Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:3181

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
10-04-2020
Datum publicatie
10-04-2020
Zaaknummer
10/700181-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Brandstichting in woning, bovenbuurman dodelijk slachtoffer.

Gevangenisstraf 10 jaren

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2020-0338
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/700181-19

Datum uitspraak: 10 april 2020

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] (Turkije) op [geboortedatum verdachte] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de P.I. Rotterdam, locatie De Schie,

raadsman mr. T.P. van der Eerden, advocaat te Rotterdam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 13 maart 2020 en 10 april 2020.

Op 10 april 2020 is de behandeling van de zaak hervat en is het onderzoek ter terechtzitting gesloten.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. W.B.J. ten Have heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het tenlastegelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) jaren, met aftrek van voorarrest.

4. Standpunt verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit.

5. Waardering van het bewijs

5.1.

Bewijswaardering

5.1.1.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft - overeenkomstig zijn overgelegde pleitaantekeningen - primair vrijspraak bepleit, omdat er onvoldoende wettig bewijs voorhanden is dat de verdachte de brand heeft gesticht. In dit kader heeft de raadsman onder meer bepleit dat het proces-verbaal met onderzoeksbevindingen van forensisch rechercheur [naam rechercheur] (de rechtbank begrijpt proces-verbaal met nummer [nummer proces-verbaal 1] ) van het bewijs moet worden uitgesloten, omdat de bevindingen in dat proces-verbaal geen bewijswaarde hebben.

Subsidiair heeft de raadsman vrijspraak bepleit, omdat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is.

Meer subsidiair heeft de raadsman vrijspraak bepleit op grond van een alternatief daderscenario.

5.1.2.

Beoordeling

Bewijsuitsluiting

De rechtbank stelt vast dat geen sprake is van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Daarom wordt het verweer verworpen.

Bewijsoverweging

Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen is vast komen te staan dat op 13 april 2019 in de woning van de verdachte brand heeft gewoed. Deze woning is gelegen op de eerste verdieping (B01) van het adres [adres delict] te Rotterdam. Vast staat daarnaast dat brand heeft gewoed in de daarboven gelegen woning, met het adres [adres delict] B02 .

Als gevolg van de brand is de bovenbuurman van de verdachte, [naam slachtoffer] , woonachtig op het adres [adres 1] B02 , overleden.

Forensisch onderzoek heeft aangetoond dat de brand is ontstaan in de woning van de verdachte. Dichtbij de brandhaard, in de woonkamer van zijn woning, is motorbenzine aangetroffen. Daarnaast is in het toilet motorbenzine aangetroffen. De forensisch onderzoekers hebben geconcludeerd dat bij het ontsteken van de brand zeer waarschijnlijk gebruik is gemaakt van benzine en dat het zeer onwaarschijnlijk is dat de brand is ontstaan als gevolg van een storing in een technische installatie. Uit het forensisch onderzoek volgt tevens dat de brand in de woning op de tweede verdieping (B02) het gevolg was van de brand op de eerste verdieping (B01).

Op grond daarvan komt de rechtbank tot de conclusie dat de brand in de woning van de verdachte is aangestoken, gebruikmakend van motorbenzine. De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte dit heeft gedaan.

De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

Het staat vast dat van de brand aan de [adres delict] op die dag omstreeks 13:49 uur melding is gemaakt bij de politie en bij de brandweer. Uit camerabeelden blijkt dat de verdachte vanaf omstreeks 13:22 uur tot omstreeks 13:33 uur in zijn woning aan de [adres delict] B01 te Rotterdam is geweest. De verdachte was dus in zijn woning aanwezig, kort voor het tijdstip waarop de brand is gemeld.

Op grond van camerabeelden is verder vast komen te staan dat na 13:33 uur geen andere personen het pand aan de voorzijde zijn in- of uitgekomen. Er zijn nadien ook geen andere personen of slachtoffers in het pand aangetroffen. Dan resteert de vraag of iemand anders via de achterzijde van het pand de woning kan zijn binnengegaan (er is verder geen andere manier om toegang te krijgen tot het pand), nadat de verdachte zijn woning had verlaten, zoals ook door de raadsman is betoogd.

Daartoe wordt het volgende overwogen.

