundige zal niet worden gevraagd wat de verdiencapaciteit van de vrouw is betreffende haar kamerverhuur. Tussen partijen loopt nog een partneralimentatieprocedure. Vragen die relevant zouden kunnen zijn in dié procedure horen niet in de onderhavige procedure thuis. De onderhavige procedure gaat over de verdeling van de gemeenschap, niet over partneralimentatie. De deskundige mág overigens wel over de huurpenningen rapporteren indien deze, in zijn optiek, van belang (kunnen) zijn voor de bepaling van de waarde van het desbetreffende pand. Het is aan de deskundige om dit te bepalen.

2.7.

Voorgestelde vragen aan de deskundige die neerkomen op het vragen van juridisch advies (zoals: ‘genieten de kamerhuurders huurbescherming?’), of vragen die anderszins niet gaan over de waardering van de woningen, zullen evenmin aan de deskundige worden voorgelegd. Het gaat in deze procedure, zoals gezegd, slechts over de waarde van de panden in het kader van de verdeling van de gemeenschap. Het staat de deskundige vanzelfsprekend vrij om deze kwestie mee te nemen in zijn rapportering indien en voorzover hij dat voor zijn taxatie wél relevant acht.

2.8.

Indien de deskundige tot de conclusie mocht komen dat hij zijn opdracht niet goed (meer) kan uitvoeren - bijvoorbeeld omdat partijen hem uitspraken willen blijven ontlokken over onderwerpen die niet in geding zijn (en die ook niet in zijn honorarium zijn

begrepen) - dan dient de deskundige zijn opdracht neer te leggen. De rechtbank zal dan vervolgens beoordelen of dit voor risico van een van partijen dient te komen. Partijen hebben het wettelijke recht om, tegenover de deskundige, opmerkingen te plaatsen en verzoeken te doen, maar dit dient wel beperkt te blijven tot hetgeen in deze procedure in geschil is.

2.9.

De deskundige heeft zijn kosten begroot op in totaal € 1.946 (€ 598 + € 750 + € 598) maar dat is nog zonder de kosten gemoeid met de beantwoording van de eventuele vragen van partijen. De rechtbank gaat er van uit dat er vragen gesteld zullen worden en zal het depotbedrag op € 2.800 stellen. In het tussenvonnis is al geoordeeld dat door ieder van partijen een helft van het voorschot op de kosten van het deskundigenonderzoek moet worden gedeponeerd. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen. Mocht het voorschot door een partij niet tijdig worden gestort, dan zal de rechtbank daaruit afleiden dat die partij afziet van het leveren van bewijs door een deskundigenbericht.

2.10.

De rechtbank wijst erop dat partijen wettelijk verplicht zijn om mee te werken aan het deskundigenonderzoek; de rechtbank wijst met name op de verplichtingen als nader onder de beslissing omschreven. Indien een partij een of meer van deze verplichtingen niet nakomt, dan kan de rechtbank daaruit de gevolgtrekking maken die zij geraden acht, ook in het nadeel van de desbetreffende partij.

2.11.

Indien een partij desgevraagd of op eigen initiatief een opmerking of verzoek aan de deskundige doet toekomen, dient zij dat schriftelijk te doen en daarvan gelijktijdig afschrift aan de wederpartij te verstrekken.

ad 2) overlegging informatie

2.12.

De rechtbank heeft de vrouw bevolen (tussenvonnis, rov 3.53) om inzage te geven in de hoogte van het saldo per 25 september 2013 op vijf op haar naam staande bankrekeningen. De vrouw heeft hierop als volgt gereageerd (onder overlegging van bankrekeningafschriften in haar productie 18):

- ABN Zelf beleggen [bankrekeningnummer 1] : saldo € 928,50

- de ING bankrekening [bankrekeningnummer 2] : saldo € 920,13 negatief

- de gekoppelde ING spaarrekening [bankrekeningnummer 2] : saldo nihil (rekening al opgeheven)

- de ABN privérekening [bankrekeningnummer 1] : saldo € 115,72 negatief

- de ABN spaarrekening [bankrekeningnummer 3] : saldo € 9.012,67.

2.13.

De man dient in zijn eerstvolgende processtuk aan te geven of hij instemt met deze waarde-opgaves van de vrouw. Beide partijen dienen nog uit te rekenen tot welke verrekening voormelde saldi dienen te leiden (ter vermijding van rekenfouten door de rechtbank).

2.14.

Tevens moest de vrouw in dit verband nog uitleggen of juist is de stelling van de man dat ook nog twee andere bankrekeningen op haar naam staan, namelijk de bankrekeningen [bankrekeningnummer 4] en [bankrekeningnummer 5] .

