Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:3367

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
13-03-2020
Datum publicatie
16-04-2020
Zaaknummer
6537978 CV EXPL 17-43734
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eindvonnis aannemingszaak na bewijslevering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 6537978 CV EXPL 17-43734

uitspraak: 13 maart 2020

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

[eiser] ,

handelend onder de naam [handelsnaam 1],

wonende en zaakdoende te [plaatsnaam 1] ,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

gemachtigde: mr. H. Koning te Den Haag,

tegen

[gedaagde] ,

handelend onder de naam [handelsnaam 2],

wonende en zaakdoende te [plaatsnaam 2] ,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

gemachtigde: aanvankelijk mr. C.E.P. Koppens-van Grinsven, thans mr. M.M.A. van Straten, werkzaam bij ARAG te Leusden.

Partijen blijven hierna aangeduid als “ [eiser] ” en “ [gedaagde] ”.

1. Het verdere verloop van de procedure

1.1

Het verdere verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen.

  • -

    het tussenvonnis van 22 maart 2019 en de daaraan ten grondslag liggende processtukken;

  • -

    de akte uitlaten aan de zijde van [eiser] ;

  • -

    de akte aan de zijde van [gedaagde] , met producties;

  • -

    de brief van 27 augustus 2019 aan de zijde van [eiser] ;

  • -

    het proces-verbaal van getuigenverhoor in conventie van 5 september 2019 aan de zijde van [eiser] ;

  • -

    het proces-verbaal van getuigenverhoor in reconventie van 10 oktober 2019 aan de zijde van [verweerder] ;

  • -

    de conclusie na enquête aan de zijde van [eiser] , met een productie;

  • -

    de conclusie na enquête aan de zijde van [gedaagde] , met een productie.

1.2

De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden. Nu de kantonrechter die de getuigenverhoren heeft afgenomen niet meer werkzaam is binnen het team kanton, wordt

dit vonnis gewezen door de kantonrechter waarvan de naam aan het slot van deze uitspraak is vermeld.

2. De verdere beoordeling van de vordering

2.1

De kantonrechter verwijst naar het tussenvonnis van 22 maart 2019, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast dient te worden beschouwd. In dit vonnis is [eiser] in conventie toegelaten te bewijzen met alle middelen rechtens dat het in dat vonnis onder rechtsoverweging 2.2 vermelde facturen in rekening gebrachte meerwerk tussen partijen is overeengekomen, voor zover dat betrekking heeft op de onder randnummer 75/pagina 16 van de conclusie van antwoord in conventie/eis in reconventie genoemde punten, en dat [gedaagde] de stelposten is verschuldigd.

In reconventie is [gedaagde] toegelaten te bewijzen met alle middelen rechtens dat sprake is van gebreken met betrekking tot a) de geplaatste steunbalk, dat er als gevolg daarvan schade is ontstaan aan de woning die voor rekening komt van [eiser] en dat dit gebrek tot de door [gedaagde] gestelde herstelkosten heeft geleid, b) ventilatieopeningen ontbreken in de reeds bestaande kruipruimte en c) buitenstopcontacten.

In conventie

2.2

Ter voldoening aan zijn bewijsopdracht heeft [eiser] zichzelf als getuige doen horen en de heer [getuige] (hierna: [getuige] ), timmerman. Nu [eiser] partij is in deze procedure, geldt ten aanzien van zijn verklaring dat deze omtrent door hem te bewijzen feiten geen bewijs in zijn voordeel oplevert, tenzij die verklaring strekt ter aanvulling van onvolledig bewijs.

De kantonrechter oordeelt als volgt.

2.3

Ten aanzien van de bij de eerste factuur (factuurnummer [factuurnummer 1] ) in rekening gebrachte extra kosten voor de kiepramen boven in het kozijn heeft [eiser] verklaard dat hij niet op voorhand met [gedaagde] heeft besproken dat sprake is van meerwerk voor rekening van [gedaagde] . Ten aanzien van de in rekening gebrachte kosten voor de levering van de kozijnen, heeft [eiser] in het geheel niet verklaard. Dit brengt mee dat [eiser] op deze punten niet is geslaagd in het bewijs. Dit betekent dat van de eerste factuur niet meer dan € 1.390,- te vermeerderen met BTW verschuldigd is door [gedaagde] .