Indien een derde de brand zou hebben gesticht, betekent dit dat deze persoon: a) moet hebben gezien dat de balkondeur aan de achterzijde van de woning van de verdachte open stond, b) zich vervolgens tussen 13.33 uur en 13.49 uur (ongezien) toegang tot de woning moet hebben verschaft door inklimming, c) er redelijkerwijs van uit moet worden gegaan dat hij wist dat zich op dat moment niemand (meer) in de woning bevond, d) hij in het bezit was van motorbenzine, nu de verdachte en de feitelijke bewoner, getuige [naam getuige 1] , beide hebben verklaard dat er - voor zover zij wisten - geen motorbenzine in de woning aanwezig was, e) de brand heeft gesticht met behulp van deze motorbenzine, f) de woning vervolgens weer (ongezien) via de achterzijde heeft verlaten. De rechtbank acht dit - mede bezien in het licht van het navolgende - niet aannemelijk.

Uit het aanvullend forensisch onderzoek betreffende de achterzijde van het pand blijkt dat het mogelijk is om vanaf het schoolplein van de [naam school] via platte daken de balkons van [adres delict] te bereiken en op die manier de woning van de verdachte te betreden. Daartoe is echter noodzakelijk dat eerst het schoolplein wordt bereikt.

Het desbetreffende schoolplein is geheel omheind met een afzetting van 2 meter hoog; aan de omheining is geen verstoring geconstateerd. Er is slechts één toegangsdeur. Uit camerabeelden blijkt dat de deur niet open is geweest tussen 13:12 uur en 14:00 uur.

Uit het onderzoek naar mogelijke klim- en vluchtroutes ( [nummer proces-verbaal 2] ) volgt dat het daarnaast mogelijk is om het schoolterrein te bereiken door over een rolluik naast de toegangsdeur te klimmen. Uit de camerabeelden blijkt echter dat niemand tussen 13:12 uur en 14:00 uur over het rolluik is geklommen. 1 Uit het onderzoek ( [nummer proces-verbaal 2] ) blijkt verder weliswaar dat het schoolterrein te bereiken (of te verlaten) is via een aangrenzend parkeerterrein, maar dit parkeerterrein is vanaf de buitenzijde volledig afgesloten. 2

Rondom het schoolplein bevindt zich verder een aaneengesloten geheel van woningen en bedrijven, waarbij de achtertuinen van deze woningen dan wel van de bedrijven direct grenzen aan de omheining van de school. Om het schoolplein via die weg te bereiken, zou men toegang moeten hebben tot één van deze woningen of bedrijven.

Het voorgaande rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank de conclusie dat het zéér beperkt mogelijk is om via de [naam school] en de platte daken de achterzijde van het pand te bereiken.

Uit het aanvullend forensisch onderzoek blijkt verder dat bij het overklimmen van de schoolomheining verstoringen in de algafzetting optreden. Dergelijke verstoringen zijn niet aangetroffen.

Het platte dak, zowel onder perceel 291B als de platte daken van en behorende bij de naastgelegen percelen, bestond uit verschillende materialen, zoals onder andere bitumen, grind, lood en kunststof. Op deze materialen was op enkele plaatsen een algafzetting zichtbaar. Op het platte dak, direct onder het balkon behorende bij perceel [adres 2] , bevond zich een metalen luchtafvoer. Tijdens het overklimmen van de schutting van de school en het belopen van deze daken is proefondervindelijk bevonden dat, ook bij voorzichtig beklimmen en belopen, er verstoringen in en op de ondergrond werden achtergelaten. 3

Op deze platte daken en op de metalen luchtafvoer zijn evenwel geen verstoringen aangetroffen in de aanwezige algafzetting of op de gebruikte materialen.

De raadsman heeft ook aangevoerd dat het goed mogelijk is dat iemand anders, dus niet iemand die via het schoolplein/via de platte daken is gekomen, maar afkomstig uit hetzelfde huizenblok, via de achterzijde naar binnen is gekomen en de brand heeft gesticht. In dit verband is onder meer aangevoerd dat de deur op het balkon open heeft gestaan en dat eenvoudig naar boven geklommen kon worden. Voorts heeft getuige [naam getuige 2] op de eerste verdieping ten tijde van de brand een persoon zien lopen. Daarnaast heeft getuige [naam getuige 3] verklaard dat hij wel eens jongens over het platte dak, aangrenzend aan de woning heeft zien lopen.

