Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:3196

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
03-04-2020
Datum publicatie
14-04-2020
Zaaknummer
7556993 / CV EXPL 19-8970
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

huur woonruimte, huurachterstand, huurverhogingen, eindafrekening energie, artikel 7:260 lid 1 BW, Warmtewet

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 7556993 / CV EXPL 19-8970

uitspraak: 3 april 2020

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

de besloten vennootschap

Jeeko B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

oorspronkelijk eiseres,

gedaagde in verzet,

gemachtigde: mr. E.C.Y. Cheung te Rotterdam,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats gedaagde] ,

oorspronkelijk gedaagde,

eiser in verzet,

gemachtigde: mr. R. Scheltes te Rotterdam.

Partijen worden hierna aangeduid als ‘Jeeko’ en ‘ [gedaagde] ’.

1. Het verdere verloop van de procedure

1.1

Het verdere verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen:

  • -

    het tussenvonnis van 20 december 2019 waarbij een voortzetting van de comparitie van partijen is gelast;

  • -

    het proces-verbaal van de op 9 januari 2020 gehouden voortzetting van de comparitie van partijen.

1.2

De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis nader bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

De kantonrechter gaat uit van de volgende vaststaande feiten.

2.1

[gedaagde] huurt van Jeeko de woning aan de [adres] te Rotterdam (hierna: het gehuurde). [gedaagde] huurde het gehuurde aanvankelijk van het Gemeentelijk Woningbedrijf Rotterdam, maar sinds februari 2011 huurt [gedaagde] het gehuurde van Jeeko.

2.2

Bij onder zaaknummer 7278153 \ CV EXPL 18-44320 gewezen verstekvonnis van 6 november 2018 werd [gedaagde] overeenkomstig de eis van Jeeko veroordeeld tot betaling aan Jeeko van € 1.025,23 aan achterstallige huur berekend tot en met de maand oktober 2018, nota ‘18130’, rente en vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 915,71 vanaf 5 oktober 2018 en met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

3. Het geschil

3.1

Jeeko heeft bij oorspronkelijke dagvaarding gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen aan haar te betalen € 915,71 aan hoofdsom, te vermeerderen met € 6,87 aan verschenen rente berekend tot 5 oktober 2018 en de wettelijke rente vanaf 5 oktober 2018, € 420,72 aan gebruikersvergoeding voor iedere maand na oktober 2018 en € 166,21 aan vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten, een en ander met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente, en de nakosten.

3.2

Aan haar vordering heeft Jeeko - naast de vaststaande feiten en voor zover thans van belang - het volgende ten grondslag gelegd. [gedaagde] heeft de huurverhogingen van de maand december 2017 en juli 2018 onbetaald gelaten, terwijl [gedaagde] geen bezwaar heeft gemaakt tegen deze huurverhogingen. [gedaagde] heeft de eindafrekening energie 2017 ten bedrage van € 370,00 ook niet betaald. [gedaagde] is dan ook een bedrag van € 915,71 berekend tot en met de maand oktober 2018 aan Jeeko verschuldigd. Aangezien [gedaagde] de vordering van Jeeko ook na aanmaning onbetaald heeft gelaten, is [gedaagde] verder een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd.

3.3

[gedaagde] heeft gevorderd hem te ontheffen van de bij voormeld verstekvonnis tegen hem uitgesproken veroordeling, dat verstekvonnis te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de vordering van Jeeko af te wijzen, met veroordeling van Jeeko in de proceskosten.

3.4

Daartoe heeft [gedaagde] - naast de vaststaande feiten en voor zover thans van belang - het volgende aangevoerd. [gedaagde] is niet akkoord gegaan met de huurverhogingen van december 2017 en juli 2018, zodat geen sprake is van enige huurachterstand. Daarnaast betwist [gedaagde] de hoogte van de door Jeeko gevorderde eindafrekening energie 2017 ten bedrage van € 370,00. [gedaagde] maakt geen gebruik van de centrale verwarming van het pand en verwarmt het gehuurde zelf met elektrische kachels. Daarnaast heeft [gedaagde] een eigen abonnement voor de afname van elektriciteit. De gevorderde wettelijke rente en vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten moeten - gelet op het voorgaande - ook worden afgewezen.

4. De verdere beoordeling

4.1

[gedaagde] heeft onweersproken gesteld dat hij op 23 januari 2019 bekend werd met de inhoud van het verstekvonnis van 6 november 2018. Gelet op het bepaalde in artikel 143 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is [gedaagde] dan ook tijdig in verzet gekomen.

4.2

[gedaagde] heeft aanvankelijk betwist dat de huurverhogingen van december 2017 en juli 2018 zijn overeengekomen. Naar aanleiding van door Jeeko overgelegde kopieën van brieven die door Jeeko aan [gedaagde] zijn verstuurd, heeft Jeeko de aangezegde huurverhogingen van december 2017 en juli 2018 (en juli 2019) tijdens de op 17 juni 2019 gehouden comparitie van partijen echter erkend voor zover het de verhoging van de huurprijs betreft. De verhoging van het voorschotbedrag aan servicekosten is [gedaagde] blijven betwisten. Gelet op het bepaalde in artikel 7:260 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek had Jeeko de huurcommissie moeten verzoeken om over de verhogingen van het voorschot aan servicekosten een uitspraak te doen, maar dat heeft Jeeko niet gedaan. [gedaagde] is dan ook enkel de verhogingen van de huurprijs verschuldigd geworden. Die verhogingen bedragen € 9,06 per december 2017 en € 12,98 per juli 2018.

