Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:3368

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
13-03-2020
Datum publicatie
15-04-2020
Zaaknummer
7952453 CV EXPL 19-33210
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Huurzaak bedrijfsruimte. Huurder heeft niet in strijd gehandeld met de huurovereenkomst. Veroordeling verhuurder tot herstel van de achterpui van het gehuurde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 7952453 CV EXPL 19-33210

uitspraak: 13 maart 2020

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Marcan Vastgoed B.V.,

gevestigd te Barendrecht,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

gemachtigde: mr. Th.C. Visser te Rotterdam,

tegen

[gedaagde] ,

tevens handelend onder de naam [handelsnaam],

wonende te [woonplaats gedaagde] ,

zaakdoende te [plaatsnaam] ,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

gemachtigde: mr. V.T. Acar te Rotterdam.

Partijen worden hierna aangeduid als “Marcan” en “ [gedaagde] ”.

1. Het verloop van de procedure

1.1

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen:

  • -

    het exploot van dagvaarding van 17 juli 2019, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie, tevens conclusie van eis in reconventie, met producties;

  • -

    het tussenvonnis van 3 oktober 2019, waarin een comparitie van partijen is bepaald;

  • -

    de voorafgaande aan de comparitie van partijen aan de zijde van Marcan overgelegde conclusie van antwoord in reconventie, met producties;

  • -

    de voorafgaande aan de comparitie van partijen aan de zijde van Marcan overgelegde (fax)brief van 8 november 2019, met een productie;

  • -

    de voorafgaande aan de comparitie van partijen aan de zijde van [gedaagde] overgelegde akte aanvullende producties;

  • -

    het proces-verbaal van de op 12 november 2019 gehouden comparitie van partijen.

1.2

Nu de rechter ten overstaan van wie de comparitie van partijen is gehouden niet meer in deze rechtbank werkzaam is, wordt dit vonnis - met instemming van partijen - door een andere rechter gewezen.

1.3

De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis nader bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

De kantonrechter gaat uit van de volgende feiten.

2.1

Tussen Marcan als verhuurder en [gedaagde] als huurster bestaat een huurovereenkomst met betrekking tot de bedrijfsruimte gelegen aan de [adres] (hierna: het gehuurde). De huurovereenkomst is aangegaan voor de periode van 1 november 2017 tot en met 31 oktober 2022. Op de huurovereenkomst zijn de algemene bepalingen “huurovereenkomst winkelruimte en andere bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 BW” van toepassing (hierna: de algemene bepalingen). Bij aanvang van de huurovereenkomst is geen opnamestaat van het gehuurde opgesteld.

2.2

In artikel 1.3 van de huurovereenkomst is bepaald dat het gehuurde uitsluitend zal worden bestemd om te worden gebruikt als bedrijfsruimte ten behoeve van schoonheidsverzorging, pedicures, manicures en de verkoop van schoonheidsverzorgende producten.

2.3

In het handelsregister van de Kamer van Koophandel stonden op het adres van het gehuurde naast de onderneming van [gedaagde] , tevens ingeschreven de eenmanszaak [naam bedrijf 1] en de eenmanszaak [naam bedrijf 2] . Sinds 8 november 2011 staat in het handelsregister op dit adres ingeschreven de besloten vennootschap [naam bedrijf 3]

2.4

Bij brief van 26 april 2019 heeft Marcan de huurovereenkomst opgezegd tegen
31 oktober 2022. Partijen hebben gesproken over een eerdere beëindiging van de huurovereenkomst, maar zij hebben geen regeling bereikt. Marcan kan op dit moment geen vergelijkbaar pand aan [gedaagde] aanbieden.

2.5

Op 17 juni 2019 heeft Marcan de achterdeuren van het gehuurde laten vervangen.

2.6

Marcan heeft (zonder vooraankondiging) op 5 juli 2019 een kort geding dagvaarding betekend aan [gedaagde] . In het op 25 juli 2019 gewezen vonnis in kort geding heeft de kantonrechter te Rotterdam de vorderingen van Marcan, strekkende tot onder meer ontruiming van het gehuurde, afgewezen.

