Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:3240

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
09-04-2020
Datum publicatie
10-04-2020
Zaaknummer
C/10/568953 / FA RK 19-1739
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Echtscheiding met nevenvoorzieningen en verhuisverzoek binnen Nederland. Het verzoek van de vrouw om vervangende toestemming voor verhuizing wordt afgewezen. De vrouw heeft de noodzaak voor en een goede voorbereiding van een verhuizing met de minderjarigen niet aangetoond en de belangen van de man en van de minderjarigen bij afwijzing van het verzoek wegen dan ook zwaarder dan die van de vrouw bij verhuizing. In het kader van de zorgregeling stelt de raad voor de kinderbescherming birdnesting voor. Partijen hebben ermee ingestemd om hieraan mee te werken, zolang de vrouw geen zelfstandige woonruimte heeft of niet voor onbepaalde tijd in de echtelijke woning kan verblijven. De rechtbank neemt de afspraak tussen partijen op in de beschikking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EB 2020/59
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie

zaaknummer / rekestnummer: C/10/568953 / FA RK 19-1739

Beschikking van 9 april 2020 betreffende de echtscheiding

in de zaak van:

[naam vrouw] , de vrouw,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat mr. A.H.A. Beijersbergen van Henegouwen te Utrecht,

t e g e n

[naam man] , de man,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat mr. A.T. Bol te Rotterdam.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 27 februari 2019;

  • -

    het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek, ingekomen op 13 mei 2019;

  • -

    het verweerschrift op het zelfstandig verzoek tevens aanvullend verzoek, ingekomen op 2 juli 2019;

  • -

    de brief van de zijde van de vrouw van 10 juli 2019;

  • -

    de brief met bijlagen van de zijde van de man van 16 september 2019;

  • -

    de brief van de zijde van de vrouw van 20 september 2019;

  • -

    de brief met bijlagen van de zijde van de man van 31 januari 2020.

1.2.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 10 februari 2020. Daarbij zijn verschenen:

  • -

    de vrouw met haar advocaat mr. Beijersbergen van Henegouwen;

  • -

    de man met zijn advocaat mr. Bol en

  • -

    de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), vertegenwoordigd door [naam] .

2. De beoordeling

2.1.

Partijen zijn met elkaar gehuwd te Stichtse Vecht op [datum] .

2.2.

De minderjarige kinderen van partijen zijn:

[naam minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum minderjarige 1] 2014 te [geboorteplaats] , en

[naam minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum minderjarige 2] 2017 te [geboorteplaats] .

2.3.

Partijen hebben de Nederlandse nationaliteit.

2.4.

Echtscheiding

2.4.1.

De vrouw verzoekt de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. Zij stelt dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.

2.4.2.

De man erkent dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. Hij verzoekt eveneens de echtscheiding tussen partijen uit te spreken.

2.4.3.

Het verzoek tot echtscheiding wordt als op de wet gegrond toegewezen.

2.5.

Verblijfplaats, vervangende toestemming verhuizing

2.5.1.

De vrouw verzoekt:

  • -

    te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij haar zal zijn;

  • -

    voor zover de man geen toestemming geeft, vervangende toestemming te verlenen om met de minderjarigen naar Utrecht te verhuizen, zodra zij daar eigen woonruimte heeft gevonden.

2.5.2.

De man voert gemotiveerd verweer en hij verzoekt te bepalen - voor zover de vrouw zich buiten (de omgeving van) Rotterdam zal vestigen - dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij hem zal zijn.

2.5.3.

Vaststaat dat de minderjarigen met de man in de voormalige echtelijke woning te Rotterdam wonen. De vrouw verblijft bij haar ouders in Utrecht. De minderjarigen zijn ieder weekend bij de vrouw in Utrecht. Gelet op de voorliggende verzoeken zal de rechtbank eerst het verzoek van de vrouw om vervangende toestemming voor verhuizing met de minderjarigen naar Utrecht beoordelen.

2.5.4.

Op grond van artikel 1:253a BW kunnen in geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag geschillen hieromtrent op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

Bij de beantwoording van de vraag of een ouder toestemming moet krijgen om met de minderjarigen te verhuizen, staan de belangen van de minderjarigen weliswaar voorop, maar naar vaste rechtspraak moet de rechter bij de beslissing in een geschil als het onderhavige alle omstandigheden van het geval in acht nemen en alle betrokken belangen afwegen.