2.15.

De vrouw erkent dat de bankrekeningen met de nummers [bankrekeningnummer 4] en [bankrekeningnummer 5] op haar naam stonden. De vrouw wijst er op dat deze twee bankrekeningen al zijn opgeheven per juli 2011. De vrouw beroept zich hierbij op haar productie 19.

2.16.

De man dient in zijn eerstvolgende processtuk aan te geven of hij instemt met deze stelling van de vrouw en, dus, dat er hier niets te verrekenen valt.

ad 3) eisvermeerdering man

2.17.

De rechtbank heeft de vrouw in de gelegenheid gesteld om schriftelijk te reageren op de navolgende eisvermeerdering van de man:

De man heeft bij akte eisvermeerdering gesteld dat hij twee in de gemeenschap vallende belastingaanslagen heeft betaald, van € 27.988 (over 2011) en € 30.211 (over 2012), en dat de vrouw de helft hiervan aan hem moet vergoeden. Daarom verhoogt de man zijn totale vordering op de vrouw van € 229.896,16 naar € 258.995,66.

2.18.

Het standpunt van de vrouw laat zich als volgt samenvatten:

- de vrouw heeft zelf ook gemeenschappelijke belastingschulden voldaan na de omvangspeildatum (25 september 2013). De vrouw beroept zich hierbij op haar productie 23.

- de man heeft opzettelijk betaling van de belastingaanslagen uitgesteld tot na

de omvangspeildatum om de vrouw te benadelen. De vrouw meent een patroon te herkennen.

- de vrouw wijst er nogmaals op dat de man inkomsten/ omzet uit de huwelijkse periode heeft doorgeschoven tot na de omvangspeildatum.

2.19.

De rechtbank zal de vordering van de man - grotendeels - toewijzen. De vrouw betwist niet dat deze twee schulden nog niet waren voldaan op de omvangspeildatum en evenmin dat de man deze twee schulden nadien voldaan heeft. Niet valt in te zien waarom de man schadeplichtig is wegens het niet betalen van schulden voorafgaand aan 25 september 2013 (daargelaten of de vrouw financieel benadeeld kán zijn door dit gestelde doorschuiven: als er minder schulden zijn voldaan dan blijft er immers meer geld over om te verdelen).

2.20.

Wel slaagt het verweer van de vrouw dat ook zij na de omvangspeildatum nog gemeenschappelijke belastingschulden heeft betaald, zodat in zoverre ook zij een regresrecht heeft. Uit productie 23 van de vrouw volgt dat het gaat om een bedrag van (€ 1.129 + € 1.032) = € 2.161. Dit strekt in mindering op de vordering van de man. Per saldo dient de vrouw aan de man te betalen de helft van: € 27.988 plus € 30.211 minus € 2.161. Dat is € 28.019. De rechtbank zal de vrouw daartoe veroordelen.

resumerend

2.21.

De tot nu toe genomen beslissingen komen op het volgende neer:

- het pand aan de Van der Duijn van Maasdamweg zal in beginsel aan de man worden toebedeeld en de twee andere panden in beginsel aan de vrouw. Mocht de desbetreffende partij niet tijdig een nieuwe financiering van de bank kunnen verkrijgen, dan dient het desbetreffende pand alsnog verkocht te worden aan een derde, de opbrengst te delen bij helfte.

- hoogte hypothecaire geldlening [adres 1] : de rechtbank zal in beginsel aannemen dat de hypothecaire geldlening € 350.000 bedraagt.

- hoogte hypothecaire geldlening [adres 2] : de rechtbank zal in beginsel aannemen dat de hypothecaire geldlening € 81.680 bedraagt.

- de vrouw behoeft niet de helft van de winst die zij genereert met de verhuur van kamers te betalen aan de man.

- de navolgende polissen worden aan de man toegedeeld, waarbij de man de helft van de huidige waarde aan de vrouw moet vergoeden, hij voorts tegenover de vrouw zal moeten aantonen wat die waarde is en waarbij rekening moet worden gehouden met een eventuele belastinglatentie:

- polis Nationale Nederlanden [polisnummer 1]

- ASR beleggingsverzekering [polisnummer 2]

- ABN Koopsom beleggingspolis [polisnummer 3]

- ABN Meegroei Kapitaal Polis [polisnummer 4]

De vrouw heeft thans, in haar meest recente conclusie, gesteld dat de polis Nationale Nederlanden [polisnummer 5] :

- weliswaar op naam van de man staat,

- dat echter deze polis gekoppeld is aan de aan haar toe te delen woning op het adres [adres 2] ,

- dat het hier om een overlijdensrisicoverzekering gaat, die (dus) geen waardeopbouw kent, zodat er geen waarde te verrekenen valt,

- dat de vrouw alle premies heeft betaald op deze polis.