3. De stellingen van partijen in conventie

De vordering

3.1

Marcan heeft bij dagvaarding gevorderd bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad (kort gezegd):

primair:

de huurovereenkomst tussen partijen met betrekking tot het gehuurde te ontbinden en [gedaagde] te veroordelen tot ontruiming daarvan, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 200,00 per dag dat [gedaagde] hiermee in gebreke blijft;

subsidiair:

[gedaagde] te veroordelen om de activiteiten vanuit het gehuurde, anders dan genoemd in artikel 1.3 van de huurovereenkomst, te staken en gestaakt te houden, op straffe van veroordeling van [gedaagde] tot ontruiming van het gehuurde, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 200,00 per dag dat [gedaagde] hiermee in gebreke blijft;

primair en subsidiair:

[gedaagde] te veroordelen in de proces- en nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente.

3.2

Aan haar vordering heeft Marcan (uiteindelijk) - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - het volgende ten grondslag gelegd. [gedaagde] handelt in strijd met de in artikel 1.3 van de huurovereenkomst neergelegde bestemming van het gehuurde. Deze tekortkoming rechtvaardigt de ontbinding van de huurovereenkomst en de veroordeling van [gedaagde] tot ontruiming van het gehuurde. [naam bedrijf 2] en [naam bedrijf 1] staan weliswaar niet meer ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel op het adres van het gehuurde, maar dat neemt niet weg dat de eerdere tekortkoming van [gedaagde] in dat verband niet meer ongedaan kan worden gemaakt. Bovendien is in het handelsregister vermeld dat [gedaagde] het gehuurde ook gebruikt voor colportage, detailhandel via internet in overige non-food en een reisbureau en was op de website van [handelsnaam] vermeld dat zij zich ook bezighield met een groothandel in wimpers en dat deze gevestigd was op het adres van het gehuurde. Marcan kan niet met zekerheid zeggen dat er daadwerkelijk andere activiteiten in het gehuurde plaatsvinden dan die in (artikel 1.3 van) de huurovereenkomst zijn overeengekomen.

Het verweer

3.3

[gedaagde] heeft de vordering van Marcan betwist en heeft geconcludeerd tot afwijzing daarvan, met veroordeling van Marcan in de proces- en nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente, en eventuele verdere executiekosten. Daartoe heeft [gedaagde] het volgende - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - aangevoerd.

3.4

[gedaagde] exploiteert in het gehuurde alleen een beautysalon. Zij gebruikt het gehuurde niet in strijd met de bestemming daarvan. [naam bedrijf 2] en [naam bedrijf 1] zijn niet meer op het adres van het gehuurde ingeschreven. Er hebben ook nooit activiteiten van die ondernemingen plaatsgevonden in het gehuurde. [naam bedrijf 3] stond al ruim voor aanvang van de huurovereenkomst in het handelsregister van de Kamer van Koophandel ingeschreven op het adres van het gehuurde. [gedaagde] heeft niets van doen met die onderneming. Op de nieuwe website van [handelsnaam] is de verwijzing naar de groothandel in wimpers verwijderd. Marcan heeft geen enkel bewijs geleverd van haar stelling dat in het gehuurde andere activiteiten plaatsvinden dan die genoemd zijn in artikel 1.3 van de huurovereenkomst. [gedaagde] is dan ook niet tekortgeschoten in de nakoming van de huurovereenkomst. Indien al sprake zou zijn van enige tekortkoming, dan rechtvaardigt deze tekortkoming niet de ontbinding van de huurovereenkomst.

4. De stellingen van partijen in reconventie

De vordering

4.1

[naam eiseres] heeft gevorderd bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad (kort gezegd):

a. Marcan te veroordelen tot herstel van de gebreken aan de achterdeuren en de achterpui van het gehuurde, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,00 per dag dat Marcan hiermee in gebreke blijft;

b. voor recht te verklaren dat de huurprijs vanaf 1 november 2017 wordt verlaagd met 5% tot het moment waarop de gebreken voldoende zijn hersteld;

c. Marcan te veroordelen tot betaling van de teveel betaalde huur in verband met de huurprijsvermindering vanaf 1 november 2017 tot en met de datum van het vonnis;

alles met veroordeling van Marcan in de proces- en nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente.