2.5.5.

Als uitgangspunt geldt dat een ouder in beginsel de gelegenheid moet krijgen om (met de minderjarige(n)) elders een (gezins)leven en een toekomst op te bouwen. Daar tegenover staan andere belangen waarbij te denken valt aan (niet uitputtend opgesomd):

  • -

    de noodzaak om te verhuizen;

  • -

    een goede voorbereiding van de verhuizing;

  • -

    het aanbieden van alternatieven of compensatie voor de verminderingen van de contactmogelijkheden met de andere ouder;

  • -

    de extra kosten van contact na de verhuizing;

  • -

    de bestendigheid van de nieuwe relatie van de verhuizende ouder;

  • -

    de mate waarin ouders nog in staat zijn tot overleg.

2.5.6.

De rechtbank is van oordeel dat de vrouw de noodzaak voor en een goede voorbereiding van een verhuizing met de minderjarigen naar Utrecht niet heeft aangetoond. Het is enkel gebleven bij een uiting van de wens van de vrouw om in Utrecht te wonen. De omstandigheid dat de vrouw op dit moment in Utrecht bij haar ouders verblijft, maakt dat niet anders, omdat dit een tijdelijke oplossing is. De vrouw is weliswaar gaan informeren bij een school in Utrecht, maar dat is een school in de buurt van haar tijdelijke adres. Uit niets blijkt dat de vrouw zich daar permanent wil vestigen, mede gelet op haar toelichting tijdens de mondelinge behandeling dat zij ook in Rotterdam zoekt naar een woning en werk.

2.5.7.

Gelet op het voorgaande weegt het belang van de vrouw bij een verhuizing naar Utrecht minder zwaar dan de belangen van de man en van de minderjarigen. De minderjarigen zijn gebaat bij continuering van hun school, sportactiviteiten en sociale omgeving met hun vriendjes en vriendinnetjes in Rotterdam. Het belang van de man is continuering van een substantieel aandeel van hem in de verzorging en opvoeding van de minderjarigen. Het verzoek van de vrouw om vervangende toestemming te verlenen voor verhuizing met de minderjarigen naar Utrecht zal dan ook worden afgewezen.

2.5.8.

Tijdens de mondelinge behandeling blijkt dat de man ermee instemt dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij de vrouw wordt bepaald, als de minderjarigen in Rotterdam blijven wonen. Gelet hierop en gelet op de afwijzing van het verzoek van de vrouw om haar vervangende toestemming te verlenen voor verhuizing met de minderjarigen, zal de rechtbank het verzoek van de vrouw ten aanzien van de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen als niet weersproken en op de wet gegrond toewijzen. Niet is gebleken dat het belang van de minderjarigen zich hiertegen verzet.

2.6.

Zorgregeling

2.6.1.

Partijen verzoeken een regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) vast te stellen.

2.6.2.

Gezien de huidige woonsituatie van partijen is met hen tijdens de mondelinge behandeling besproken op welke wijze uitvoering kan worden gegeven aan de zorgregeling. De raad heeft voorgesteld dat de minderjarigen tijdelijk de ene week met de man en de andere week met de vrouw in de voormalige echtelijke woning zullen verblijven (birdnesting), zolang de vrouw geen zelfstandige woonruimte in (de omgeving van) Rotterdam heeft. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen ermee ingestemd om hun medewerking te verlenen aan birdnesting, zolang de vrouw geen zelfstandige woonruimte in (de omgeving van) Rotterdam heeft of niet voor onbepaalde tijd in de voormalige echtelijke woning kan verblijven. Daarbij hebben partijen verder afgesproken dat, zodra de vrouw zelfstandige woonruimte in (de omgeving van) Rotterdam heeft of voor onbepaalde tijd in de voormalige echtelijke woning kan verblijven, zij de zorgregeling in onderling overleg zullen bepalen. De rechtbank zal in lijn met het vorenstaande beslissen.

2.7.

Onderhoudsbijdragen

2.7.1.

