Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:3209

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
26-03-2020
Datum publicatie
14-04-2020
Zaaknummer
8327185 CV EXPL 20-579
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Huurachterstand. Structurele wanprestatie rechtvaardigd ontbinding en ontruiming. Vordering toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8327185 / CV EXPL 20-579

uitspraak: 26 maart 2020

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Dordrecht,

in de zaak van:

de stichting

Stichting Woonbron,

gevestigd te Dordrecht,

eisende partij,

gemachtigde: Th. J. Wouters Gerechtsdeurwaarder en Incasso’s te Dordrecht,

tegen:

1. [gedaagde 1] ,

wonende te [woonplaats gedaagde 1] ,

zelf procederend,

en

2. [gedaagde 2] ,

wonende te [woonplaats gedaagde 2] , gemeente [gemeente] ,

die niet heeft gereageerd,

gedaagden.

Verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  1. de dagvaarding van 12 februari 2020;

  2. de mondelinge conclusie van antwoord van de zijde van gedaagde [gedaagde 1] van 20 februari 2020;

  3. het tussenvonnis van 20 februari 2020 waarin de mondelinge behandeling van de zaak is bepaald;

  4. de aantekening dat de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 11 maart 2020;

  5. de overgelegde producties.

Omschrijving van het geschil

1. De feiten

1.1.

Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende weersproken, alsmede op grond van de inhoud van de overgelegde producties, voor zover niet betwist, staat het volgende tussen partijen vast.

1.2.

Gedaagden huren van eiseres de woning aan het adres [adres] te Dordrecht tegen een huurprijs van laatstelijk € 576,37 per maand, welk bedrag bij vooruitbetaling dient te worden voldaan. In de betaling van de huurpenningen is een achterstand ontstaan.

1.3.

Eiseres heeft gedaagden gemaand tot voldoening van een betalingsachterstand.

2. De vordering

2.1.

Bij inleidende dagvaarding vordert eiseres dat gedaagden hoofdelijk bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, zullen worden veroordeeld tot betaling van € 1.899,78, vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van € 1.729,11 vanaf 12 februari 2020 tot de dag der algehele voldoening. Daarnaast vordert eiseres ontbinding van de huurovereenkomst, ontruiming van het gehuurde en huur/schadevergoeding, met veroordeling van gedaagden in de proceskosten.

2.2.

Eiseres legt aan haar vordering ten grondslag dat gedaagden een huurachterstand hebben laten ontstaan en aldus tekort zijn geschoten in de nakoming van hun verplichtingen uit de huurovereenkomst. Naast de tot en met de maand februari 2020 berekende huurachterstand van € 1.729,11 vordert eiseres aan buitengerechtelijke incassokosten een bedrag van € 209,22 inclusief BTW en een bedrag van € 11,45 aan wettelijke rente, verminderd met een bedrag van € 50,00 aan betalingen door gedaagden. Eiseres stelt dat de tekortkoming van gedaagden ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde rechtvaardigt. Eiseres vordert daarbij tevens het overeengekomen huurbedrag per maand als huur/schadevergoeding vanaf 1 maart 2020 tot aan de dag van de ontruiming.

3. Het verweer

3.1.

Gedaagde [gedaagde 1] erkent een achterstand in de huurbetalingen te hebben laten ontstaan, maar met een beroep op haar persoonlijke omstandigheden maakt zij bezwaar tegen de medegevorderde ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde. Gedaagde [gedaagde 2] heeft geen verweer gevoerd.

Beoordeling van het geschil

4. De kantonrechter heeft een mondelinge behandeling bepaald om te bezien of een betalingsregeling tussen partijen tot de mogelijkheden behoort en om zo nodig partijen vragen te stellen. Omdat tussen partijen geen regeling tot stand is gekomen, alleen gedaagde [gedaagde 1] is verschenen, zal de kantonrechter vonnis wijzen.

5. Tijdens de mondelinge behandeling heeft gedaagde [gedaagde 1] verklaard dat de relatie tussen haar en gedaagde [gedaagde 2] is geëindigd en gedaagde [gedaagde 2] elders woonachtig is. Eiseres heeft daarop verklaard dat van gedaagde [gedaagde 2] geen huuropzegging is ontvangen, zodat zij haar vordering ten aanzien van beide gedaagden handhaaft.