4.2

Aan haar vordering heeft [naam eiseres] (uiteindelijk) - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - het volgende ten grondslag gelegd.

Reeds bij aanvang van de huurovereenkomst bestond er een gebrek aan de achterdeuren van het gehuurde. De achterdeuren die zich aanvankelijk in het gehuurde bevonden waren rot en er zat een gat in. Pas op 17 juni 2019 heeft Marcan de achterdeuren vervangen. Die deuren passen niet goed, in die zin dat de aannemer enkele tegels heeft verwijderd die niet meer door [naam eiseres] teruggeplaatst kunnen worden. Daarnaast bestaat er reeds bij aanvang van de huurovereenkomst een gebrek aan de achterpui. Deze pui bevat schimmel. [naam eiseres] heeft de binnenzijde van de achterpui niet dichtgetimmerd. Bij aanvang van de huurovereenkomst waren er al gipsplaten aanwezig. [naam eiseres] heeft die gipsplaten juist verwijderd, met uitzondering van één plaat. De gebreken rechtvaardigen een huurprijsvermindering van 5%.

Het verweer

4.3

Marcan heeft de vordering van [naam eiseres] betwist en heeft geconcludeerd tot het niet-ontvankelijk verklaren van [naam eiseres] in haar vordering dan wel de vordering af te wijzen, met veroordeling van [naam eiseres] in de proceskosten.

Nergens blijkt uit dat bij aanvang van de huurovereenkomst een gebrek bestond aan de achterdeuren en/of de achterpui. Marcan is van mening dat de achterdeuren van het gehuurde deugdelijk zijn. Volgens de aannemer wordt het vocht- en schimmelprobleem aan de achterpui veroorzaakt door het feit dat [naam eiseres] die pui aan de binnenzijde heeft afgetimmerd met gipsplaten. Het gebrek is dan ook veroorzaakt door [naam eiseres] zelf. [naam eiseres] maakt dan ook reeds hierom geen aanspraak op enige huurprijsvermindering.

De gevorderde huurprijsvermindering van 5% is bovendien veel te hoog.

5. De beoordeling van de vorderingen

In conventie

5.1

Voorop gesteld moet worden dat partijen het erover eens zijn dat [gedaagde] in het gehuurde zelf daadwerkelijk een beautysalon exploiteert als omschreven in artikel 1.3 van de huurovereenkomst. Op de door [gedaagde] overgelegde foto’s van het gehuurde is ook alleen een beautysalon te zien. Dit betekent dat in zoverre van een tekortkoming geen sprake kan zijn.

Niet in geschil is verder dat (de groothandel in hout) [naam bedrijf 3] al ruim voor aanvang van de huurovereenkomst in het handelsregister van de Kamer van Koophandel stond ingeschreven op het adres van het gehuurde en dat [gedaagde] niets van doen heeft met die onderneming. Marcan heeft haar eerder in dat kader jegens [gedaagde] gemaakte verwijt ter zitting ook ingetrokken, zodat die kwestie verder onbesproken kan blijven. Marcan heeft verklaard dat het haar ook nog niet is gelukt om die inschrijving te laten verwijderen. Voorts heeft [gedaagde] ervoor gezorgd dat [naam bedrijf 2] (het bedrijf van haar broer [naam] ) en [naam bedrijf 1] (het bedrijf van haar moeder) niet meer op het adres van het gehuurde zijn ingeschreven. Vaststaat dat die ondernemingen nu op het huisadres van de ouders en broer van [gedaagde] staan ingeschreven in Capelle aan den IJssel. Ook heeft Marcan niet weersproken dat op de (nieuwe) website van [handelsnaam] de verwijzing naar de groothandel in wimpers is verwijderd. Dat blijkt ook uit de door [gedaagde] overgelegde screenshots van die website. Die groothandel staat nu ook ingeschreven in Capelle aan den IJssel, op het adres van de ouders en broer van [gedaagde] . De omschrijvingen in het handelsregister van wat [gedaagde] als ondernemer doet (de SBI-codes) dateren van ruim vóór het aangaan van de huurovereenkomst. Niet valt in te zien dat [gedaagde] hieromtrent een verwijt kan worden gemaakt.

