Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:3286

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
10-04-2020
Datum publicatie
14-04-2020
Zaaknummer
ROT 19/311
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Leges omgevingsvergunning. Na horen getuige slaagt beroep op het vertrouwensbeginsel niet. Verder de vraag of verweerder de hoogte van de bouwkosten aannemelijk maakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2020/978
FutD 2020-1331
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 19/311

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 april 2020 in de zaak tussen

[naam eiser] , te [woonplaats eiser] , eiser,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Rotterdam, verweerder,

gemachtigde: mr. B.J. Klein.

Procesverloop

Voor een weergave van het procesverloop tot 22 oktober 2019 verwijst de rechtbank naar haar tussenuitspraak van die datum.

In de tussenuitspraak heeft de rechtbank het onderzoek heropend om eiser in de gelegenheid te stellen bewijs te leveren.

Op de zitting van 20 januari 2020 is [naam getuige] als getuige gehoord, waarna ter zitting partijen hebben gereageerd en het onderzoek is gesloten.

Overwegingen

1. De rechtbank verwijst voor een weergave van de feiten en de standpunten van partijen naar de tussenuitspraak.

2. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank het onderzoek heropend om eiser in de gelegenheid te stellen bewijs te leveren van zijn stelling dat [naam getuige] , (toenmalig) bouwinspecteur van Stadsontwikkeling/Bouw- en Woningtoezicht, hem heeft meegedeeld dat het bij het bouwen van de schuur zou gaan om een verbouwing en dat daarvoor geen omgevingsvergunning nodig was. Volgens eiser mocht hij daarom ervan uitgaan dat er geen leges verschuldigd waren.

3. Eiser en zijn echtgenote hebben op de zitting van 13 september 2019 verklaard dat [naam getuige] heeft gezegd dat geen omgevingsvergunning nodig was. Getuige [naam getuige] heeft verklaard dat hij zich niet kan herinneren of hij met zoveel woorden tegen eiser of zijn echtgenote heeft gezegd dat de aanvraag vergunningsvrij was, dat er niet is gesproken over leges, dat dat niet zijn taak is en dat de afdeling waar hij werkte niet gaat over leges. Ook heeft hij verklaard dat, voor zover hij zich kan herinneren, leges niet aan de orde zijn geweest in de gesprekken met eiser en zijn echtgenote.

Er zijn dus bevestigende verklaringen van eiser, op wie de bewijslast rust, en zijn echtgenote en een ontkennende verklaring van [naam getuige] , die ook uitlegt waarom het niet voor de hand ligt dat hij heeft gezegd dat geen omgevingsvergunning nodig was. Ander bewijs is er niet. Bij die stand van zaken is de rechtbank van oordeel dat dat eiser niet is geslaagd in het leveren van het bewijs.

In dat opzicht gaat eisers beroep op het vertrouwensbeginsel niet op.

Overigens stelt verweerder onderbouwd dat het bouwwerk vergunningsplichtig was op grond van het Besluit omgevingsrecht. Eiser weerlegt dat niet.

4. Eiser stelt verder dat de gemeente in het verleden niet vergunningsplichtig was voor de bouw van de oude schuur op het perceel, waarvan de gemeente vóór eigendomsoverdracht aan eiser, eigenaar was. Die enkele, niet onderbouwde stelling is onvoldoende om te kunnen oordelen dat eiser ervan uit mocht gaan dat hij de nieuwe schuur vergunningsvrij mocht bouwen. Zo wordt niet duidelijk wanneer dit is geweest en wat toen de regelgeving was.

5. Voor zover eiser bedoelt te stellen dat verweerder hem de aanslag niet mag opleggen omdat de bevoegdheid daarvoor is verjaard, gaat die stelling niet op.

5.1.

Op grond van artikel 11, derde lid, van de hier toepasselijke Algemene Wet inzake Rijksbelastingen vervalt de bevoegdheid tot het vaststellen van de aanslag door verloop van drie jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan.

5.2.

De belastingschuld van eiser is ontstaan door het indienen van een aanvraag tot een omgevingsvergunning en die aanvraag is ingediend op 17 mei 2017. Verweerder moest de aanslag dus opleggen binnen drie jaar ná 17 mei 2017. Met het op 12 oktober 2018 opleggen van de aanslag is verweerder binnen de termijn van drie jaar gebleven. De rechtbank begrijpt dat eiser dit te laat vindt, maar op grond van de wettelijke bepalingen is dit niet te laat. Overigens ziet de rechtbank naast tijdsverloop geen feiten en/of omstandigheden om aan te nemen dat verweerder zijn recht heeft verwerkt om de aanslag aan eiser op te leggen.

6. De rechtbank komt nu toe aan beoordeling van de grondslag van de legesaanslag.

In afwijking van de door eiser opgegeven bouwkosten heeft verweerder de aanslag gebaseerd € 83.600,- aan bouwkosten. In het bestreden besluit heeft verweerder dit gehandhaafd. Op de zitting van 13 september 2019 heeft verweerder erkend dat er een fout zit in de bij het verweerschrift gevoegde berekening van de bouwkosten, die uitkwam op € 106.321,-. Hij had over het hoofd gezien dat bij de bouw van de schuur gebruik is gemaakt van de fundering van de oude schuur en dat van de bouwkosten een bedrag van € 24.677,- moet worden afgetrokken voor de (niet uitgevoerde) constructieve onderbouw. De bouwkosten beraamt verweerder uiteindelijk op € 81.644,-.