Ten aanzien van het bij de tweede, derde en vierde factuur van respectievelijk 20 juli 2017 en 23 augustus 2017 in rekening gebrachte meerwerk heeft [eiser] verklaard dat hij niet op voorhand aan [gedaagde] heeft gemeld dat sprake was van meerwerk waaraan kosten verbonden zijn. Dit leidt tot het oordeel dat [eiser] niet is geslaagd in het bewijs. Weliswaar heeft [getuige] verklaard dat [gedaagde] wel akkoord is gegaan met (de kosten voor) het leegpompen van de kelder, maar dit is gelet op de eigen verklaring van [eiser] onvoldoende om tot een ander oordeel te komen.

Ten aanzien van de kosten voor het verzetten van het raam, zoals in rekening gebracht bij de vijfde factuur (van 23 augustus 2017; factuurnummer [factuurnummer 2] ), heeft [gedaagde] aangevoerd dat het raam in eerste instantie door [eiser] op een verkeerde plek is geplaatst zodat geen sprake is van meerwerk dat voor haar rekening dient te komen. De enkele verklaring van [eiser] dat hij gehandeld heeft overeenkomstig de tekeningen en dat het raam nadien in opdracht van [gedaagde] moest worden verplaatst, is onvoldoende om tot het oordeel te komen dat hij is geslaagd in het bewijs dat sprake is van meerwerk voor rekening van [gedaagde] .

Voor wat betreft de laatste factuur van 23 augustus 2017, die betrekking heeft op stelposten, heeft [eiser] verklaard dat deze werkzaamheden terug te voeren zijn op de offerte en dat daar geen apart overleg over gevoerd is nu [gedaagde] met die offerte akkoord is gegaan. In de offerte staat bij de betreffende werkzaamheden inderdaad dat sprake is van stelposten die, op de stelpost voor het grondwerk na, hoger zijn dan de in rekening gebrachte bedragen. [eiser] heeft in dit verband nog verklaard dat de zandcement dekvloer, waarvoor een bedrag van € 230,- in rekening is gebracht, niet helemaal conform de offerte is uitgevoerd. Dit strookt met het feit dat in de offerte als stelpost een veel hoger bedrag, € 950,-, is opgenomen. [eiser] heeft niet verklaard waarom de stelpost voor het grondwerk hoger is uitgevallen dan het in de offerte genoemde bedrag van € 250,- exclusief BTW. Dit leidt tot het oordeel dat [eiser] geslaagd is in het bewijs dat de bij deze factuur in rekening gebrachte bedragen met betrekking tot de stelposten waterleiding, de zandcement dekvloer en de regenpijp/afvoer verschuldigd zijn conform de bij de factuur in rekening gebrachte bedragen en de post grondwerk tot een bedrag van € 250,- exclusief BTW conform de offerte.

2.4

Het voorgaande leidt ertoe dat - met inachtneming van de onbetwiste onderdelen van de facturen - van het in conventie door [eiser] gevorderde bedrag toewijsbaar is:

- van factuurnummer [factuurnummer 1] : € 1.390,- (te vermeerderen met BTW);

- van factuurnummer [factuurnummer 3] : € 105,80 (te vermeerderen met BTW);

- van factuurnummer [factuurnummer 4] : € 40,46;

- van factuurnummer [factuurnummer 5] : € 5.637,90;

- van factuurnummer [factuurnummer 2] : nihil;

- van factuurnummer [factuurnummer 6] : € 855,- (te vermeerderen met BTW).

In totaal gaat het hier om een bedrag van € 8.522,83 inclusief 21% BTW.

De conclusies na enquête van [eiser] en [gedaagde] bieden geen aanknopingspunten om anders te oordelen.