Gedaagde [gedaagde 1] heeft de tot en met de maand februari 2020 berekende huurachterstand ad € 1.729,11 erkend. Nu gedaagde [gedaagde 2] de juistheid van dit bedrag niet heeft betwist, zal de gevorderde huurachterstand worden toegewezen.

6. De gevorderde wettelijke rente zal als niet weersproken eveneens worden toegewezen zoals opgenomen in het dictum.

7. Eiseres maakt tevens aanspraak op een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Voldoende gebleken is dat voldaan is aan de wettelijke vereisten, zodat ook het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen.

8. De vordering zal derhalve worden toegewezen voor een totaalbedrag van € 1.899,78 bestaande uit achterstallige huurpenningen ad € 1.729,11, buitengerechtelijke kosten ad € 209,22 en wettelijke rente ad € 11,45, verminderd met een bedrag van € 50,00 aan betalingen door gedaagden.

9. De huurachterstand bedraagt meer dan drie maanden. Deze tekortkoming rechtvaardigt in beginsel de gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst. Uit artikel 6:265 lid 1 BW volgt immers dat iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van zijn verbintenissen, aan de wederpartij de bevoegdheid geeft om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te (doen) ontbinden, tenzij de tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Het is aan de tekortschietende partij om zich voldoende gemotiveerd op deze uitzondering te beroepen. Bij de beoordeling of ontbinding naar de aard en betekenis van de tekortkoming gerechtvaardigd is, dient rekening gehouden te worden met alle omstandigheden van het geval. Hieronder worden ook omstandigheden gerekend die na de gestelde tekortkoming hebben plaatsgevonden (HR 22 augustus 1992, NJ 1992, 715, ECLI:NL:HR:1992:ZC0673). Van de zijde van gedaagden zijn geen feiten en omstandigheden aangevoerd op basis waarvan kan worden geoordeeld dat een dergelijke uitzonderingssituatie zich hier voordoet. Aangezien gedaagden de afgelopen zes maanden slechts drie keer de maandelijkse huurpenningen hebben betaald, is de kantonrechter van oordeel dat sprake is van een structurele wanprestatie van de zijde van gedaagden. Hieruit volgt dat ontbinding van de huurovereenkomst gerechtvaardigd is. De vordering tot ontbinding en ontruiming zal om die reden worden toegewezen. De gevorderde huur/schadevergoeding is toewijsbaar vanaf 1 maart 2020. De termijn voor ontruiming zal in redelijkheid worden gesteld op 14 dagen na de betekening van het vonnis.

10. Gedaagden zullen op de voet van artikel 237 Rv in de kosten van de procedure worden veroordeeld, zij het op de wijze als hierna vermeld, nu gedaagde [gedaagde 1] in tegenstelling tot gedaagde [gedaagde 2] verweer heeft gevoerd.

Beslissing

De kantonrechter :

ontbindt de huurovereenkomst tussen partijen ten aanzien van de woning gelegen aan het adres [adres] te Dordrecht en veroordeelt gedaagden om binnen 14 dagen na de betekening van dit vonnis het gehuurde te ontruimen met alle personen en zaken die zich vanwege huurders daar bevinden en het gehuurde onder overgave van de sleutels ter beschikking van verhuurder te stellen;

veroordeelt gedaagden, hoofdelijk des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, om aan eiseres te betalen een bedrag van € 1.899,78 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 februari 2020 over het bedrag dat aan hoofdsom, exclusief kosten, telkens na elke credit- en debetmutatie heeft uitgestaan tot de dag der algehele voldoening;

veroordeelt gedaagden, hoofdelijk des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, om aan eiseres te betalen € 576,37 per maand of gedeelte daarvan, met ingang van de maand maart 2020 tot en met de maand waarin de ontruiming plaatsvindt;

veroordeelt gedaagden in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van eiseres vastgesteld op € 499,00 aan griffierecht, € 105,03 aan dagvaardingskosten en € 360,00 aan salaris voor de gemachtigde van eiseres, in die zin dat:

gedaagden hoofdelijk, des dat de een betalend de ander zal zijn bevrijd, worden veroordeeld tot betaling van het griffierecht ad € 499,00, € 105,03 aan dagvaardingskosten en € 180,00 aan gemachtigdensalaris;

gedaagde [gedaagde 1] daarenboven wordt veroordeeld tot betaling van € 180,00 aan salaris voor de gemachtigde van eiseres;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr.ir. A.J.E. Cartigny, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

44221