Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:3123

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
27-03-2020
Datum publicatie
09-04-2020
Zaaknummer
KTN-8217258_27032020
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Arbeidszaak tegen Thuiszorg Naborgh B.V.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2020-0430
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8217258 VZ VERZ 19-21301

uitspraak: 27 maart 2020

beschikking van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats verzoekster] ,

verzoekster,

gemachtigde: mr. L.M. Hoogeveen,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Thuiszorg Naborgh B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

verweerster,

gemachtigde: mr. R.W. de Pater.

Partijen worden hierna aangeduid als “ [verzoekster] ” en “Naborgh”.

1. Het verloop van de procedure

1.1

Van de volgende processtukken is kennisgenomen:

  • -

    het verzoekschrift van [verzoekster] , met producties, ontvangen op 9 december 2019;

  • -

    het verweerschrift van Naborgh, met producties, ontvangen op 3 februari 2020;

  • -

    de aantekeningen van de mondelinge behandeling.

1.2

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 12 februari 2020. [verzoekster] is verschenen, bijgestaan door mr. Hoogeveen. Namens Naborgh is verschenen [naam 1] , bijgestaan door mr. De Pater.

1.3

De datum van de uitspraak van de beschikking is bepaald op heden.

2. De feiten

In deze procedure wordt uitgegaan van de volgende feiten:

2.1

Naborgh heeft activiteiten verricht op het gebied van thuiszorg en huishoudelijke hulp. [naam 2] (hierna: [naam 2] ) is actief geweest bij Naborgh als directeur ad interim.

2.2

Op grond van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is [verzoekster] met ingang van 1 december 2018 in dienst getreden bij Naborgh en daar werkzaam geweest in de functie van Verzorgende IG, voor 24 uur tot een maximum van 36 uur per week, tegen een salaris van € 14,48 bruto per uur.

2.3

[naam 2] is directeur grootaandeelhouder van [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ), die op haar beurt enig aandeelhouder en bestuurder is van [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2] ). [bedrijf 2] is enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 3] (hierna: [bedrijf 3] ). [bedrijf 1] , [bedrijf 2] en [bedrijf 3] zijn op 25 september 2019 opgericht.

2.4

Tussen Naborgh als verkoper en [bedrijf 2] als koper is op 25 september 2019 een koopovereenkomst gesloten, waarbij [bedrijf 2] de activa van de onderneming van Naborgh heeft gekocht, bestaande uit onder andere de bedrijfsmiddelen, het volledige klantenbestand, het personeel en de (zorg)contracten, tegen een koopsom van € 113.600,00.

2.5

In artikel 3 van de koopovereenkomst is bepaald:

“1. De overdracht zal plaatsvinden op 1 oktober 2019 of zoveel eerder of later als Partijen overeenkomen (…).”

In artikel 4 van de koopovereenkomst is bepaald:

“1. Partijen erkennen dat de rechten en verplichtingen van Verkoper met betrekking tot de werknemers (…) bij de overdracht van de Onderneming op grond van artikel 7:663 BW van rechtswege tezamen met de Onderneming op de Koper zullen overgaan. (…)”

In artikel 6 van de koopovereenkomst is bepaald:

“1. Partijen komen overeen dat Koper de onderhavige koopovereenkomst uiterlijk op 31 december 2019 kan ontbinden zonder enige boete verschuldigd te zijn aan Verkoper, zulks onder de voorwaarde dat minimaal drie zorgverzekeraars geen samenwerking met Koper wensen aan te gaan. (…)”

2.6

De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (hierna: IGJ) van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft op 4 oktober 2019 een aanwijzing gegeven aan Naborgh om uiterlijk op 11 oktober 2019 om 17:00 uur al haar cliënten die zorg ontvangen over te dragen aan een andere zorgaanbieder, niet zijnde [bedrijf 2] / [bedrijf 3] .