2.5

In het tussenvonnis is reeds geoordeeld dat een bedrag van in totaal € 1.157,50 (inclusief BTW) aan minderwerk in mindering strekt op hetgeen door [gedaagde] is verschuldigd. Een en ander betekent dat in totaal (€ 8.522,83 inclusief BTW minus € 1.157,50 inclusief BTW =) € 7.365,33 inclusief BTW toewijsbaar is. Gelet echter op hetgeen hierna in reconventie wordt overwogen, waaruit volgt dat de toewijsbare vordering van [gedaagde] die van [eiser] overstijgt, zodat [gedaagde] zich met recht op verrekening kan beroepen, wordt de vordering in conventie afgewezen. De nevenvorderingen delen in het lot van afwijzing van de hoofdsom.

In reconventie

2.6

Ter voldoening aan haar bewijsopdracht heeft [eiseres] voormelde akte genomen. De kantonrechter oordeelt als volgt.

2.7

[eiseres] heeft aangevoerd dat de door [verweerder] geplaatste steunbalk constructief gezien niet deugdelijk is geplaatst en dat er als gevolg daarvan schade is ontstaan, bestaande uit scheurvorming in de binnen- en buitenmuren van de woning en in het voeg- en tegelwerk in de badkamer. [eiseres] heeft in haar akte wederom verwezen naar het naar aanleiding van het door Bouwkenners uitgevoerde onderzoek opgestelde expertiserapport van
28 januari 2018.

2.7.1

[verweerder] heeft in contra-enquête [getuige 1] (hierna: [getuige 1] ), constructeur, en [getuige 2] (hierna: [getuige 2] ), bouwkundig adviseur, als getuigen doen horen. [getuige 1] is de door [verweerder] ingeschakelde constructeur van het spant van de achtergevel van de aanbouw (inclusief balkon) aan de achterzijde van de woning en de stalen balk van de doorbraak in de woning. [getuige 1] heeft verklaard dat de door [verweerder] aangebrachte bovenligger niet volledig aansloot op een van de kolommen en dat de bovenligger niet verder kwam dan ongeveer de helft van de kolom en dat dit van invloed kan zijn op het draagvermogen van de ligger. [getuige 2] heeft, zoals onder rechtsoverweging 5.6.4 van het tussenvonnis is overwogen, in opdracht van [eiseres] een deskundigenonderzoek verricht. Hij heeft verklaard dat hij heeft geconstateerd dat er een gebrek was in het laswerk en dat niet alle verbindingen van het stalen portaal met betrekking tot de kolommen en de liggers waren afgelast. In één hoek waren de verbindingen niet volledig afgelast en ook was de bovenste ligger in het portaal te kort, aldus [getuige 2] .

2.7.2

De verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] bevestigen de stelling van [eiseres] dat de door [verweerder] geplaatste steunbalk constructief gezien niet deugdelijk is geplaatst. [verweerder] heeft bovendien zelf erkend dat de steunbalk 10 centimeter te kort was. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [eiseres] is geslaagd in de bewijslevering dat sprake is van gebreken met betrekking tot de geplaatste steunbalk. [verweerder] is gelet op hetgeen in het tussenvonnis is overwogen en op de voet van artikel 6:74 lid 1 BW dan ook gehouden de hiermee verband houdende schade te vergoeden. De conclusie na enquête van [verweerder] biedt geen aanknopingspunten om anders te oordelen.

2.7.3

[eiseres] heeft gesteld dat de kosten voor het opnieuw plaatsen van de steunbalk
€ 3.500,- (exclusief BTW) bedragen en de herstelkosten van de constructie
€ 732,- (exclusief BTW). [verweerder] heeft hier geen verweer tegen gevoerd, zodat de kantonrechter uitgaat van de juistheid van deze bedragen. Dat betekent dat de ter zake door [eiseres] geleden schade € 5.120,72 (inclusief BTW) bedraagt.

2.7.4

[eiseres] is naar het oordeel van de kantonrechter niet geslaagd in het bewijs dat als gevolg van het gebrek aan de steunbalk schade is ontstaan, bestaande uit scheurvorming in de binnen- en buitenmuren van de woning die voor rekening komt van [verweerder] en dat dit gebrek tot de door [eiseres] gestelde herstelkosten heeft geleid.

