Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:3223

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
03-04-2020
Datum publicatie
14-04-2020
Zaaknummer
C/10/590261 / JE RK 20-238
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

OTS-verlenging, afwijzing muhp, telefonisch horen i.v.m. Covid-19.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd

zaakgegevens: C/10/590261 / JE RK 20-238

datum uitspraak: 3 april 2020

verlenging ondertoezichtstelling

in de zaak van

de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming West, regio Zuid-Holland Zuid,hierna te noemen de GI, gevestigd te Dordrecht,

betreffende

[naam minderjarige] , geboren op [geboortedatum minderjarige] 2002 te [geboorteplaats minderjarige] , hierna te noemen [voornaam minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[naam moeder] , hierna te noemen de moeder, wonende te [woonplaats moeder] ,

[naam vader] , hierna te noemen de vader, wonende te [woonplaats vader] .

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 23 januari 2020, ingekomen bij de griffie op 27 januari 2020.

De mondelinge behandeling van deze zaak ter zitting met gesloten deuren stond gepland op

3 april 2020. Vanwege het beleid van de Raad voor de rechtspraak om verspreiding van het COVID-19 virus tegen te gaan, zoals dat sinds 16 maart 2020 op www.rechtspraak.nl is gepubliceerd, heeft er geen fysieke zitting plaatsgevonden. Gelet hierop heeft de kinderrechter op 3 april 2020 de volgende personen telefonisch gehoord:

- [voornaam minderjarige] , die als eerste afzonderlijk is gehoord;

- de moeder;

- de vader;

- een vertegenwoordigster van de GI, mw. [naam vertegenwoordigster] .

De kinderrechter is van oordeel dat deze manier van horen - gelet op de huidige uitzonderlijke omstandigheden - in deze zaak voldoende is om tot een goed oordeel te kunnen komen en een beslissing te kunnen nemen, zonder verdere mondelinge behandeling.

De feiten

Het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige] wordt uitgeoefend door de ouders.

[voornaam minderjarige] verblijft bij een vriendin [naam vriendin] en haar moeder [naam moeder vriendin] .

Bij beschikking van 12 april 2019 is [voornaam minderjarige] onder toezicht gesteld tot 12 april 2020.

De kinderrechter heeft bij beschikking van 9 oktober 2019 de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd tot 12 april 2020. Aangezien hier geen gebruik van is gemaakt, is deze machtiging na drie maanden verlopen.

De verzoeken en het standpunt van de GI

De GI heeft verzocht de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] tot de datum van zijn meerderjarigheid, te weten tot 29 september 2020. Tevens wordt een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verzocht tot 29 september 2020.

De GI heeft ter zitting de verzoeken gehandhaafd en als volgt toegelicht. De belangrijkste reden hiervoor is dat de GI de hulp die is ingezet vanuit Kenter wil continueren. Het inzetten van hulp heeft de GI veel moeite gekost, mede doordat [voornaam minderjarige] de jeugdbeschermer veel buiten spel heeft gezet. Na de zitting in oktober 2019 heeft de GI toestemming gekregen van de ouders om [voornaam minderjarige] aan te melden bij Kenter Jeugdhulp. Er is begonnen met diagnostiek, systeemtherapie en ambulante begeleiding voor dagbesteding. De GI merkt dat [voornaam minderjarige] alleen gemotiveerd is voor de dingen die hij zelf wil. Kenter heeft in het begin laten weten dat [voornaam minderjarige] niet aan alles wilde meewerken en dat [voornaam minderjarige] aangaf geen ondersteuning nodig te hebben. De medewerking die [voornaam minderjarige] nu geeft, geschiedt alleen onder zijn eigen voorwaarden. De GI vraagt zich daarom af hoe het hulpverleningstraject verder zou verlopen zonder druk van de ondertoezichtstelling. De GI acht een ondertoezichtstelling langer noodzakelijk om zicht te houden op zijn dagbesteding en thuissituatie. Zonder deze maatregel zou [voornaam minderjarige] de hulp afhouden, wat negatieve gevolgen kan hebben voor zijn veiligheid en verdere ontwikkeling. Omdat de zorgen nog niet zijn afgenomen, vraagt de GI ook een machtiging tot uithuisplaatsing. De GI hoop dat er vanuit Kenter meer zicht wordt verkregen op de thuissituatie van [voornaam minderjarige] . De GI is van mening dat zijn verblijf bij zijn vriendin geen goede plek voor hem is, omdat hij daar te weinig tegengeluid krijgt te horen en geen sturing krijgt. Kenter zal bezien of een uithuisplaatsing nodig is voor zijn verdere ontwikkeling.

Het standpunt van belanghebbenden

De moeder heeft ter zitting ingestemd met de verzoeken van de GI. Hoewel [voornaam minderjarige] heeft aangegeven veel zelf te hebben geregeld, heeft hij daarbij veel hulp gehad van de GI. De GI heeft ervoor gezorgd dat hij vorig jaar zijn school kon afmaken. [voornaam minderjarige] is heel slim en weet precies wie wat wil horen. Zo zegt hij dat hij bezig is met het herstellen van het contact met de moeder, maar hij zoekt alleen contact met de moeder via de e-mail wanneer hij geld nodig heeft. Dat is niet veranderd ten opzichte van de vorige zitting in oktober 2019. De moeder vindt de door de GI verzochte maatregelen nodig als stok achter de deur, om [voornaam minderjarige] ertoe aan te zetten mee te werken met de hulpverlening van Kenter.


