Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:3193

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
03-04-2020
Datum publicatie
14-04-2020
Zaaknummer
8059307 / CV EXPL 19-41441
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

geschil m.b.t. de vraag wie de contractspartij is bij de tandartsbehandeling, artikel 1:234 BW, artikel 7:447 BW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8059307 / CV EXPL 19-41441

uitspraak: 3 april 2020

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Famed B.V.,

gevestigd te Amersfoort,

eiseres,

gemachtigde: Bosveld Incasso en Gerechtsdeurwaarders te Amersfoort,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats gedaagde] ,

gedaagde,

gemachtigde: mr. A.C. [gedaagde] te ‘s-Hertogenbosch.

Partijen worden hierna aangeduid als ‘Famed’ en ‘ [gedaagde] ’.

1. Het verloop van de procedure

1.1

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter heeft kennis genomen:

  • -

    het exploot van dagvaarding van 13 september 2019, met producties;

  • -

    de aantekeningen van het mondelinge antwoord van [gedaagde] ;

  • -

    de conclusie van repliek, met een productie;

  • -

    de conclusie van dupliek;

  • -

    de rolbeslissing van 13 december 2019;

  • -

    het door [gedaagde] als “bewijslevering op verzoek” aangeduide stuk van 9 januari 2020, met producties;

  • -

    de akte uitlaten tevens houdende akte vermindering van eis aan de zijde van Famed.

1.2

De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

De kantonrechter gaat uit van de volgende vaststaande feiten.

2.1

[gedaagde] , die is geboren op [geboortedatum] , heeft op 12 juni 2017 een tandheelkundige behandeling ondergaan bij Tandartspraktijk Molenaar (hierna: Molenaar).

2.2

Bij nota van 29 juni 2017 heeft Famed voor de hiervoor genoemde tandheelkundige behandeling een bedrag van € 823,12 bij [gedaagde] in rekening gebracht. Van deze nota is in totaal een bedrag van € 125,00 betaald.

3. Het geschil

3.1

Famed heeft na vermindering van eis gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen aan haar te betalen € 698,12 aan hoofdsom, te vermeerderen met € 33,20 aan verschenen rente berekend tot en met 25 augustus 2019, de wettelijke rente over € 823,12 vanaf 26 augustus 2019 en € 123,47 aan vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten, een en ander met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

3.2

Aan haar vordering heeft Famed - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - ten grondslag gelegd dat [gedaagde] ondanks gehoudenheid daartoe in gebreke is gebleven met de tijdige en volledige betaling van de onder rechtsoverweging 2.2 vermelde nota ten bedrage van € 823,12. Op dit moment resteert nog een te betalen bedrag van € 698,12. Aangezien [gedaagde] ook na aanmaning heeft verzuimd de vordering van Famed te voldoen, is [gedaagde] verder een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten ten bedrage van € 123,47 verschuldigd.

3.3

Het verweer van [gedaagde] strekt tot afwijzing van de vordering van Famed. Daartoe heeft [gedaagde] - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - het volgende aangevoerd. Ten tijde van de behandeling was [gedaagde] minderjarig. De moeder van [gedaagde] , mevrouw [naam moeder gedaagde] (hierna: [naam moeder gedaagde] .), heeft opdracht gegeven voor de behandeling en zij heeft duidelijk bij Molenaar aangegeven dat de behandeling in haar naam werd verricht en dat alle uit die behandeling voortvloeiende verantwoordelijkheden voor haar rekening zouden komen. [naam moeder gedaagde] heeft ook een betalingsregeling getroffen om de uit de behandeling voortvloeiende vordering te betalen. De vordering jegens [gedaagde] dient dan ook afgewezen worden met veroordeling van Famed in de kosten van het geding gevallen aan de zijde van [gedaagde] , aldus [gedaagde] .

4. De beoordeling

4.1

[gedaagde] was ten tijde van de medische behandeling 17 jaar oud. Op grond van artikel 1:234 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) zijn minderjarigen in beginsel onbekwaam tot het verrichten van rechtshandelingen. Dit betekent dat de ouders, als wettelijk vertegenwoordigers, opdracht moeten geven voor het verrichten van rechtshandelingen door minderjarigen, zoals in dit geval het verrichten van een medische behandeling. In artikel 7:447 BW is een uitzondering opgenomen op de onbekwaamheid van minderjarigen als het gaat om een geneeskundige behandelingsovereenkomst (hierna: de behandelingsovereenkomst). Een minderjarige die de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt is volgens artikel 7:447 BW bekwaam om een dergelijke overeenkomt ten behoeve van zichzelf aan te gaan.