4.3

Met betrekking tot de gevorderde eindafrekening energie 2017 wordt als volgt overwogen. Sinds 1 januari 2014 geldt dat voor een blokverwarming - zoals die in het pand waar het gehuurde deel van uitmaakt aanwezig is - de bepalingen van de Warmtewet gelden. Dat de Warmtewet sinds 1 juli 2019 niet meer van toepassing is op de levering van warmte aan huurders en dat Jeeko sindsdien is gehouden om de kosten voor het leveren van warmte zo nauwkeurig mogelijk per individuele woning te bepalen, doet voor de beoordeling van het onderhavige geschil niet ter zake. De onderhavige eindafrekening heeft immers betrekking op het jaar 2017. Gelet op artikel 8a lid 2 en lid 3 van de Warmtewet stond het Jeeko in 2017 vrij om de aan de verbruiker in rekening te brengen kosten te baseren op een voor alle gebruikers inzichtelijke kostenverdeelsystematiek, waarmee zo nauwkeurig mogelijk het werkelijke aandeel van het verbruik van de individuele verbruiker wordt benaderd. Tussen partijen is niet in geschil dat Jeeko een dergelijke kostenverdeelsystematiek heeft gehanteerd. Op grond daarvan is [gedaagde] de eindafrekening energie 2017 dan ook aan Jeeko verschuldigd. Het verweer van [gedaagde] dat hij de verwarming niet gebruikt, wordt verworpen. In de loop van de onderhavige procedure is immers gebleken dat zich in het gehuurde een aantal doorvoerleidingen bevinden die warmte transporteren naar hoger gelegen appartementen en [gedaagde] heeft niet betwist dat deze leidingen warmte hebben afgegeven in het gehuurde. [gedaagde] heeft dan ook het genot gehad van de blokverwarming. Partijen zijn het niet eens geworden over de vraag of de mogelijkheid bestaat om de verwarming in het gehuurde af te sluiten. De kantonrechter ziet geen aanleiding om partijen daar nog nader over uit te laten of aan (één van) partijen bewijs op te dragen, aangezien vast staat dat [gedaagde] in 2017 genot heeft gehad van de verwarming en [gedaagde] daar dan ook voor moet betalen.

4.4

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [gedaagde] de huurprijsverhogingen van € 9,06 per december 2017 en € 12,98 per juli 2018 en de eindafrekening energie 2017 ten bedrage van € 370,00 aan Jeeko is verschuldigd. Uit de door [gedaagde] tijdens de op 17 juni 2019 gehouden comparitie van partijen overgelegde specificatie volgt dat - rekening houdend met voornoemde huurverhogingen en de eindafrekening energie 2017 - sprake is van een huurachterstand van € 388,42 berekend tot en met de maand oktober 2018. Dat bedrag wordt toegewezen met afwijzing van het meer gevorderde.

4.5

De vordering om [gedaagde] te veroordelen om voor iedere maand na oktober 2018 een bedrag van € 420,72 aan Jeeko te betalen, wordt afgewezen. Jeeko heeft voor dit gedeelte van haar vordering, zeker nu er geen ontbinding en ontruiming wordt gevorderd, namelijk geen (voldoende) grondslag gesteld.

4.6

De vordering tot vergoeding van de verschenen rente wordt afgewezen, nu Jeeko bij dagvaarding van een onjuist bedrag aan hoofdsom is uitgegaan. Jeeko heeft hiermee over een te hoog bedrag aan hoofdsom verschenen rente berekend. De gevorderde wettelijke rente wordt toegewezen over het saldo vanaf 1 december 2017 dat aan hoofdsom, exclusief kosten, telkens, na elke credit- en debetmutatie, heeft uitgestaan, tot aan de dag van de algehele voldoening.

4.7

Jeeko maakt aanspraak op een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De vordering dient beoordeeld te worden aan de hand van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Gelet op het onder rechtsoverweging 4.2 tot en met 4.4 overwogene is Jeeko in haar aanmaningen van 23 juni 2018 en 24 juni 2018 uitgegaan van een hoger bedrag aan hoofdsom dan op dat moment was verschuldigd. De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten wordt daarom afgewezen.

4.8

In de omstandigheid dat partijen over en weer in het ongelijk zijn gesteld, ziet de kantonrechter aanleiding om de proceskosten te compenseren.

4.9

Gelet op het hiervoor overwogene wordt het verstekvonnis vernietigd en wordt beslist als onder het dictum staat vermeld. Hetgeen verder nog door partijen is aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel en kan daarom onbesproken blijven.

5. De beslissing

De kantonrechter:

vernietigt het op 6 november 2018 tussen partijen gewezen verstekvonnis;

en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [gedaagde] om aan Jeeko te betalen € 388,42, te vermeerderen met de wettelijke rente over het saldo vanaf 1 december 2017 dat aan hoofdsom, exclusief kosten, telkens, na elke credit- en debetmutatie, heeft uitgestaan, tot aan de dag van de algehele voldoening;

compenseert de proceskosten van partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.H. Kemp-Randewijk en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

38671