[getuige 2] heeft desgevraagd slechts verklaard dat de mogelijke vervorming van de steunbalk heeft geleid tot op geld waardeerbare schade en dat hij in zijn rapport een op geld gewaardeerde herstelraming heeft opgenomen. [eiseres] heeft het rapport echter niet overgelegd zodat niet kan worden beoordeeld om welk bedrag het gaat en hoe [getuige 2] daartoe is gekomen. De verklaring van [getuige 2] is op dit punt onvoldoende concreet. Dat komt voor rekening en risico van [eiseres] . Uit de door [eiseres] overgelegde foto’s van scheuren kan voorts niet worden opgemaakt of en in hoeverre die veroorzaakt zijn door de steunbalk. Het voorgaande leidt er toe dat de door [eiseres] gevorderde herstelkosten van de scheuren niet voor vergoeding in aanmerking komen.

De conclusie na enquête van [eiseres] biedt geen aanknopingspunten om anders te oordelen.

2.8

[eiseres] heeft verder gesteld dat [verweerder] geen ventilatieopeningen heeft aangebracht in de reeds bestaande kruipruimte en dat [eiseres] daarom aan [naam bedrijf] opdracht heeft gegeven om die ventilatieopeningen alsnog te realiseren. De onderaannemer die in opdracht van [verweerder] de ventilatieopeningen in de bestaande kruipruimte zou realiseren, had voor die werkzaamheden niet de beschikking over de juiste materialen. Daardoor is hij onverrichter zake weer vertrokken en zijn de ventilatieopeningen niet gerealiseerd, aldus [eiseres] . [eiseres] heeft een aantal foto’s overgelegd van ventilatieopeningen in de genoemde kruipruimte en gesteld dat die door [naam bedrijf] zijn aangebracht. [verweerder] heeft hier niets meer tegen ingebracht. Dit leidt tot het oordeel dat [eiseres] op dit punt is geslaagd in de bewijslevering. In het tussenvonnis is overwogen dat de herstelkosten met betrekking tot de te laag gerealiseerde ventilatieopeningen € 572,33 (inclusief BTW) bedragen, met dien verstande dat dit bedrag mogelijk aanpassing behoeft omdat hierin ook de kosten van het aanbrengen van ventilatieopeningen in de reeds bestaande kruipruimte zijn begrepen. Nu (ook) op dat punt sprake is van een gebrek, is [verweerder] dit volledige bedrag verschuldigd.

2.9

[eiseres] heeft echter niet het benodigde bewijs geleverd dat (ook) sprake is van een gebrek met betrekking tot de buitenstopcontacten. Uit de door haar overgelegde foto’s van twee verschillende buitenstopcontacten kan dit niet worden opgemaakt.

2.10

In het tussenvonnis is voor wat betreft de hoogte van de door [eiseres] geleden schade reeds geoordeeld dat het schadebedrag met betrekking tot de herstelkosten aan de kozijnen € 2.674,10 (inclusief BTW) bedraagt.

2.11

In het tussenvonnis is tot slot bepaald dat [eiseres] zich nog dient uit te laten over het schadebedrag met betrekking tot het voegwerk in de gerealiseerde aanbouw. [eiseres] heeft in haar voormelde akte gesteld dat die kosten in totaal € 4.500,00 (exclusief BTW) bedragen. Ter onderbouwing daarvan heeft [eiseres] exact dezelfde offerte overgelegd die zij al als productie 21 bij conclusie van antwoord in conventie/eis in reconventie in het geding had gebracht. Die offerte had volgens [eiseres] betrekking op de herstelkosten van de scheurvorming in het voegwerk als gevolg van het gebrek aan de geplaatste steunbalk. Dit betekent dat [eiseres] niet heeft aangetoond welk schadebedrag heeft te gelden met betrekking tot ondeugdelijk aangebracht voegwerk, zodat de in dat kader gevorderde herstelkosten worden afgewezen.