5.2

Niet kan worden gezegd dat [gedaagde] als gevolg van de eerdere inschrijvingen in het handelsregister van andere ondernemingen op het adres van het gehuurde en de eerdere vermelding op de (test)website van de groothandel in wimpers is tekortgeschoten in de nakoming van de huurovereenkomst. Die inschrijvingen en vermelding hebben geen wezenlijke invloed op het “overeengekomen gebruik” in de huurovereenkomst. Daartoe is meer nodig, zoals feitelijke bedrijfsactiviteiten in of vanuit het gehuurde. De stelling van Marcan dat het uitgangspunt bij de beoordeling van de vraag of [gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van de huurovereenkomst (alleen) de inschrijving van andere ondernemingen op het adres van het gehuurde is, vindt geen steun in de wet of jurisprudentie. Dat door een van de andere in het verleden op het adres van het gehuurde ingeschreven ondernemingen feitelijke activiteiten in of vanuit het gehuurde worden of werden ontplooid is niet gebleken. Marcan heeft niets overgelegd waaruit dat kan worden opgemaakt. [gedaagde] heeft dat uitdrukkelijk betwist en Marcan heeft ter zitting ook erkend dat zij dat niet met zekerheid kan zeggen. [gedaagde] heeft bovendien een plausibele verklaring gegeven voor de eerdere inschrijvingen op het adres van het gehuurde. Daartoe heeft [gedaagde] aangevoerd dat [naam bedrijf 1] en [naam bedrijf 2] slechts stonden ingeschreven op dat adres om te voorkomen dat de privéadressen van haar moeder en broer op internet zouden gaan circuleren. Onder deze omstandigheden valt niet in te zien in welk belang Marcan is getroffen door de voormalige inschrijving van die andere bedrijven.

Voor zover bij die andere ondernemingen op internet nog verwezen wordt naar het gehuurde als adres, kan dit niet tot een ander oordeel leiden. Marcan heeft niet gesteld op welke wijze zij hierdoor wordt geschaad.

De kantonrechter gaat voorbij aan de stelling van Marcan dat, indien zich andere activiteiten in het gehuurde voordoen, het kan zijn dat de verzekering niet meer dekkend is en de verzekeringspremie voor het gehuurde stijgt. Indien dat al kan worden aangenomen, moet worden vastgesteld dat dat risico zich gelet op hetgeen hiervoor is overwogen niet heeft verwezenlijkt.

5.3

Tot slot wordt nog overwogen dat de omstandigheid dat de broer van [gedaagde]

telefonisch contact onderhoudt met Marcan met betrekking tot (onderhoud aan) het gehuurde, evenmin enige tekortkoming oplevert in de nakoming van de huurovereenkomst door [gedaagde] . Het staat [gedaagde] vrij om een en ander door hem te laten regelen, zeker nu zij als reden hiervoor heeft aangegeven dat haar broer, behalve voor [naam bedrijf 2] , ook als zzp’er werkt voor [handelsnaam] en dat hij in die hoedanigheid ook contact onderhoudt met Marcan namens [handelsnaam] .

5.4

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [gedaagde] niet in strijd handelt met en is tekortgeschoten in de nakoming van de huurovereenkomst. Dit betekent dat er geen grond bestaat voor de primair gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst en de veroordeling van [gedaagde] tot ontruiming van het gehuurde. De hierop gerichte vorderingen worden dan ook afgewezen.

5.5

Omdat [gedaagde] niet in strijd handelt met de huurovereenkomst en evenmin anderszins onrechtmatig handelt, bestaat er evenmin grond voor de subsidiair gevorderde veroordeling om de gestelde activiteiten te staken. Ook die vordering wordt daarom afgewezen.