4.2

Door [gedaagde] is betwist dat hij zelf de behandelovereenkomst ten behoeve van zichzelf is aangegaan en daarmee dus dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 7:447 BW. Ook als hiervan uit wordt gegaan, is [gedaagde] naar het oordeel van de kantonrechter wel contractspartij bij de overeenkomst. Volgens [gedaagde] heeft [naam moeder gedaagde] de behandelingsovereenkomst gesloten met Molenaar. Dit betekent echter niet dat [naam moeder gedaagde] ook contractspartij is geworden bij de behandelingsovereenkomst. Volgens vaste rechtspraak geldt dat als partijen bij het aangaan van de behandelingsovereenkomst zich niet expliciet erover hebben uitgesproken of de ouders voor zichzelf, dan wel in hun hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordigers van hun kind, dan wel in beide hoedanigheden tegelijk optreden de wederpartij (in dit geval Molenaar) ervan mag uitgaan dat de ouders de behandelingsovereenkomst als wettelijke vertegenwoordigers van hun kind uitsluitend in naam van het kind sloten (Hoge Raad, 8 september 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7041). [gedaagde] heeft gesteld dat [naam moeder gedaagde] de contractspartij is, maar die stelling is door Famed gemotiveerd betwist. Het lag daarom op de weg van [gedaagde] om zijn stelling nader te onderbouwen. Dat heeft [gedaagde] niet gedaan. Uit de enkele omstandigheid dat [naam moeder gedaagde] een betalingsregeling heeft getroffen om de nota van 29 juni 2017 te betalen, kan in ieder geval niet worden afgeleid dat [naam moeder gedaagde] de contractspartij is. Molenaar mocht er dan ook van uitgaan dat de [naam moeder gedaagde] optrad als wettelijk vertegenwoordiger en dus de behandelingsovereenkomst namens [gedaagde] heeft gesloten. Dit betekent dat [gedaagde] de contractspartij is bij de behandelingsovereenkomst.

4.3

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [gedaagde] verantwoordelijk is voor de betaling van de factuur van 29 juni 2017 ten bedrage van € 823,12. Aangezien inmiddels een bedrag van € 125,00 is betaald, resteert nog een bedrag van € 698,12 aan hoofdsom. Dat bedrag wordt toegewezen.

4.4

De wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf de dag der dagvaarding, nu niet is gebleken dat Famed bij de berekening van de rente rekening heeft gehouden met de tussentijdse aflossing.

4.5

Famed maakt aanspraak op een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De vordering dient beoordeeld te worden aan de hand van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Famed, althans haar gemachtigde, heeft aan [gedaagde] een aanmaning verzonden, die voldoet aan de in artikel 6:96, zesde lid van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) gestelde eisen. Nu [gedaagde] hieromtrent geen verweer heeft gevoerd, zal van de ontvangst van deze aanmaning door [gedaagde] worden uitgegaan. Daarnaast staat vast dat [gedaagde] niet binnen de in de aanmaning gestelde termijn tot volledige betaling van de gevorderde hoofdsom is overgegaan. Het gevorderde bedrag van € 123,47 aan vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten wordt dan ook toegewezen.

4.6

[gedaagde] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten van Famed, die tot aan deze uitspraak worden begroot op € 571,18 aan verschotten (bestaande uit € 486,00 aan griffierecht en € 85,18 aan explootkosten) en € 300,00 aan salaris voor de gemachtigde van Famed (bestaande uit 2,5 punt à € 120,00).

4.7

Hetgeen verder nog door partijen is aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel en kan daarom onbesproken blijven.

5. De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] om aan Famed tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen € 821,47 te vermeerderen met de wettelijke rente over het saldo vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag van de algehele voldoening;

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Famed begroot op € 571,18 aan verschotten en € 300,00 aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.H. Kemp-Randewijk en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

38671