2.12

De gevorderde vergoeding van afvoerkosten van bouwmateriaal wordt afgewezen, nu niet gebleken is dat [verweerder] op dat punt tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst. Ook de gevorderde vergoeding van (extra) opslagkosten van meubels en de gevorderde (extra) reiskostenvergoeding tussen Zeeland en Rotterdam worden afgewezen. Nog afgezien van het feit dat [eiseres] niets heeft overgelegd waaruit kan worden opgemaakt dat zij de door haar gestelde (zeer aanzienlijke) reiskosten daadwerkelijk heeft gemaakt, moet worden vastgesteld dat uit de door [eiseres] overgelegde e-mail van
26 juni 2017 blijkt dat zij aan [verweerder] heeft verzocht om zijn “best” te doen om in ieder geval de ruwbouw gereed te hebben voor de bouwvakvakantie. Daaruit kan niet worden afgeleid dat [verweerder] zich heeft verbonden om (een deel van) de werkzaamheden uiterlijk op een bepaalde datum op te leveren. De gevorderde vergoeding van de kosten van het expertiserapport van Bouwkenners wordt eveneens afgewezen, nu dat rapport zoals hiervoor al is overwogen een partij-deskundigenrapport betreft. Dit betekent dat die kosten niet kunnen worden aangemerkt als redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid in de zin van artikel 6:96 lid 2 onder b BW en daarom niet voor vergoeding in aanmerking komen.

2.13

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de totale toewijsbare schade (€ 5.120,72 (inclusief BTW) plus € 2.674,10 (inclusief BTW) plus € 572,33 (inclusief BTW), aldus)
€ 8.367,15 (inclusief BTW) bedraagt. De vordering in reconventie wordt daarom, gelet op de verrekening in conventie, toegewezen tot een bedrag van in totaal (€ 8.367,15 minus
€ 7.365,33, aldus) € 1.001,82 (inclusief BTW).

2.14

De door [eiseres] gevorderde wettelijke rente zal als (inhoudelijk) onweersproken en op de wet gegrond worden toegewezen over het toewijsbare bedrag van € 1.001,82 en vanaf 28 februari 2018 (twee weken na de factuur van [naam bedrijf] van 14 februari 2018).

De door [eiseres] gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke kosten zal bij gebreke van enige onderbouwing worden afgewezen.

In conventie en reconventie voorts

2.15

Hetgeen verder nog door partijen is aangevoerd, kan tot geen ander oordeel leiden en behoeft daarom geen (nadere) bespreking.

2.16

[eiser] zal als de (grotendeels) in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in conventie en reconventie (daaronder begrepen de taxe van de door hem voorgebrachte getuige [getuige 2] van in totaal € 263,00 inclusief BTW, die voor zijn rekening komt). De door [gedaagde] in reconventie gevorderde nakosten zullen worden toegewezen als hierna vermeld, nu gelet op het arrest van de Hoge Raad van 14 februari 2014 (ECLI:NL:HR:2014:335) de proceskosten-veroordeling hiervoor reeds een executoriale titel geeft en de kantonrechter van oordeel is dat de nakosten zich ook vooraf laten begroten. De wettelijke rente over de proces- en nakosten zal eveneens worden toegewezen op de hierna te bepalen wijze.

3. De beslissing

De kantonrechter:

in conventie:

wijst de vordering van [eiser] af;

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [gedaagde] vastgesteld op € 1.200,00 aan salaris voor de gemachtigde;

in reconventie:

veroordeelt [verweerder] om aan [eiseres] tegen kwijting te betalen het bedrag van € 1.001,82 (inclusief BTW), vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf 28 februari 2018 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt [verweerder] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] vastgesteld op € 375,00 aan salaris voor de gemachtigde en voorts, indien [verweerder] niet binnen 14 dagen na de datum van het onderhavige vonnis (vrijwillig) aan dit vonnis heeft voldaan, de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over dat bedrag en tevens een bedrag van

€ 75,00 aan nasalaris. Indien daarna betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, dient het bedrag aan nasalaris nog te worden verhoogd met de kosten van betekening, eveneens vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over al deze bedragen vanaf
14 dagen na de betekening van het vonnis tot de dag der algehele voldoening;

in conventie en reconventie:

verklaart dit vonnis voor zover het de veroordelingen betreft uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. van Kalmthout en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

764