5.6

Hetgeen verder nog door partijen is aangevoerd, kan tot geen ander oordeel leiden en behoeft daarom geen (nadere) bespreking.

5.7

Marcan zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in conventie. Nu de vorderingen van onbepaalde waarde zijn zal de kantonrechter het gemachtigdensalaris op € 300,00 per punt vaststellen. De door [gedaagde] gevorderde nakosten zullen worden toegewezen als hierna vermeld, nu gelet op het arrest van de Hoge Raad van 14 februari 2014 (ECLI:NL:HR:2014:335) de proceskostenveroordeling hiervoor reeds een executoriale titel geeft en de kantonrechter van oordeel is dat de nakosten zich ook vooraf laten begroten. De wettelijke rente over de proces- en nakosten zal eveneens worden toegewezen op de hierna te bepalen wijze. De gevorderde “eventuele verdere executiekosten” worden bij gebreke van enige onderbouwing afgewezen.

In reconventie

5.8

In reconventie staat ter beoordeling de vraag of sprake is van gebreken aan het gehuurde, die voor herstel in aanmerking komen en een huurprijsvermindering rechtvaardigen. De kantonrechter oordeelt daarover als volgt.

5.9

[gedaagde] heeft gesteld dat er reeds bij aanvang van de huurovereenkomst een gebrek bestond aan de achterdeuren van het gehuurde. Partijen zijn het erover eens dat er bij aanvang van de huurovereenkomst geen opnamestaat van het gehuurde is opgesteld.

Gelet op het bepaalde in artikel 7:224 lid 2 BW wordt er daarom vooralsnog van uitgegaan dat de achterdeuren bij aanvang van de huurovereenkomst niet (volledig) deugdelijk waren. Wat hier echter ook van zij, [gedaagde] heeft niet gesteld en dat is ook niet gebleken dat daardoor enige tijd, totdat in juni 2019 de nieuwe achterdeuren zijn geplaatst, sprake was van een substantiële vermindering van het huurgenot in de zin van artikel 7:204 lid 2 BW, die tot een vermindering van de huurprijs dient te leiden. [gedaagde] heeft ook niet betwist dat zij bij aanvang van de huurovereenkomst aan Marcan heeft meegedeeld dat zij de achterdeuren toch niet zou gaan gebruiken en dat zij daar dozen tegenaan zou gaan plaatsen. Een en ander leidt tot de conclusie dat geen sprake was van een gebrek aan de voormalige achterdeuren, dat tot een vermindering van de huurprijs dient te leiden. Gelet hierop kan in het midden blijven het beroep dat Marcan heeft gedaan op de exoneratieclausule zoals neergelegd in artikel 11.3 van de algemene bepalingen en het daartegen gerichte verweer van [gedaagde] .

5.10

[gedaagde] heeft gesteld dat de nieuw geplaatste achterdeuren te laag zijn, in die zin dat zij de bij die gelegenheid door de aannemer verwijderde tegels (op de door [gedaagde] overgelegde foto lijkt het te gaan om 2 tegels) niet meer kan terugplaatsen, omdat de deuren dan niet meer volledig open kunnen. Dat sprake is van een gebrek aan de nieuwe deuren zelf, is door [gedaagde] niet gesteld. Er wordt dan ook vanuit gegaan dat die deuren zelf deugdelijk zijn. Uit de door Marcan overgelegde e-mail van de aannemer van 3 oktober 2019 volgt dat hij bij het vervangen van de achterdeuren met (een medewerker van) [gedaagde] heeft afgesproken dat de tegels ter plaatse van die deuren verwijderd mochten worden en dat [gedaagde] dat verder zelf zou oppakken. [gedaagde] heeft dat ter zitting ook erkend. Dit betekent dat Marcan niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor (de terug-plaatsing van) die (enkele) tegels en dat het op de weg van [gedaagde] ligt om, indien zij dat wenst, die tegels weer terug te plaatsen. Het voorgaande betekent dat ook in dit verband niet kan worden geoordeeld dat sprake is van een gebrek. Marcan heeft ter zitting overigens toegezegd dat zij de aannemer opdracht zal geven om nog een keer naar de (onderzijde van de) achterdeuren en de tegels in het gehuurde te kijken. De kantonrechter gaat er dan ook vanuit dat Marcan deze toezegging zal nakomen.