De rechtbank stelt voorop dat een alternatief scenario, inhoudend dat het slachtoffer de brand heeft gesticht in de woning van zijn onderbuurman, niet onderbouwd is en ook overigens niet aannemelijk is geworden.

Ten aanzien van de voornoemde getuigenverklaringen wordt als volgt overwogen.

Getuige [naam getuige 2]

Getuige [naam getuige 2] heeft verklaard dat zij ten tijde van de brand iemand heeft gezien op de eerste verdieping (in de woning van de verdachte), die niet voldoet aan het signalement van het slachtoffer. Volgens de getuige stak op dezelfde verdieping, maar dan een pand ernaast, een vrouw haar hoofd uit het raam.

Uit onderzoek komt naar voren dat de vrouw die volgens [naam getuige 2] haar hoofd uit het raam stak, mevrouw [naam] ,moet zijn geweest, die echter niet op de eerste, maar op de tweede verdieping aan de [adres 2] woont, dat wil zeggen: de woning gelegen naast de woning van het slachtoffer. 4

Ook uit het proces-verbaal op pagina 553 en verder blijkt niet van een persoon op de eerste verdieping, wel van een persoon op de tweede verdieping. Op de camerabeelden is geen persoon bij het raam van de eerste verdieping te zien en geen enkele andere getuige, ook niet getuigen die tegelijkertijd met [naam getuige 2] de kapperszaak hebben verlaten, verklaart daarover.

Gelet op het bovenstaande concludeert de rechtbank dat getuige [naam getuige 2] zich vergist moet hebben.

Getuige [naam getuige 3]

Getuige [naam getuige 3] , een buurman van de verdachte, heeft verklaard dat hij wel eens jongens over het platte dak heeft zien lopen.

De getuige heeft op 13 april 2019 niets van de brand gemerkt en hij heeft toen niets waargenomen. De getuige kan voorts geen exacte tijdsaanduiding geven wanneer die jongens op het dak hebben gelopen, maar het was minimaal enkele maanden geleden.

Genoemde getuigenverklaringen ondersteunen het alternatieve scenario dus niet.

Op grond van al het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, kan naar het oordeel van de rechtbank buiten redelijke twijfel worden uitgesloten dat iemand anders via de achterzijde van de [adres delict] de woning van de verdachte heeft betreden. Het door de raadsman geschetste alternatieve scenario wordt daarmee niet aannemelijk geacht, zodat het verweer wordt verworpen.

Dit brengt de rechtbank tot het oordeel dat het de verdachte is geweest die de brand heeft gesticht.

5.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij

op 13 april 2019 te Rotterdam opzettelijk brand heeft

gesticht in een (portiek)woning, gelegen aan de [adres delict] B01, deel

uitmakende van een aaneengesloten bebouwing, immers heeft verdachte

toen aldaar opzettelijk een of meer voorwerpen en/of brandbare/ontvlambare

(vloei)stoffen aangestoken, ten gevolge waarvan brand is ontstaan in voornoemde woning en deze woning gedeeltelijk is verbrand en terwijl daarvan

gemeen gevaar voor die woning en (de inboedel van) een of meer

naastgelegen/bovengelegen/belendende woningen/panden, en

levensgevaar voor een ander of anderen, te duchten was,

en het feit de dood van [naam slachtoffer] (bewoner van het bovengelegen pand,

[adres 1] B02 ) ten gevolge heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

6. Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor een ander te duchten te duchten is en het feit iemands dood ten gevolge heeft.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

7. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

8. Motivering straf

8.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

8.2.

Feit waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan brandstichting in zijn woning op de eerste verdieping. Het slachtoffer, dat woonachtig was op de tweede verdieping, is door de brand op een afschuwelijke wijze om het leven gekomen en de verdachte heeft het nog jonge slachtoffer hiermee het meest fundamentele recht waarover de mens beschikt ontnomen: het recht op leven. De verdachte heeft met zijn daad onherstelbaar leed toegebracht aan de nabestaanden, zoals ook bleek uit de verklaringen ter zitting van de ouders en de zus van het slachtoffer. Het valt te verwachten dat zij nog lange tijd, zo niet de rest van hun leven, geconfronteerd zullen blijven met de afschuwelijke gevolgen van het handelen van de verdachte.

