Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:3362

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
27-03-2020
Datum publicatie
16-04-2020
Zaaknummer
8194381 CV-EXPL-19-51603
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Huurachterstand, ontbinding en ontruiming toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8194381 CV EXPL 19-51603

uitspraak: 27 maart 2020

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

de stichting

Stichting Woonbron,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres

gemachtigde: H.A.M. Over de Vest te Zoetermeer,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats gedaagde]

gedaagde,

gemachtigde: mr. S.A. Chedie te Rotterdam.

Partijen worden hierna aangeduid als ‘Woonbron’ en ‘ [gedaagde] ’.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen:

  • -

    het exploot van dagvaarding van 25 november 2019, met één productie;

  • -

    de conclusie van antwoord;

  • -

    het tussenvonnis van 29 januari 2020 waarbij een mondelinge behandeling is gelast.

1.2

De mondelinge behandeling is gehouden op 18 februari 2020. Daar is namens Woonbron genoemde gemachtigde verschenen; [gedaagde] is in persoon verschenen, bijgestaan door haar genoemde gemachtigde. Door Woonbron is ter mondelinge behandeling nog een specificatie van de door haar berekende huurachterstand tot en met februari 2020 overgelegd. Van het verhandelde ter zitting is aantekening gehouden door de griffier.

1.3

De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.

2 De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, alsmede op grond van de in zoverre niet weersproken inhoud van de producties, staat tussen partijen – voor zover van belang – het volgende vast.

2.1

Tussen Woonbron als verhuurder en [gedaagde] als huurder bestaat een huurovereenkomst met betrekking tot de woning gelegen aan de [adres] te Rotterdam (hierna: het gehuurde).

2.2

Uit hoofde van deze huurovereenkomst is [gedaagde] bij vooruitbetaling huurpenningen verschuldigd aan Woonbron, laatstelijk bedragend € 471,22 per maand.

2.3

Bij onder zaaknummer 7745102 / CV EXOL 19-19886 bij verstek gewezen vonnis van 23 mei 2019 van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam is [gedaagde] veroordeeld tot betaling van € 542,93 aan achterstallige huur berekend tot en met de maand mei 2019 en buitengerechtelijke kosten en veroordeeld in de proceskosten.

3 De vordering

3.1

Woonbron heeft bij dagvaarding gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de huurovereenkomst tussen partijen met betrekking tot het gehuurde te ontbinden en [gedaagde] te veroordelen tot ontruiming van het gehuurde en tot betaling aan Woonbron van € 1.457,31 aan achterstallige huur berekend tot en met de maand november 2019, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 1.457,31 vanaf 1 november 2019 tot aan de dag der algehele voldoening, en een bedrag van € 471,22 per maand vanaf 1 december 2019 tot de ontruiming, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

3.2

Tijdens de mondelinge behandeling van partijen heeft Woonbron haar vordering verminderd met de door [gedaagde] na dagvaarding gedane betalingen, in die zin dat zij nog een bedrag van € 985,31 aan achterstallige huur berekend tot en met de maand februari 2020 vordert.

3.3

Aan haar verminderde vordering heeft Woonbron, naast de vaststaande feiten – zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang – het volgende ten grondslag gelegd.

3.3.1

[gedaagde] is, ondanks aanmaning en sommatie, in gebreke gebleven met de tijdige en volledige betaling van de verschuldigde huurpenningen. De verminderde huurachterstand rechtvaardigt echter vanwege de herhaalde wanprestatie nog steeds de ontbinding van de huurovereenkomst en een veroordeling tot ontruiming van het gehuurde.

3.3.2

Woonbron maakt aanspraak op de wettelijke rente over een bedrag van € 1.457,31 tot de dag van algehele voldoening vanaf 1 november 2019.

4 Het verweer

4.1

Het verweer van [gedaagde] strekt tot niet-ontvankelijk verklaring, dan wel afwijzing van de vordering van Woonbron, met veroordeling van Woonbron in de proceskosten te vermeerderen met de nakosten en wettelijke rente. Daartoe heeft [gedaagde] – zakelijk weergegeven en voor zover van belang – het volgende aangevoerd.

4.2

[gedaagde] heeft tijdens de mondelinge behandeling de hoogte van de door Woonbron verminderde huurachterstand erkend. Zij heeft zich er op beroepen dat gezien haar medische toestand een ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde disproportioneel zal zijn en, gezien de omstandigheden, ook onnodig. Daartoe heeft zij het volgende aangevoerd. Bij [gedaagde] is de diagnose PTSS vastgesteld. Tot op heden heeft zij hiervan in haar dagelijks functioneren ernstige hinder ondervonden, te meer daar [gedaagde] tevens werd betrokken in een re-integratiegeschil met haar werkgever. Gelet op bovengenoemde situatie heeft [gedaagde] een drietal huurbetalingen in 2019 gemist, waarvan inmiddels één betaling is ingelopen. Ook zijn er betalingen aan Woonbron verricht op grond van het gelegde loonbeslag. Inmiddels is hulpverlening voor [gedaagde] op gang gekomen en heeft zij tevens bijstand in haar financiën door middel van schuldhulpverlening via de Kredietbank. Daarnaast is er uitzicht op een periodieke uitkering in verband met haar arbeidsongeschiktheid. Hierop vooruitlopend stelt [gedaagde] dat er reeds ruimte is voor een betalingsregeling. Naast de lopende huur, kan worden afgelost op de huurachterstand.

