Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:3395

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
27-03-2020
Datum publicatie
16-04-2020
Zaaknummer
C/10/591999 / JE RK 20-525
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

verzoek tot verlenging ondertoezichtstelling en verlenging uithuisplaatsing. Telefonisch horen in verband met het coronavirus.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd

zaakgegevens: C/10/591999 / JE RK 20-525

datum uitspraak: 10 april 2020

beschikking verlenging ondertoezichtstelling en verlenging uithuisplaatsing

in de zaak van

de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming west Zuid-Holland,

hierna te noemen de GI, gevestigd te Dordrecht,

betreffende

[naam kind] ,

geboren op [geboortedatum kind] 2004 te [geboorteplaats kind] , hierna te noemen [naam kind] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[naam moeder] ,

hierna te noemen de moeder, wonende te [woonplaats moeder] ,

[naam vader] ,

hierna te noemen de vader, wonende te [woonplaats vader] .

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 14 februari 2020, ingekomen bij de griffie op 24 februari 2020.

Op 27 maart 2020 zou de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandelen. Omdat in verband met het beleid van de rechtspraak in verband met het coronavirus de zitting geen doorgang heeft gevonden, zijn betrokkenen in de gelegenheid gesteld om telefonisch gehoord te worden.

De kinderrechter heeft door middel van een conference call telefonisch gehoord:

- de vader,
- de gezinshuisouder, [naam informant] , als informant,

- een vertegenwoordigster van de GI, [naam vertegenwoordigster] .

[naam kind] is apart telefonisch gehoord.

De kinderrechter heeft de moeder, die niet tegelijk met de vader wilde worden gehoord, eveneens apart telefonisch gehoord.

De feiten
Het ouderlijk gezag over [naam kind] wordt uitgeoefend door de ouders.

[naam kind] verblijft in een gezinshuis van Enver.

Bij beschikking van 12 april 2019 is de ondertoezichtstelling van [naam kind] verlengd tot

21 april 2020. De kinderrechter heeft bij deze beschikking ook de machtiging tot uithuisplaatsing van [naam kind] in een accommodatie jeugdhulpaanbieder verlengd tot

21 april 2020.

Het verzoek

De GI heeft verzocht de ondertoezichtstelling van [naam kind] te verlengen voor de duur van een jaar. Tevens wordt verzocht de machtiging tot uithuisplaatsing van [naam kind] in een accommodatie jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van een jaar.

De GI heeft het verzoek gehandhaafd en als volgt toegelicht. [naam kind] heeft een fijne plek in het gezinshuis en ontwikkelt zich daar goed. Ook heeft hij positief contact met de vader en gaat hij elk weekend naar de vader toe. Tussen [naam kind] en de moeder zijn er problemen ontstaan. De moeder heeft aangegeven dat zij niet meer betrokken wil zijn in het leven van [naam kind] . Dit doet [naam kind] veel pijn. De GI heeft een verzoek bij de Raad ingediend voor een gezagsbeëindigende maatregel van de moeder. Het perspectief van [naam kind] ligt in het gezinshuis, omdat hij daar alles krijgt wat hij nodig heeft en op een goede manier wordt begrensd en aangestuurd. Indien [naam kind] bij de vader zou gaan wonen, hetgeen [naam kind] grote wens is, zal de vader door [naam kind] overvraagd worden in de opvoeding.

De standpunten

De vader is het eens met het verzoek. [naam kind] doet het goed in het gezinshuis. De vader wil wel meer hulp en advies krijgen van de GI om voorbereid te worden op het moment dat [naam kind] achttien jaar wordt en [naam kind] bij hem komt wonen. De vader wil hulp krijgen om [naam kind] te kunnen begrenzen en hem te geven wat hij nodig heeft.

De moeder is het eens met het verzoek. De moeder heeft vervelende aanvaringen gehad met [naam kind] , waardoor zij [naam kind] niet meer wil zien. De moeder vindt het goed dat [naam kind] in het gezinshuis blijft wonen.

Desgevraagd geeft de gezinshuisouder aan dat het goed gaat met [naam kind] . Hij is altijd positief en wil activiteiten ondernemen. Ook gaat het goed op school. Het is fijn dat hij goed contact heeft met de vader.

De beoordeling

De kinderrechter is van oordeel dat in deze zaak telefonisch horen voldoende is om tot een goed oordeel te komen over het verzoek en zal daarom een beslissing nemen, zonder verdere mondelinge behandeling.

[naam kind] woont al sinds lange tijd niet meer bij de ouders. [naam kind] verblijft in een gezinshuis van Enver, waar hij zich positief ontwikkelt. Hij is gebaat bij de structuur, rust en stabiliteit van het gezinshuis. Ook heeft [naam kind] positief contact met de vader. [naam kind] gaat ieder weekend en vakanties bij de vader logeren. De vader is echter onvoldoende in staat om de volledige opvoeding van [naam kind] volledig op zich te nemen. Het is duidelijk dat het perspectief van [naam kind] tot zijn achttiende jaar in het gezinshuis ligt. Gelet op [naam kind] grote wens om bij zijn vader te wonen, is het van belang dat de komende periode bij de vader de benodigde hulp wordt ingezet.

Uit het voorgaande volgt dat is voldaan aan het wettelijke criterium genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Ook is de verlenging van de uithuisplaatsing van [naam kind] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding (artikel 1:265c, tweede lid, van het BW). De kinderrechter zal de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [naam kind] in een accommodatie jeugdhulpaanbieder daarom verlengen voor de duur van een jaar.

De beslissing

De kinderrechter:

verlengt de ondertoezichtstelling van [naam kind] tot 21 april 2021;

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [naam kind] in een accommodatie jeugdhulpaanbieder tot 21 april 2021;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.J.M. Marseille, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Ruijgrok als griffier en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2020.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Den Haag.