De rechtbank overweegt als volgt. In het tussenvonnis is geoordeeld over twee polissen, met nummer [polisnummer 1] (die aan de man wordt toebedeeld, rov. 3.31) en [polisnummer 5] (die aan de vrouw wordt toebedeeld, rov. 3.52). De vrouw lijkt beide polissen door elkaar te halen. Partijen dienen in een eerstvolgende processtuk uit te leggen hoe het zit, respectievelijk of beslist kan worden als in het tussenvonnis is geoordeeld. De man dient nog aan te geven of hij instemt met de stelling van de vrouw dat de polis [polisnummer 1] geen waarde heeft.

- de navolgende bankrekeningen worden aan de man toegedeeld:

- ABN Direct Kwartaalsparen [bankrekeningnummer 6] , de man moet de vrouw € 6.020,50 betalen

- ABN Bankrekening Medisch [bankrekeningnummer 7] , de man moet de vrouw € 2.038,50 betalen

- ABN Bankrekening Medisch [bankrekeningnummer 8] , zonder verrekening

- ABN Particuliere rekening-courant [bankrekeningnummer 9] , de man moet de vrouw

€ 1.265,50 betalen.

- ABN zelf beleggen [bankrekeningnummer 7] , de man moet de vrouw € 4.177 betalen.

- de navolgende polissen worden aan de vrouw toegedeeld, waarbij de vrouw de helft van de huidige waarde aan de man moet vergoeden, zij voorts tegenover de man zal moeten aantonen wat die waarde is en waarbij rekening moet worden gehouden met een eventuele belastinglatentie:

- de polis van Nationale Nederlanden met polisnummer [polisnummer 5]

- de polis van ASR met polisnummer [polisnummer 6]

- de polis van ASR met polisnummer [polisnummer 7] .

- bankrekeningen vrouw: de man moet nog laten weten of hij instemt met het standpunt van de vrouw (zowel over het saldo op de vijf bankrekeningen als over de opheffing van de twee andere bankrekeningen). Beide partij moeten uitrekenen welk bedrag moet worden verrekend bij het saldo op de vijf bankrekeningen van de vrouw.

- de man moet de vrouw € 2.000 betalen ten aanzien van de door hem aan een derde verkochte auto Honda CRV.

- de Volkswagen Polo met kenteken [kentekennummer] wordt aan de vrouw toegedeeld, de vrouw moet de man € 1.250 betalen.

- de inboedelgoederen van het pand Van der Duijn van Maasdamweg worden aan de man toebedeeld, zonder verrekening.

- de inboedelgoederen van het pand Hondiusstraat worden aan de vrouw toebedeeld, zonder verrekening.

- de inboedelgoederen van het pand aan de Passerelstraat worden niet tussen partijen verdeeld omdat deze goederen in eigendom toebehoren aan de huurders.

- de goederen van de onderneming van de man (de eenmanszaak [naam bedrijf ] ) worden aan de man toebedeeld, de schulden van deze onderneming worden aan de man toegerekend en de man moet de vrouw € 5.201 betalen.

- de vrouw moet de man per saldo € 28.019 betalen ter zake van de door de man betaalde

belastingaanslagen over 2011 en 2012 (dit bedrag is inclusief verrekening van de gemeenschappelijke belastingaanslagen die de vrouw zelf na de omvangspeildatum heeft betaald).

2.22.

Iedere nadere beslissing zal worden aangehouden.

3. De beslissing

De rechtbank

3.1.

beveelt een schriftelijk deskundigenbericht ter beantwoording van de volgende vragen:

  1. Wat is de huidige vrije verkoopwaarde, in onverhuurde staat, van de woning op het adres Van [adres 1] ?

  2. Wat is de huidige vrije verkoopwaarde, in onverhuurde staat, van de woning op het adres [adres 2] ?

  3. Wat is de huidige vrije verkoopwaarde van de woning op het adres [adres 3] (in welke woning de vrouw een kamerverhuurbedrijf exploiteert)?

