Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:3335

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
14-04-2020
Datum publicatie
14-04-2020
Zaaknummer
FT RK 20-131
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Faillietverklaring - telefonisch horen - verweer - toepassing van Tijdelijk afwijkende regeling Insolventiezaken rechtbanken vanwege de bijzondere omstandigheden door de Corona-crisis

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 1
Faillissementswet 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie

Insolventienummer: [nummer]

Uitspraak: 14 april 2020

VONNIS op het op 28 februari 2020 ingekomen verzoekschrift, met bijlage(n), van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VWE Automotive Solutions B.V.,

gevestigd te Heerhugowaard, en andere,

verzoeksters,

advocaat mr. J.A. Trimbach,

strekkende tot faillietverklaring van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[namen] B.V.,

Strickledeweg 86

3044 EK Rotterdam,

postadres: postbus 4186, 3102 GD Schiedam,

aldaar tevens handelend onder de namen: [naam] Boekhouders en Type Service All-Write,

statutair gevestigd te Schiedam,

verweerster.

1 De procedure

De rechtbank heeft met toepassing van de Tijdelijk afwijkende regeling Insolventiezaken rechtbanken vanwege de bijzondere omstandigheden door de Coronacrisis (hierna: TARIC), verzoeksters en verweerster schriftelijk geïnformeerd over de behandeling van onderhavig verzoekschrift ter zitting van 7 april 2020 onder toezending van een formulier waarop verzoeksters en verweerster hun standpunt naar voren konden brengen, met de mededeling dat dit formulier uiterlijk voor 14:00 uur op de dag voorafgaande aan de behandeling door de griffie dient te zijn ontvangen.

Op 6 april 2020 is van verzoeksters het voornoemde formulier ontvangen ter griffie van deze rechtbank. Van verweerster is het formulier met bijlagen op 6 april 2020 ontvangen.

Verzoeksters, bij monde van hun advocaat mr. J.A. Trimbach, en verweerster, vertegenwoordigd door haar bestuurder [betrokkene] , zijn op 7 april 2020 in raadkamer (telefonisch) gehoord.

De uitspraak is bepaald op heden.

2 De standpunten

Verzoeksters hebben uit hoofde van een vonnis van de rechtbank Rotterdam, kantonrechter, van 14 december 2018 opeisbaar te vorderen van verweerster een bedrag van in totaal

€ 31.625,35.

Verweerster heeft het vorderingsrecht niet betwist. Echter, verweerster betwist dat sprake is van pluraliteit nu verzoeksters als één schuldeiser moeten worden aangemerkt. Op enig moment is de dienstverlening vanuit de andere entiteit gaan lopen. Verweerster is daarvan nooit op hoogte gesteld. Desgevraagd heeft [betrokkene] verklaard dat hem op enig moment wel is gevraagd om betalingen naar een ander bankrekeningnummer over te maken. [betrokkene] heeft zich op het standpunt gesteld dat men tenminste zijn contract had moeten aanpassen.

Mr. Trimbach heeft onder verwijzing naar het vonnis van de kantonrechter van 14 december 2018 aangevoerd dat verzoeksters twee rechtspersonen zijn met allebei een eigen invorderingsrecht. Verzoeksters kunnen geen aanspraak maken op elkaars vorderingen. Het is altijd duidelijk geweest aan welke partij gelden verschuldigd waren, aldus mr. Trimbach.

3 De beoordeling

Ingevolge artikel 6 van de Faillissementswet (hierna Fw) wordt de faillietverklaring uitgesproken, indien summierlijk blijkt van het bestaan van feiten en omstandigheden die aantonen dat de schuldenaar verkeert in een toestand dat hij heeft opgehouden te betalen en, als een schuldeiser het verzoek doet, ook van het vorderingsrecht van deze. Van de hiervoor bedoelde feiten en omstandigheden blijkt in het algemeen indien sprake is van pluraliteit van schuldeisers terwijl tenminste één vordering opeisbaar is.

De rechtbank is van oordeel dat voldoende vaststaat dat sprake is van een vorderingsrecht van verzoeksters. Dit vorderingsrecht wordt door verweerster niet betwist.

Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat sprake is van pluraliteit van schuldeisers. Zij knoopt hierbij aan bij het vonnis van de kantonrechter van 14 december 2018 waarbij verweerster is veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 19.796,25 aan VWE Automotive Solutions B.V. en tot betaling van een bedrag van € 5.187,30 aan VWE Remarketing B.V. De rechtbank ziet geen aanleiding om thans vast te stellen dat sprake is van slechts één schuldeiser. De rechtbank merkt nog op dat op het moment dat verweerster werd gevraagd betalingen naar een andere bankrekening over te maken (ten name van een andere entiteit), zij had moeten dan wel kunnen begrijpen dat zij vanaf dat moment met een andere entiteit van doen had.

Gelet op het voorgaande oordeelt de rechtbank dat summierlijk is gebleken van het vorderingsrecht van verzoeksters en van het bestaan van feiten of omstandigheden die aantonen dat verweerster in de toestand verkeert dat zij heeft opgehouden te betalen.

De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 Verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie, bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van verweerster in Nederland ligt.

4 De beslissing

De rechtbank,

- verklaart de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [namen] B.V. voornoemd in staat van faillissement;

- benoemt tot rechter-commissaris mr. F. Damsteegt-Molier, lid van deze rechtbank;

- stelt aan tot curator mr. J. Smael, advocaat te Rotterdam;

- geeft last aan de curator tot het openen van brieven en telegrammen aan de gefailleerde gericht.

Dit vonnis is gewezen door mr. drs. J.C.A.T. Frima, rechter, en in aanwezigheid van

A. Vervoorn, griffier, in het openbaar uitgesproken op 14 april 2020 te 10:00 uur. 1

De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.