5 De beoordeling van de vordering

5.1

Met de erkenning door [gedaagde] van de door Woonbron verminderde huurachterstand berekend tot en met februari 2020 staat de hoogte en de verschuldigdheid daarvan in rechte vast. De huurachterstand berekend tot en met februari 2020 ten bedrage van € 985,31 is dan ook toewijsbaar.

5.2

Ten aanzien van de vorderingen tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde wordt als volgt overwogen. Ingevolge artikel 6:265 lid 1 Burgerlijk Wetboek geeft iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Het (tijdig) betalen van de huur is een van de essentiële verplichtingen voortvloeiende uit de huurovereenkomst.

5.3

De vraag is of de tekortkoming van [gedaagde] voldoende ernstig is om ontbinding van de huurovereenkomst te rechtvaardigen. Volgens Woonbron is sprake van herhaalde wanprestatie. [gedaagde] heeft dat niet betwist. De ontbinding en ontruiming vanwege herhaalde wanprestatie wordt in beginsel toegewezen als er sprake is van een huurachterstand van ten minste twee maanden ten tijde van de dagvaarding en de huurder minder dan een jaar voor het uitbrengen van de dagvaarding reeds tot betaling van een huurachterstand van minstens één maand is veroordeeld. Uit rechtsoverweging 5.1 volgt dat [gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van haar betalingsverplichtingen jegens Woonbron. Uit het door Woonbron, tijdens de mondelinge behandeling, overgelegde betalingsoverzicht blijkt dat de huurachterstand bij dagvaarding ten minste twee maanden bedroeg, terwijl daarnaast niet is gebleken dat op dat moment door [gedaagde] betalingen waren verricht die daarop nog hadden behoren te worden afgeboekt. Daarnaast is [gedaagde] minder dan een jaar voor het uitbrengen van de dagvaarding veroordeeld tot betaling van een huurachterstand van ten minste één maand (vaststaand feit 2.3). Gezien deze herhaalde wanbetaling is de huidige achterstand een zodanige tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst dat de vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst en een veroordeling tot ontruiming van het gehuurde in beginsel toewijsbaar is. [gedaagde] heeft geen omstandigheden gesteld die ertoe leiden dat ontbinding van de huurovereenkomst in dit geval niet gerechtvaardigd is. Dat [gedaagde] in de loop van deze procedure haar achterstand voor een gedeelte heeft ingelopen is daarvoor onvoldoende, omdat de herhaalde wanprestatie daardoor niet wordt weggenomen. Bovendien heeft [gedaagde] nog niet (volledig) voldaan aan het vonnis van 23 mei 2019 en staat daardoor de eerder in 2019 ontstane huurachterstand nog open. De gevorderde ontbinding en ontruiming van de huurovereenkomst zal dan ook worden toegewezen. De ontruimingstermijn wordt gesteld op veertien dagen na de datum van dit vonnis.

5.4

[gedaagde] heeft gesteld de vordering middels een betalingsregeling te willen voldoen. Op grond van artikel 6:29 Burgerlijk Wetboek is de kantonrechter niet bevoegd een betalingsregeling vast te stellen in het vonnis zonder instemming van Woonbron. Tijdens de mondelinge behandeling heeft Woonbron aangegeven dat nu er sprake is van meervoudige schuldenproblematiek, zij bereid is om mee te werken aan een alles omvattende schuldenregeling. De kantonrechter geeft [gedaagde] daarom in overweging zich binnen korte termijn na ontvangst van dit vonnis (nogmaals) tot de gemachtigde van Woonbron, als dan in samenspraak met de Kredietbank, te wenden, teneinde alsnog een passende betalingsregeling te trachten overeen te komen.

5.5

De rente wordt als onweersproken en als op de wet gegrond toegewezen.

5.6

Als de in het ongelijk gestelde partij wordt [gedaagde] in de proceskosten veroordeeld.

6 De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] aan Woonbron tegen kwijting te betalen € 985,31 aan achterstallige huur berekend tot en met de maand februari 2020, te vermeerderen met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over het saldo dat vanaf 1 november 2019 aan hoofdsom, exclusief kosten, telkens na elke debet- en credit mutatie, heeft uitgestaan, tot de dag der algehele voldoening;

ontbindt de bovengenoemde huurovereenkomst tussen partijen en veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagen na de uitspraak van dit vonnis het gehuurde te ontruimen met alle personen en zaken die zich vanwege [gedaagde] daar bevinden en het gehuurde onder overgave van sleutels ter beschikking van Woonbron te stellen;

veroordeelt [gedaagde] om aan Woonbron te betalen € 471,22 per maand, of zoveel hoger als bij een wettelijke verhoging zou zijn toegelaten, met ingang van de maand maart 2020 tot en met de maand waarin de ontruiming plaatsvindt, ook die laatste maand voor een gehele te rekenen;

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Woonbron vastgesteld op € 587,05 aan verschotten en € 360,00 aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het méér of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. K.J Bezuijen en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

44485