De vrouw verzoekt een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen (hierna ook: kinderbijdrage) van € 650,- per maand per kind en een door de man te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud (hierna ook: partnerbijdrage) van € 1.500,- per maand vast te stellen.

2.7.2.

De man voert gemotiveerd verweer.

2.7.3.

De rechtbank overweegt eerst als volgt. De vrouw verzoekt de man te bevelen de benodigde inzage te verschaffen in de financiële stukken om de behoefte van de minderjarigen en partijen te kunnen bepalen alsmede de draagkracht van de man.

Partijen hadden met elkaar een vennootschap onder firma (vof). De vof is op 17 december 2019 en de man is op 14 januari 2020 in staat van faillissement verklaard. Vanwege de faillissementen zijn de financiële stukken onder de curator en beschikt de man niet over die stukken. De vrouw kan zich als voormalig vennoot wenden tot de curator. Op grond van het vorenstaande wordt het verzoek van de vrouw afgewezen.

Kinderbijdrage

2.7.4.

Tussen partijen is in geschil de behoefte van de minderjarigen en de draagkracht van partijen. Onbetwist is dat de vrouw geen inkomsten heeft en de man wel, maar deze zijn beperkt in omvang en in duur. Ook is onbetwist dat de man de lasten van de voormalige echtelijke woning betaalt. Gelet op het faillissement van de vof, het persoonlijke faillissement van de man, het verwachte beslag en de aanzienlijke schulden, heeft de man nu geen draagkracht voor betaling van enige kinderbijdrage.

2.7.5.

Voor de situatie dat de vrouw in de toekomst zelfstandige woonruimte heeft, kan de rechtbank nu niet beslissen, gelet op de (financiële) onzekerheden en ontwikkelingen in het kader van de afwikkeling van de faillissementen.

2.7.6.

Op grond van het vorenstaande wordt het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een kinderbijdrage afgewezen.

Partnerbijdrage

2.7.7.

De man betwist de behoefte en behoeftigheid van de vrouw. Omdat de vrouw onvoldoende heeft gesteld om haar behoefte en behoeftigheid te kunnen bepalen, wordt haar verzoek tot vaststelling van een partnerbijdrage afgewezen.

2.8.

Ingetrokken verzoeken

2.8.1.

De vrouw heeft de verzoeken ten aanzien van het voortgezet gebruik van de echtelijke woning, de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap en de peildatum ingetrokken. De rechtbank zal die verzoeken afwijzen.

2.9.

Proceskosten

2.9.1.

Gelet op de aard van de procedure zal de rechtbank bepalen dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

3. De beslissing

De rechtbank:

3.1.

spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, gehuwd op [datum] te Stichtse Vecht;

3.2.

wijst af het verzoek van de vrouw om haar vervangende toestemming te verlenen voor verhuizing met de minderjarigen naar Utrecht;

3.3.

bepaalt dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij de vrouw zal zijn;

3.4.

neemt op de afspraak tussen partijen ten aanzien van de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, inhoudende dat:

  • -

    de minderjarigen de ene week met de man en de andere week met de vrouw in de voormalige echtelijke woning verblijven, zolang de vrouw geen zelfstandige woonruimte in (de omgeving van) Rotterdam heeft of niet voor onbepaalde tijd in de voormalige echtelijke woning kan verblijven;

  • -

    zodra de vrouw zelfstandige woonruimte in (de omgeving van) Rotterdam heeft of voor onbepaalde tijd in de voormalige echtelijke woning kan verblijven, bepalen partijen de zorgregeling in onderling overleg;

3.5.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad, behalve ten aanzien van de echtscheiding;

3.6.

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

3.7.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. L.M. Coenraad, voorzitter, tevens kinderrechter,
mr. B.E. Dijkers en mr. E. Huls, rechters, tevens kinderrechters, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.A.J. Ysebaert op 9 april 2020.

Tegen deze uitspraak kan binnen drie maanden na de dag van deze uitspraak door partijen hoger beroep worden ingesteld door indiening van een beroepschrift bij het gerechtshof Den Haag. Een in eerste aanleg niet verschenen partij kan hoger beroep instellen binnen drie maanden na de betekening van deze uitspraak aan hem/haar in persoon dan wel binnen drie maanden nadat zij op andere wijze is betekend en openlijk bekend gemaakt.