De vader heeft ter zitting eveneens ingestemd met de verzoeken van de GI. Als er geen zicht meer is op [voornaam minderjarige] , zal het volledig mis gaan met hem, omdat hij dan zal doen wat hij zelf wil. [voornaam minderjarige] zegt tegen iedereen dat hij meewerkt, maar uiteindelijk gaat hij toch zijn eigen weg. Volgens de vader heeft [voornaam minderjarige] slechts dingen geregeld onder zware druk van de GI.

De beoordeling

Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat [voornaam minderjarige] ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. [voornaam minderjarige] kampt met een kindeigen problematiek, een negatief zelfbeeld en emotie regulatie problemen. Deze problematiek wordt versterkt door de verstoorde opvoedsituatie, waarbij de ouders een afwachtende houding laten zien. Dit terwijl [voornaam minderjarige] door zijn problematiek behoefte heeft aan verbondenheid. Na de scheiding van de ouders is het hen tot op heden niet gelukt om tot een samenwerking te komen die het meest tegemoet komt aan het belang van [voornaam minderjarige] . Het tekort aan emotionele betrokkenheid lijkt [voornaam minderjarige] nu te zoeken in zijn huidige woonplek bij zijn vriendin en haar moeder.


In april 2019 is de ondertoezichtstelling uitgesproken, omdat het niet is gelukt om de noodzakelijke hulpverlening in vrijwillig kader op gang te brengen. Ook gedurende de ondertoezichtstelling probeert [voornaam minderjarige] de jeugdbeschermer buiten beeld te houden. In oktober 2019 is [voornaam minderjarige] aangemeld bij Kenter, waar hij nu in therapie is. Hoewel [voornaam minderjarige] heeft aangegeven dat hij de hulp van Kenter zelf wil en hiervoor gemotiveerd is, is hij ook van mening dat hij nergens ondersteuning bij nodig heeft. [voornaam minderjarige] wil alles zelf regelen, waardoor het nu de vraag is of hij bij Kenter de hulp krijgt die hij daadwerkelijk nodig heeft. Gebleken is dat [voornaam minderjarige] externe druk nodig heeft om daadwerkelijk dingen op te pakken, waaronder het vinden van school/stage en werk. De kinderrechter is dan ook van oordeel dat de betrokkenheid van een jeugdbeschermer, in het kader van een ondertoezichtstelling, nog steeds noodzakelijk is om de hulp vanuit Kenter te continueren en te voorkomen dat [voornaam minderjarige] uit het zicht raakt. De GI dient tevens zicht te houden op de opvoedomgeving van [voornaam minderjarige] , ter waarborging van zijn eigen veiligheid, en op de verbetering van het contact tussen [voornaam minderjarige] en zijn ouders. Zowel van [voornaam minderjarige] als van de ouders zal hiervoor de nodige inzet zijn vereist, waarbij van de ouders een meer positieve en open houding mag worden verwacht en van [voornaam minderjarige] dat hij zijn ouders niet enkel als een financiƫle basis of bron ziet, maar ook van zijn kant zijn best doet om een emotionele en vertrouwensband op te bouwen. Een goede band tussen de ouders en [voornaam minderjarige] is ook van belang als [voornaam minderjarige] meerderjarig is geworden.

Uit het voorgaande volgt dat is voldaan aan het wettelijke criterium genoemd in artikel 1:255 Burgerlijk Wetboek (BW). De kinderrechter zal daarom de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] verlengen voor de duur van een jaar.

Als het gaat om een machtiging uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder overweegt de kinderrechter dat het verzoek hiertoe niet concreet is onderbouwd. De kinderrechter concludeert dat dan ook niet is voldaan aan de vereisten genoemd in artikel 1:265b, eerste lid, BW en wijst het verzoek af.

Er is op dit moment geen concreet zicht op een plaatsing van [voornaam minderjarige] in een dergelijke accommodatie, omdat niet duidelijk is of de noodzaak hiervoor bestaat. Kenter verricht op dit moment onderzoek en zal op basis daarvan bezien welke hulp en eventuele behandeling voor [voornaam minderjarige] noodzakelijk is. Mocht in de nabije toekomst hieruit komen dat een plaatsing van [voornaam minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder aangewezen is, dan kan de GI opnieuw een verzoek indienen. Hierbij zal ook acht moeten worden geslagen op de tijd die nog resteert tot [voornaam minderjarige] de achttienjarige leeftijd heeft bereikt en - eventueel - of de noodzakelijk geachte behandeling ook tot na zijn 18e kan worden voortgezet.

De beslissing

De kinderrechter:

verlengt de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] tot 29 september 2020;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het anders of meer verzochte.

Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 3 april 2020 door mr. A. Verweij, kinderrechter, in tegenwoordigheid van E.M.P. van de Kamp als griffier.

De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 10 april 2020.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Den Haag.