5.11

[gedaagde] heeft verder gesteld dat er al bij aanvang van de huurovereenkomst een gebrek bestaat aan de achterpui van het gehuurde. Partijen zijn het er ook over eens dat sprake is van een vocht- en schimmelprobleem aan de achterpui en dat die problemen veroorzaakt worden door de gipsplaten die zich aan de binnenzijde van de pui bevinden. Hierdoor trekt er vocht in de pui. Een en ander blijkt ook uit de e-mail van de aannemer van 3 oktober 2019. Zoals hiervoor al is overwogen is er bij aanvang van de huurovereenkomst geen opnamestaat van het gehuurde opgesteld. Nu Marcan geen tegenbewijs heeft aangeboden, moet er vanuit worden gegaan dat de gipsplaten reeds bij aanvang van de huurovereenkomst aanwezig waren en dat Marcan derhalve verantwoordelijk is voor dit gebrek. Nu partijen het erover eens zijn dat er nog geen (herstel)werkzaamheden zijn verricht aan de achterpui, wordt het gevorderde herstel van de pui toegewezen.

De kantonrechter maakt gebruik van de bevoegdheid tot matiging en maximering van de in dit kader gevorderde dwangsom tot een bedrag van € 100,00 per dag met een maximum van € 10.000,00 in totaal.

Niet kan echter worden gezegd dat dit gebrek invloed dient te hebben op de huurprijs van het gehuurde wegens een substantiële vermindering van het huurgenot. Niet is gebleken dat van een dergelijke vermindering van het huurgenot in de zin van artikel 7:204 lid 2 BW sprake is. [gedaagde] maakt al jaren op de huidige wijze gebruik van het gehuurde en gesteld noch gebleken is dat de (staat van de) achterpui tot enig probleem heeft geleid. Die pui is ook nagenoeg niet zichtbaar als gevolg van de aanwezigheid van de gipsplaten.

Gelet hierop kan in het midden blijven het beroep dat Marcan heeft gedaan op de exoneratieclausule zoals neergelegd in artikel 11.3 van de algemene bepalingen en het daartegen gerichte verweer van [gedaagde] .

5.12

Hetgeen verder nog door partijen is aangevoerd, kan tot geen ander oordeel leiden en behoeft daarom geen (nadere) bespreking.

5.13

Nu partijen over en weer op onderdelen in het ongelijk zijn gesteld, ziet de kantonrechter aanleiding de kosten van de procedure in reconventie te compenseren, in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.

6. De beslissing

De kantonrechter:

in conventie:

wijst de vordering van Marcan af;

veroordeelt Marcan in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [gedaagde] vastgesteld op € 600,00 aan salaris voor de gemachtigde en voorts, indien Marcan niet binnen 14 dagen na de datum van het onderhavige vonnis (vrijwillig) aan dit vonnis heeft voldaan, de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over dat bedrag en tevens een bedrag van

€ 120,00 aan nasalaris. Indien daarna betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, dient het bedrag aan nasalaris nog te worden verhoogd met de kosten van betekening, eveneens vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over al deze bedragen vanaf
14 dagen na de betekening van het vonnis tot de dag der algehele voldoening;

in reconventie:

veroordeelt Marcan tot het herstel van de achterpui van het gehuurde gelegen aan de [adres] binnen twee weken na betekening van dit vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,00 per dag dat Marcan hiermee in gebreke blijft, tot een maximum van € 10.000,00 is bereikt;

compenseert de proceskosten, in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt;

in conventie en reconventie:

verklaart dit vonnis voor zover het de veroordelingen betreft uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. van der Kolk en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

764