2.7

Tussen Naborgh en [bedrijf 4] te [plaats] (hierna: [bedrijf 4] ) is op

11 oktober 2019 een overeenkomst gesloten, waarbij Naborgh aan [bedrijf 4] heeft overgedragen de cliënten genoemd in bijlage 1 bij de overeenkomst. In een separaat document bij die overeenkomst zijn afspraken tussen Naborgh en [bedrijf 4] vastgelegd onder meer ten aanzien van bevoorschotting voor de salariskosten over de periode van 11 oktober 2019 tot en met 30 november 2019 van zorgverleners die naar [bedrijf 4] overstappen.

2.8

Bij brief van 11 oktober 2019 heeft Naborgh aan [verzoekster] meegedeeld dat de thuiszorgactiviteiten zijn ondergebracht bij [bedrijf 4] te [plaats] (hierna: [bedrijf 4] ) en de huishoudelijke activiteiten zijn overgenomen door [bedrijf 3] . Tevens is [verzoekster] meegedeeld dat dit betekent dat haar arbeidsovereenkomst met Naborgh per

11 oktober 2019 eindigt en dat [bedrijf 4] dan wel [bedrijf 3] het dienstverband zal voortzetten.

2.9

Bij schrijven van 12 oktober 2019 heeft [naam 2] in zijn hoedanigheid van directeur ad interim van Naborgh het personeel van Naborgh meegedeeld dat per 11 oktober 2019 [bedrijf 4] de zorgverantwoordelijkheid overneemt over de ongeveer 85 cliënten van Naborgh, dat alle verpleegkundigen een contract aangeboden hebben gekregen bij [bedrijf 4] en dat per diezelfde datum al het huishoudelijke personeel een contract aangeboden heeft gekregen bij en overgaat naar [bedrijf 3] .

2.10

Al voor 11 oktober 2019 is [verzoekster] als gevolg van ziekte uitgevallen voor haar werkzaamheden. Zij heeft tot eind oktober 2019 re-integratiewerkzaamheden verricht in de huishoudelijke hulp, niet in haar eigen functie van verzorgende.

2.11

Op 23 oktober 2019 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [verzoekster] en ene [naam 3] , werkzaam als HR-manager bij [bedrijf 3] . Naar aanleiding hiervan heeft [verzoekster] op 24 oktober 2019 een WhatsApp bericht gestuurd naar [naam 2] waarin zij - zakelijk weergegeven - heeft vermeld haar werkzaamheden bij Naborgh te beëindigen met wederzijds goedvinden door middel van een vaststellingsovereenkomst. [verzoekster] heeft [naam 2] gevraagd of zij de opzegtermijn van een maand kan verrekenen met vakantiedagen. Bij WhatsAppbericht van 26 oktober 2019 heeft [verzoekster] - zakelijk weergegeven - aan [naam 2] meegedeeld te hebben besloten dat zij niet meer verder gaat en vragen gesteld omtrent de afwikkeling van haar contract. In reactie hierop heeft [naam 2] bij WhatsAppbericht van 26 oktober 2019 aan [verzoekster] meegedeeld dat haar bericht is doorgezet naar Wishaal en dat de afwikkeling in orde komt. Daarbij is vermeld dat [verzoekster] nog een contract heeft met Naborgh. Nadien heeft [verzoekster] niets meer vernomen over de beëindiging van haar arbeidsovereenkomst.

2.12

Bij brief van 29 oktober 2019 heeft [bedrijf 2] aan Naborgh meegedeeld de tussen hen gesloten overeenkomst van 25 september 2019 te ontbinden op de voet van artikel 6 lid 1 van de koopovereenkomst.

2.13

Naborgh heeft aan [verzoekster] salaris betaald over de periode van 1 tot en met 10 oktober 2019.

2.14

Bij brief van 14 november 2019 is namens [verzoekster] - verkort weergegeven - aan Naborgh meegedeeld dat [verzoekster] nog bij haar in dienst is en dat zij aanspraak maakt op doorbetaling van haar loon. Daarbij is aangegeven dat [verzoekster] zich beschikbaar houdt voor haar werk, voor zover haar medische toestand dat toelaat.

