Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:3386

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
10-04-2020
Datum publicatie
16-04-2020
Zaaknummer
8190247 CV EXPL 19-51450
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering niet-betaalde facturen toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8190247 CV EXPL 19-51450

uitspraak: 10 april 2020

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

[eiser] ,

handelend onder de naam [handelsnaam 1] ,

wonende en kantoorhoudende te [plaatsnaam 1] ,

eiser,

gemachtigde: [gemachtigde], gerechtsdeurwaarder te Heerhugowaard,

tegen

[gedaagde] ,

handelend onder de naam [handelsnaam 2] ,

wonende en kantoorhoudende te [plaatsnaam 2] ,

gedaagde,

procederend in persoon.

Partijen worden hierna aangeduid als “ [eiser] ” en “ [gedaagde] ”.

1. Het verloop van de procedure

1.1

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen:

  • -

    het exploot van dagvaarding van 18 november 2019, met producties;

  • -

    de schriftelijke reactie van [gedaagde] ;

  • -

    de conclusie van repliek;

  • -

    de nadere schriftelijke reactie van [gedaagde] d.d. 27 februari 2020 met de daarbij overgelegde producties.

1.2

De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis, na aanhouding ter rolle van 27 maart 2020, nader bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

2.1

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen vast dat [eiser] in opdracht van [gedaagde] diverse werkzaamheden voor [handelsnaam 2] , de onderneming van [gedaagde] , heeft verricht. In verband met die werkzaamheden heeft [eiser] verschillende facturen aan [gedaagde] verstuurd, zoals hierna vermeld.

3. De vordering

3.1

[eiser] heeft bij dagvaarding gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen aan hem te betalen een bedrag van € 5.021,50 aan hoofdsom, vermeerderd met primair de wettelijke handelsrente of subsidiair de wettelijke rente vanaf

15 oktober 2018 dan wel de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening, een bedrag van € 626,08 aan buitengerechtelijke kosten, een bedrag van € 423,50 ter zake van juridische bijstand, alsmede de veroordeling van [gedaagde] in de proces- en nakosten.

3.2

Aan zijn vordering heeft [eiser] - zakelijk weergegeven en voor zover thans van

belang - ten grondslag gelegd dat [gedaagde] in gebreke is gebleven met betaling van de volgende verschuldigde bedragen.

Factuurnummer Factuurdatum Factuurbedrag (incl. btw)

2018443 24-09-2018 € 1.512,50

2018448 14-10-2018 € 786,50

2018455 05-12-2018 € 2.722,50

Totaalbedrag: € 5.021,50 (incl. btw).

3.3

[eiser] heeft de vordering uit handen moeten geven aan zijn gemachtigde en er zijn buitengerechtelijke incassowerkzaamheden verricht. De buitengerechtelijke kosten bedragen

€ 626,08 en dienen voor rekening van [gedaagde] te komen.

Voor het opstellen van de dagvaarding moet [eiser] een bedrag van € 423,50 aan zijn gemachtigde voldoen. Dit bedrag dient eveneens voor rekening van [gedaagde] te komen.

3.4

De overige stellingen van [eiser] worden – voor zover van belang – in de beoordeling besproken.

4. Het verweer

4.1

[gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten, en heeft daartoe - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - het volgende aangevoerd.

4.2

De facturen als zodanig worden door [gedaagde] niet betwist, maar de optelsom daarvan wel. Voor de factuur van 5 december 2018 met factuurnummer 2018455 is al een bedrag van € 1.200,00 voldaan, maar dit bedrag is niet in mindering gebracht op de hoofdsom.

Hetzelfde geldt voor de betaling van een bedrag van € 262,50 voor de factuur van

24 september 2018 met factuurnummer 2018443. [gedaagde] erkent uiteindelijk een bedrag van in totaal € 5.373,50 aan hoofdsom verschuldigd te zijn nu het opeisbare bedrag van de factuur van 15 december 2018 met factuurnummer 2018457 niet juist is meegerekend.

4.3

[gedaagde] wilde de facturen wel betalen, maar was hier financieel niet toe in staat. Door een financiële misser is [gedaagde] tijdelijk met het gezin op straat komen te staan. [gedaagde] heeft aan [eiser] betaald wat mogelijk was. Momenteel gaat het financieel gezien beter, waardoor de betalingsachterstand binnen zes maanden volledig afgelost kan zijn.