Door de brand is niet alleen het slachtoffer om het leven gekomen, maar is ook levensgevaar veroorzaakt voor de bewoners van de omliggende woningen en voor de bezoekers en eigenaren/werknemers van omliggende winkels. De brand vond midden op de dag plaats op een zaterdag, wanneer veel mensen thuis zijn of juist winkels bezoeken. Een grote groep mensen is dientengevolge ongewild geconfronteerd met en heeft getuige moeten zijn van de brand en van de gruwelijke dood van het slachtoffer. Dit soort feiten veroorzaken gevoelens van angst, onrust en onveiligheid in de samenleving. Ook hier geldt dat de betreffende getuigen verder zullen moeten leven met hetgeen zij die dag hebben moeten waarnemen.

Ten slotte heeft de verdachte met zijn handelen grote financiële schade veroorzaakt.

8.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

8.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 26 februari 2020, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld, maar niet voor soortgelijke strafbare feiten.

8.3.2.

Rapportages

Reclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 15 juli 2019. In het rapport wordt melding gemaakt zijn eerdere justitiecontacten en van een verdenking in een moordzaak in België. De reclassering meldt problemen op enkele leefgebieden, zoals dagbesteding en financiën. De reclassering ziet evenwel geen indicatie voor het inzetten van interventies.

De rechtbank heeft acht geslagen op dit rapport.

8.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een langdurige gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur daarvan heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.

Voorts overweegt de rechtbank dat het met na te melden strafoplegging beoogt de strafdoelen te dienen van vergelding en genoegdoening – gelet op wat het slachtoffer en zijn nabestaanden is aangedaan – evenals die van algemene en speciale preventie.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

9. Vorderingen benadeelde partijen / schadevergoedingsmaatregelen

Als benadeelde partij hebben zich in het geding gevoegd:

- Mevrouw [naam benadeelde 1] , bijgestaan door mr. E.W. Bosch. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 1.115,98 aan materiële schade en een vergoeding van
€ 35.000,00 aan immateriële schade.

- De heer [naam benadeelde 2] , bijgestaan door mr. E.W. Bosch. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 390,26 aan materiële schade en een vergoeding van € 17.500,00 aan immateriële schade.

9.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van beide vorderingen, alsmede tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

9.2.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de vorderingen.

9.3.

Beoordeling

Benadeelde partij mevrouw [naam benadeelde 1]

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks schade is toegebracht en de gevorderde schadevergoeding de rechtbank ook overigens niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt en door de verdachte niet is weersproken, zal de vordering worden toegewezen voor zover deze ziet op de kosten van lijkbezorging (€ 1.115,98) en de immateriële schade (affectieschade ad € 17.500,00).

Ten aanzien van de gevorderde shockschade (€ 17.500,00) overweegt de rechtbank als volgt.

Naar vaste rechtspraak kan vergoeding van shockschade plaatsvinden als bij de benadeelde partij een hevige emotionele schok wordt teweeggebracht door (i) het waarnemen van het tenlastegelegde, of (ii) door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan. Uit die emotionele schok dient vervolgens geestelijk letsel te zijn voortgevloeid.

De benadeelde partij vordert shockschade vanwege het plotselinge en gewelddadige overlijden van haar zoon. Nadat de benadeelde partij had vernomen wat er met haar zoon aan de hand was, is zij naar het ziekenhuis gegaan. Na een lange wachttijd heeft de politie haar (nonchalant) aangesproken middels de woorden: “U weet al dat uw zoon is overleden”, hetgeen een enorme schok was voor de benadeelde partij. Daarnaast heeft zij via een telefoon van een kennis beelden van het voorval gezien die op internet circuleerden. Er is een posttraumatische stressstoornis gediagnosticeerd.

Hoewel niet ter discussie staat dat sprake is van immens leed bij ouders die hun kind door een misdrijf hebben verloren en die hun kind daarna levenloos hebben moeten zien, is daarmee niet zonder meer gegeven dat zij jegens de verdachte aanspraak kunnen maken op vergoeding van shockschade. Of en wanneer dit het geval is, hangt af van de in de rechtspraak ontwikkelde criteria zoals hierboven omschreven. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval niet aan die voorwaarden is voldaan, omdat geen sprake is van de vereiste “directe confrontatie”, mede nu de benadeelde partij niet ten tijde van de brand ter plaatse aanwezig was en zij er kennelijk zelf voor heeft gekozen om de beelden van het voorval (achteraf) te bekijken. De vordering tot vergoeding van shockschade wordt daarom afgewezen.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 13 april 2019.