2.15

In reactie hierop is bij e-mailbericht van 26 november 2019 namens Naborgh - verkort weergegeven - meegedeeld dat door bedrijfsovername de bedrijfsactiviteiten van Naborgh zijn overgenomen, het zorgpersoneel door [bedrijf 4] en het huishoudelijk personeel door [bedrijf 3] , en dat de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] om die reden per 11 oktober 2019 is geëindigd, zodat Naborgh vanaf die datum geen loon betaalt. Naborgh wijst erop dat de arbeidsovereenkomst is voortgezet door [bedrijf 3] , waar [verzoekster] re-integratie werkzaamheden heeft verricht.

2.16

Bij e-mailbericht van 5 december 2019 is namens [verzoekster] - verkort weergegeven - aan Naborgh meegedeeld dat zij niet bij [bedrijf 4] en ook niet bij [bedrijf 3] in dienst is getreden en dat, nu er geen sprake is van overgang naar een van beide organisaties, het dienstverband met Naborgh niet is beëindigd, zodat Naborgh het loon van [verzoekster] dient te betalen tot het moment waarop het dienstverband rechtsgeldig is beëindigd.

3. Het geschil

3.1

[verzoekster] verzoekt bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:

primair

  1. de opzegging per 11 oktober 2019 te vernietigen;

  2. Naborgh te veroordelen tot betaling aan [verzoekster] van haar salaris, te vermeerderen met vakantiegeld en overige emolumenten, zulks op de gebruikelijke wijze en tijdstippen vanaf 11 oktober 2019 tot het moment dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is beëindigd;

subsidiair

3. Naborgh te veroordelen tot betaling aan [verzoekster] van een billijke vergoeding ter hoogte van het in geld vastgestelde loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou hebben voortgeduurd;

primair en subsidiair

4. Naborgh te veroordelen tot betaling van de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW van 50% over de onder 2 en 3 genoemde punten;

5. Naborgh te veroordelen tot betaling aan [verzoekster] van de wettelijke rente vanaf het tijdstip van opeisbaarheid van de hiervoor genoemde bedragen tot aan de dag van algehele voldoening;

6. Naborgh te veroordelen in de proceskosten.

3.2

Aan de verzoeken legt [verzoekster] - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - ten grondslag dat haar arbeidsovereenkomst op 11 oktober 2019 niet rechtsgeldig is opgezegd, want zij heeft daarmee niet ingestemd, er was geen dringende reden voor ontslag en er is daarvoor geen toestemming verleend door het UWV. Er is sprake van een onregelmatige opzegging van de arbeidsovereenkomst. Daarom verzoekt [verzoekster] primair die opzegging te vernietigen en subsidiair om toekenning van een billijke vergoeding, met nevenverzoeken.

3.3

Naborgh voert verweer en concludeert tot afwijzing van de verzoeken met veroordeling uitvoerbaar bij voorraad van [verzoekster] in de proceskosten en de nakosten.

3.4

De stellingen van partijen worden voor zover nodig in het kader van de beoordeling van nader besproken.

4. De beoordeling

4.1

De kantonrechter heeft kennis genomen van het vonnis van 31 december 2019 gewezen in de kort geding procedure tussen een collega van [verzoekster] als eiseres en [bedrijf 2] en [bedrijf 3] (lees: [bedrijf 3] ) als gedaagden, van welk vonnis (zaaknummer 8164539 VV EXPL 19-504) Naborgh een afschrift heeft overgelegd.