4.4

De overige stellingen van [gedaagde] worden – voor zover van belang – in de beoordeling besproken.

5. De beoordeling

5.1

De kantonrechter begrijpt dat het totaalbedrag van de factuur van 5 december 2018 met factuurnummer 2018455 € 6.000,00 (exclusief btw) bedraagt. [eiser] heeft bij dagvaarding een (opeisbaar) voorschot van deze factuur gevorderd, een bedrag van € 2.722,50. Partijen zijn het erover eens dat deze factuur in aangepaste vorm (de factuur van 15 december 2018 met factuurnummer 2018457) inmiddels een opeisbaar bedrag heeft van € 4.537,50 (inclusief btw).

5.2

Niet weersproken is dat op vrijdag 13 december 2018 ten behoeve van bovenstaande factuur een bedrag van € 1.200,00 door [gedaagde] is voldaan, waardoor dit bedrag in mindering wordt gebracht op het opeisbare factuurbedrag van € 4.537,50. Derhalve resteert een factuurbedrag van € 3.337,50.

5.3

[gedaagde] heeft in de procedure een betalingsbewijs overgelegd omtrent een deelbetaling van € 262,50 voor de factuur van 24 september 2018 met factuurnummer 2018443. [eiser] heeft deze deelbetaling erkend, waardoor dit bedrag in mindering wordt gebracht op het factuurbedrag van € 1.512,50. Derhalve resteert een factuurbedrag van € 1.250,00

5.4

In zijn nadere schriftelijk reactie van 27 februari 2020 heeft [gedaagde] een berekening gemaakt die uitkomt op een door hem nog verschuldigd bedrag van € 5.374,00 (inclusief btw), te weten € 3.337,50 + € 1.250,00 + € 786,50. Nu echter geen sprake is van een eisvermeerdering aan de zijde van [eiser] , is enkel het bij dagvaarding gevorderde bedrag van € 5.021,50 toewijsbaar.

5.5

De vordering tot vergoeding van de wettelijke handelsrente vanaf 15 oktober 2018, die door [gedaagde] niet afzonderlijk is betwist, zal worden toegewezen op de wijze zoals hierna vermeld.

5.6

[eiser] maakt aanspraak op een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Niet weersproken is immers dat door en namens [eiser] buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht. In de laatste aanmaning van [eiser] van 14 januari 2019 wordt alleen een lager bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten genoemd dan thans wordt gevorderd. De vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen tot een bedrag van € 117,98.

5.7

Gelet op het bepaalde in artikel 6:29 BW is de kantonrechter niet gerechtigd om een betalingsregeling vast te stellen zonder instemming van [eiser] . Niet gebleken is dat [eiser] instemt met een eventuele betalingsregeling. Voor het eventueel treffen van een betalingsregeling met [eiser] wordt [gedaagde] verwezen naar de gemachtigde van [eiser] .

5.8

[gedaagde] zal als de (grotendeels) in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. De gevorderde kosten met betrekking tot juridische bijstand worden afgewezen. Slechts in bijzondere omstandigheden kan er aanleiding bestaan af te wijken van het liquidatietarief. Dergelijke omstandigheden zijn in dit geval niet gesteld en ook anderszins niet gebleken, zodat bij de berekening van de proceskosten uitgegaan moet worden van het liquidatietarief.

5.9

De gevorderde nakosten zullen worden toegewezen als hierna vermeld, nu gelet op het arrest van de Hoge Raad van 14 februari 2014 (ECLI:NL:HR:2014:335) de proceskostenveroordeling hiervoor reeds een executoriale titel geeft en de kantonrechter van oordeel is dat de nakosten zich ook vooraf laten begroten.

6. De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] tegen kwijting te betalen een bedrag van € 5.021,50, vermeerderd met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW vanaf 15 oktober 2018 tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede een bedrag van € 117,98 aan buitengerechtelijke kosten;

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiser] vastgesteld op € 320,68 aan verschotten en € 600,00 aan salaris voor de gemachtigde en tevens, indien [gedaagde] niet binnen 14 dagen na de datum van het onderhavige vonnis (vrijwillig) aan dit vonnis heeft voldaan, een bedrag van € 120,00 aan nasalaris.

Indien daarna betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, dient het bedrag aan nasalaris nog te worden verhoogd met de kosten van betekening;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.J.J. Wetzels en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

44240