  4. Heeft de deskundige overige opmerkingen die voor de beoordeling van de zaak van belang kunnen zijn?

3.2.

benoemt tot deskundige:

dhr. D.F. van Kleef van Van Kleef NVM Makelaars

Sint-Jobsweg 30 k

3024 EJ Rotterdam

tel. 010-8208555

info@vankleefmakelaars.nl

gelast dat de man binnen twee weken na deze beslissing het volledige procesdossier in afschrift aan de deskundige doet toekomen, tenzij partijen en de deskundige het erover eens zijn dat dat niet hoeft (de deskundige hoeft immers slechts de panden te taxeren, terwijl de processtukken veel meer onderwerpen betreffen);

bepaalt dat de deskundige het onderzoek zelfstandig zal instellen op de door de deskundige in overleg met partijen te bepalen tijd en plaats;

bepaalt dat de griffier aan de deskundige doet toekomen:

  • -

    een afschrift van dit vonnis;

  • -

    de Leidraad deskundigen in civiele zaken;

  • -

    de Gedragscode voor gerechtelijk deskundigen in civielrechtelijke en bestuursrechtelijke zaken;

bepaalt dat de deskundige ingeval van onduidelijkheden, vragen of opmerkingen over dit vonnis, het onderzoek of de kosten contact dient op te nemen met de contactpersoon van de rechtbank;

bepaalt dat

- de deskundige niet overgaat tot het onderzoek van de objecten dan op een datum dat alle partijen aanwezig kunnen zijn en na de partijen tijdig te hebben opgeroepen om bij dat onderzoek aanwezig te zijn; bepaalt dat uit het deskundigenrapport moet blijken dat hieraan is voldaan;

- indien partijen bij het onderzoek van objecten ter plaatse aanwezig zijn geweest, uit het rapport moet blijken welke opmerkingen zij hebben gemaakt en welke verzoeken zij hebben gedaan en hoe de deskundige hierop heeft gereageerd;

wijst partijen er op dat zij in beginsel nadere inlichtingen en gegevens aan de deskundige dienen te verstrekken indien deze daarom verzoekt, de deskundige toegang dienen te verschaffen tot voor het onderzoek noodzakelijke plaatsen, en de deskundige ook voor het overige gelegenheid dienen te geven tot het verrichten van het onderzoek;

draagt de deskundige op om uiterlijk twee maanden na deze beslissing het schriftelijk bericht van de griffier omtrent de betaling van het voorschot een schriftelijk en ondertekend rapport van het onderzoek met beantwoording van de vraagpunten in drievoud ter griffie van de rechtbank in te leveren, onder bijvoeging van een gespecificeerde declaratie;

wijst de deskundige er op dat:

- hij het onderzoek pas dient aan te vangen na bericht van de griffier dat het voorschot is ontvangen;

- hij partijen de gelegenheid moet geven opmerkingen te maken en vragen te stellen dat hij in het rapport van die opmerkingen en vragen, alsmede van zijn reacties daarop doet blijken;

- uit het rapport moet blijken op welke stukken het oordeel van de deskundige is gebaseerd;

- de deskundige een concept van het rapport aan partijen moet toezenden en partijen de gelegenheid moet geven binnen twee weken daarover opmerkingen te maken, en dat de deskundige in het definitieve rapport de door partijen gemaakte opmerkingen en de reacties van de deskundige daarop moet vermelden;

bepaalt dat partijen binnen twee weken dienen te reageren op het concept-rapport van de deskundige nadat dit aan partijen is toegezonden;

stelt de hoogte van het voorschot op de kosten van de deskundige vast op het bedrag van € 2.800;

bepaalt dat elke partij de helft van het voorschot dient te deponeren overeenkomstig de betalingsinstructies van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak (LDCR) binnen twee weken na ontvangst van een daartoe strekkend verzoek van het LDCR;

wijst partijen erop dat mocht deze het voorschot niet binnen de bepaalde of eventueel verlengde termijn storten, de rechtbank daaraan de gevolgtrekking zal verbinden die zij geraden acht;

draagt de griffier op om de deskundige onmiddellijk in kennis te stellen zodra het voorschot zal zijn ontvangen;

verwijst de zaak naar de parkeerrol van 7 oktober 2020 en bepaalt dat de zaak weer op de rol van lopende zaken zal komen zodra het deskundigenbericht zal zijn gedeponeerd, om partijen, om te beginnen de man, de gelegenheid te geven een conclusie na deskundigenbericht te nemen;

3.3.

draagt de griffier op de zaak op de rol te plaatsen:

- indien het voorschot niet binnen de in dit vonnis bepaalde of een verlengde termijn is ontvangen: voor akte uitlating over de daaraan te verbinden gevolgen aan de zijde van de partij op een termijn van twee weken of

- na ontvangst ter griffie van het rapport: voor conclusie na deskundigenbericht aan de zijde van de man op een termijn van vier weken;

3.4.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. de Geus en ondertekend en in het openbaar uitgesproken door mr. J.F. Koekebakker, rolrechter, op 8 april 2020.

[2517/638]