7. Omdat verweerder in beroep op lagere bouwkosten uitkomt dan in het bestreden besluit, is het beroep gegrond. Het bestreden besluit moet worden vernietigd.

De rechtbank zal beoordelen of de aanslag wel kan worden gebaseerd op bouwkosten van € 81.644,-. Het is aan verweerder om aannemelijk te maken dat deze bouwkosten niet te hoog zijn.

8. Eiser is het niet eens met de door verweerder genoemde bouwkosten en heeft ter onderbouwing daarvan een offerte van [naam bedrijf] van 15 september 2016 overgelegd die uitkomt op € 39.000,- inclusief BTW en exclusief montage à € 45,98 inclusief BTW per uur en een orderbevestiging van hetzelfde bedrijf voor € 45.000,- inclusief BTW en exclusief montage à 45,98 inclusief BTW per uur. Op de zitting van 13 september 2019 heeft eiser verklaard dat de schuur hem in totaal € 45.000,- heeft gekost.

9. Bij de beoordeling is van belang dat uit de Gemeentewet volgt dat verweerder leges mag heffen, waarbij in dit geval de Verordening leges omgevingsvergunning 2017 (de Verordening) van toepassing is.

Bij de Verordening hoort een tarieventabel waarin onder andere staat:

1.1

Maatstaf van heffing:

Maatstaf van heffing zijn de totale bouwkosten van de zaak waarop de aanvraag om een vergunning betrekking heeft.

1.1.1

De totale bouwkosten worden berekend volgens de NEN 2699 (investerings- en

exploitatiekosten van gebouwen – Begripsomschrijvingen en indelingen) zoals dit

normblad laatstelijk is gewijzigd of vervangen.

1.2

De omzetbelasting en de kosten van het verwerven van de grond maken geen deel uit van de totale bouwkosten.

1.3

Het tarief ter zake van het in behandeling nemen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen (een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, lid 1, sub a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht) dan wel het in behandeling nemen van een aanvraag om een projectuitvoeringsbesluit (een besluit als bedoeld in artikel 2.10 van de Crisis- en herstelwet) die mede deze activiteit bouwen omvat, wordt als volgt bepaald:

1.3.1

Schijf 1 - bij bouwkosten tot en met € 35.900,00 bedraagt het tarief 2,34% van de totale bouwsom met een minimum van € 95,00;

1.3.2

Schijf 2 -bij bouwkosten vanaf € 35.900,01 tot en met € 530.000,00 wordt het tarief van schijf 1 over het bij die schijf genoemde bedrag geheven vermeerderd met 2,42% van het gedeelte van de bouwkosten, die vallen in schijf 2;

1.3.3

Schijf 3 - bij bouwkosten vanaf € 530.000,01 tot en met € 1.100.000,00 wordt het tarief van de schijven 1 en 2 over de bij die schijven genoemde bedragen geheven vermeerderd met 2,42% van het gedeelte van de bouwkosten, die vallen in deze schijf;

1.3.4

schijf 4 - bij bouwkosten vanaf € 1.100.000,01 tot en met € 10.700.000,00 wordt het tarief van de schijven 1, 2 en 3 over de bij die schijven genoemde bedragen geheven vermeerderd met 2,42% van het gedeelte van de bouwkosten, die vallen in deze schijf;

1.3.5

schijf 5 - bij bouwkosten vanaf € 10.700.000,01 tot en met € 26.700.000,00 wordt het tarief van de schijven 1, 2, 3 en 4 over de bij die schijven genoemde bedragen geheven vermeerderd met 2,42% van het gedeelte van de bouwkosten, die vallen in deze schijf;

1.3.6

schijf 6 - bij bouwkosten vanaf € 26.700.000,01 wordt het tarief van de schijven 1, 2, 3, 4 en 5 over de bij die schijven genoemde bedragen geheven vermeerderd met 1,01% van het gedeelte van de bouwkosten, die vallen in deze schijf met een maximum van € 979.260,00.

In de toelichting op de Verordening staat, voor zover van belang, het volgende:

“(…) Artikelsgewijs

Artikel 1.1 Tarieventabel

Bij een aanvraag om omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit wordt de hoogte van de verschuldigde leges bepaald aan de hand van de in artikel 1.1.1 vastgelegde objectieve prijsbepalingsmethodiek. Daarbij gaat het altijd om de prijs die van toepassing is op de bedrijfsmatige realisatie van het aangevraagde bouwplan. Dit betekent dat het niet relevant is of de werkzaamheden door een aannemer of in eigen beheer worden uitgevoerd, dat niet relevant is of sprake is van een tijdelijke of een permanente bouwactiviteit, dat niet relevant is of gebruik wordt gemaakt van nieuwe of van tweedehands materialen en dat alle als bouwactiviteit te duiden objecten onder deze regeling vallen. (…).”