Nu de vordering van de benadeelde partij in overwegende mate zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Benadeelde partij de heer [naam benadeelde 2]

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks schade is toegebracht en de gevorderde schadevergoeding de rechtbank ook overigens niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt en door de verdachte niet is weersproken, zal de vordering worden toegewezen
(€ 390,26 materiële schade en € 17.500,00 immateriële schade (affectieschade).

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 13 april 2019.

Nu de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

9.4.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij [naam benadeelde 1] een schadevergoeding betalen van € 18.615,98, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld. Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

De verdachte moet de benadeelde partij [naam benadeelde 2] een schadevergoeding betalen van € 17.890,26, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld. Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht

10. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 36f en 157 van het Wetboek van Strafrecht.

11. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

12. Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) jaren;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

veroordeelt de verdachte, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde 1] , te betalen een bedrag van € 18.615,98 (zegge: achttienduizendzeshonderdvijftien euro en achtennegentig cent), bestaande uit

€ 1.115,98 aan materiële schade en € 17.500,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 13 april 2019, tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil;

wijst af het door de benadeelde partij meer of anders gevorderde;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 18.615,98 (hoofdsom, zegge: achttienduizendzeshonderdvijftien euro en achtennegentig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 april 2019, tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom te vervangen door 128 dagen gijzeling. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

veroordeelt de verdachte, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde 2] , te betalen een bedrag van € 17.890,26 (zegge: zeventienduizendachthonderdnegentig euro en zesentwintig cent), bestaande uit

€ 390,26 aan materiële schade en € 17.500,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 13 april 2019, tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 17.890,26 (hoofdsom, zegge: zeventienduizendachthonderdnegentig euro en zesentwintig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 april 2019, tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom te vervangen door 124 dagen gijzeling. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. R. Brand, voorzitter,

en mrs. V.M. de Winkel en F. van Buchem, rechters,

in tegenwoordigheid van R. van Andel, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De oudste en jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij

op of omstreeks 13 april 2019 te Rotterdam opzettelijk brand heeft

gesticht in een (portiek)woning, gelegen aan de [adres delict] B01, deel

uitmakende van een aaneengesloten bebouwing,

immers heeft verdachte

toen aldaar opzettelijk een of meer voorwerpen en/of brandbare/ontvlambare

(vloei)stoffen aangestoken, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking

gebracht met een of meer voorwerpen, althans met (een) brandbare/ontvlambare (vloei)stof(fen),

ten gevolge waarvan brand is ontstaan in/aan voornoemde woning en/of deze

woning geheel of gedeeltelijk is verbrand en/of waardoor/terwijl daarvan

gemeen gevaar voor die woning en/of (de inboedel van) een of meer

naastgelegen/bovengelegen/belendende woningen/panden, in elk geval gemeen

gevaar voor goederen en/of

levensgevaar voor de in de naastgelegen/bovengelegen/belendende

woningen/panden aanwezige perso(o)n(en), in elk geval levensgevaar voor een

ander of anderen, te duchten was,

en het feit de dood van [naam slachtoffer] (bewoner van het bovengelegen pand,

[adres 1] B02 ) ten gevolge heeft gehad;

1 Het proces-verbaal van politie nummer [nummer proces-verbaal 3] (pagina 513 van de doorgenummerde bijlagen van het onderzoek [naam onderzoek] [nummer proces-verbaal 3] )

2 Het proces-verbaal van politie nummer [nummer proces-verbaal 2] , (pagina 9-21 van bijlage 1 (deel 2) van de doorgenummerde bijlagen van het Forensisch dossier [naam onderzoek] [nummer proces-verbaal 3] )

3 Het aanvullend proces-verbaal met nummer [nummer proces-verbaal 1] , pagina 121-139 van bijlage 6 (deel 1) van het van de doorgenummerde bijlagen van het Forensisch dossier [naam onderzoek] [nummer proces-verbaal 3]

4 Het proces-verbaal bevindingen, met documentcode [code document] , pag. 282 van de doorgenummerde bijlagen van dossier [nummer proces-verbaal 3] , onderzoek [naam onderzoek] ),