4.2

Op basis van de in deze procedure overgelegde stukken en de toelichtingen van partijen wordt vastgesteld dat sprake is geweest van overgang van onderneming, doordat Naborgh al haar ondernemingsactiviteiten en activa aan [bedrijf 2] respectievelijk [bedrijf 4] heeft overgedragen. In afwijking van hetgeen hierover is vermeld in genoemd kort geding vonnis stelt de kantonrechter vast dat, anders dan in artikel 3 van de koopovereenkomst (zie 2.5) is vermeld, de overdracht niet heeft plaatsgevonden op 1 oktober 2019 maar op

11 oktober 2019; de huishoudelijke hulp naar [bedrijf 2] / [bedrijf 3] en de thuiszorg naar [bedrijf 4] . De reden hiervoor is dat de betrokken ondernemingen, Naborgh enerzijds en [bedrijf 2] / [bedrijf 3] respectievelijk [bedrijf 4] anderzijds, van die datum uitgaan. De datum 11 oktober 2019 is ook gecommuniceerd naar de medewerkers. Voor zover niet anders gesteld, wordt er ook vanuit gegaan dat Naborgh hen tot en met 10 oktober 2019 loon heeft uitbetaald, hetgeen er eveneens op duidt dat de overdracht op 11 oktober 2019 is geëffectueerd.

4.3

Op grond van artikel 7:663 BW zijn door de overgang van de onderneming de rechten en verplichtingen die op dat tijdstip voor Naborgh voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst tussen haar en [verzoekster] van rechtswege overgegaan op [bedrijf 4] . Weliswaar was [verzoekster] ten tijde van de overgang aan het re-integreren in de huishoudelijke hulp, maar haar functie was die van Verzorgende IG en de thuiszorgactiviteiten zijn overgegaan naar [bedrijf 4] , zodat de arbeidsovereenkomst van [verzoekster] ook wordt geacht te zijn overgegaan op [bedrijf 4] . Naar het zich laat aanzien hebben beide partijen zich dit niet gerealiseerd, ook Naborgh niet, althans zij heeft hierover onvoldoende duidelijkheid verschaft, mede gezien de inhoud van het onder 2.15 vermelde e-mailbericht van 26 november 2019.

4.4

De onder 2.8 en 2.9 vermelde berichtgeving heeft een informerend karakter gehad en beschouwt de kantonrechter niet als een opzegging van de arbeidsovereenkomst. In deze berichtgeving wordt [verzoekster] erover geïnformeerd dat haar arbeidsovereenkomst per

11 oktober 2019 door een andere entiteit wordt voortgezet als gevolg van een overgang van activiteiten.

4.5

Bij deze stand van zaken geldt dat de rechten en verplichtingen die voor Naborgh voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst tussen haar en [verzoekster] op 11 oktober 2019 van rechtswege zijn overgegaan op [bedrijf 4] , terwijl Naborgh nog gedurende een jaar hierna naast [bedrijf 4] hoofdelijk verbonden is voor de nakoming van de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst, ontstaan vóór dat tijdstip. Voor de nakoming van ontstane verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst vanaf 11 oktober 2019 is alleen [bedrijf 4] verbonden. Dat geldt dan tot 25 november 2019, want toen is [verzoekster] bij een andere werkgever in dienst getreden.

4.6

Het vorenstaande betekent voor de door [verzoekster] gedane verzoeken dat deze moeten worden afgewezen. Er is immers geen sprake geweest van opzegging van haar arbeids-overeenkomst. [verzoekster] is vanaf 11 oktober 2019 niet in dienst van Naborgh, zodat er geen grond is Naborgh te veroordelen tot betaling van loon vanaf die datum. Voor toekenning van een billijke vergoeding is evenmin grond aanwezig. Dat geldt ook voor de nevenverzoeken.

4.7

De kantonrechter ziet aanleiding de proceskosten te compenseren, in die zin dat elk van partijen de eigen kosten draagt. Gelet op de onduidelijke situatie die voor [verzoekster] is ontstaan, waar Naborgh verantwoordelijkheid voor draagt, zou het onjuist zijn [verzoekster] met de proceskosten van Naborgh te belasten.

5. De beslissing

De kantonrechter:

wijst het verzochte af;

compenseert de proceskosten in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. H.M. van de Ven en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

465