10. Uit het hiervoor weergegeven wettelijk kader volgt dat voor de hoogte van de leges bepalend is de prijs die aan een derde in het economisch verkeer zou moeten worden bepaald voor het tot stand brengen van het bouwwerk waarvoor de omgevingsvergunning werd verleend, althans voor zover de werkzaamheden zijn omschreven in de NEN 2699-norm.

De werkelijke bouwkosten zijn dus niet van belang. Dat de schuur volgens eiser hem € 45.000,- heeft gekost en dat hij werkzaamheden zelf heeft uitgevoerd, maakt voor de beoordeling niet uit, omdat het dus gaat om de vraag wat iemand in het economisch verkeer aan kosten zou hebben voor het tot stand brengen van het gebouw in kwestie.

Dat een heffingsambtenaar leges mag heffen over bouwkosten die zijn gebaseerd op normbedragen (en niet op de echte bouwkosten) volgt onder meer uit de uitspraak van de Hoge Raad van 10 mei 2019 (ECLI:NL:HR:2019:689). Daar ging het om de gemeente Tilburg die bij de heffing van leges uitging van normbedragen per vierkante of kubieke meter vermenigvuldigd met het aantal vierkante respectievelijk kubieke meters van het op te richten bouwwerk.

11. In dit geval moet dus worden gekeken naar de bouwtekeningen die waren gevoegd bij de aanvraag die heeft geleid tot het verlenen van de omgevingsvergunning. Dat zaken die op de bouwtekeningen staan die in werkelijkheid (om wat voor reden dan ook) niet zijn gerealiseerd is niet van belang.

12. Verweerder heeft aan de hand van de bij de omgevingsvergunning horende bouwtekeningen een berekening gemaakt van de kosten van de onderdelen van het vergunde gebouw, onderverdeeld in bouwkundige werken en installaties. De bedragen zijn berekend met het ramingsprogramma Bouwkostencheck, een online begrotingsprogramma voor het ramen van bouwkosten, speciaal ontwikkeld door IGG Bouweconomie voor gemeenten om bouwkosten te controleren.

De rechtbank vindt dit een afdoende en objectiveerbare methode om de prijs die aan een derde in het economisch verkeer zou moeten worden bepaald te berekenen.

13.1.

Eiser bestrijdt niet gemotiveerd de opsomming van de werkzaamheden en de kosten daarvan die verweerder in zijn berekening geeft. Dat de door eiser ingeschakelde aannemer deze werkzaamheden voor veel minder heeft verricht, is zoals eerder gezegd niet van belang.

13.2.

Eiser stelt dat geen dubbele isolatie is aangebracht en dat de schuur uiteindelijk heel anders is geworden. Daarmee erkent hij dus dat dubbele isolatie tot het vergunde gebouw behoorde en dat in bij de legesberekening moet worden betrokken. Dat eiser van het aanbrengen van dubbele isolatie heeft afgezien en het gebouw anders heeft laten bouwen dan op tekening was voorzien is zijn eigen keuze, maar dit maakt niet dat dit bij de legesberekening buiten beschouwing moet worden gelaten.

14. De conclusie is dat verweerder aannemelijk maakt dat bouwkosten van uiteindelijk € 81.644,- niet te hoog zijn. Dit betekent dat in het bestreden besluit is uitgegaan van

(€ 83.600,- -/- € 81.644,- =) € 1.956,- teveel aan bouwkosten.

De rechtbank zal de aanslag hiermee verlagen en baseren op de bouwkosten van € 81.644,-.

De aanslag leges omgevingsvergunning moet worden verminderd met (€ 1.956,- × 2,42% =) € 47,34. De aanslag komt daarmee op (€ 1.994,40 -/- € 47,34 =) € 1.947,06.

Dat eiser ervaren heeft dat de behandeling van de aanvraag van de omgevingsvergunning (te) lang heeft geduurd, dat verweerder (te) vaak om aanvullende stukken heeft gevraagd en dat verweerder niet eenduidig heeft gecommuniceerd waardoor eiser vaak niet wist waar hij aan toe was, is voorstelbaar maar dat leidt niet tot een ander oordeel. Als iemand een aanvraag voor een omgevingsvergunning indient, is hij al op dat moment leges verschuldigd.

15. Het beroep is gegrond. Daarom moet verweerder het door eiser betaalde griffierecht vergoeden.

16. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken. Eiser heeft in zijn brief van 16 februari 2019 aangevoerd dat hij € 27,59 kopieerkosten heeft gemaakt en twee keer € 38,- aan inkt van zijn printer, maar dit zijn kosten die op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht niet voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    stelt de aanslag vast op € 1.947,06;

- bepaalt dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht van € 47,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Bouter, rechter, in aanwezigheid van

mr. M. Noordegraaf, griffier. De uitspraak is gedaan op 10 april 2020.

Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

De griffier is buiten staat De rechter is verhinderd te tekenen

griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer).