Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:3104

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
10-04-2020
Datum publicatie
11-04-2020
Zaaknummer
KTN-8225235_10042020
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Regresvordering uit overeenkomst van geldlening verjaard. Vordering afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8225235 CV EXPL 19-53508

uitspraak: 10 april 2020

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats eiseres] ,

eiseres,

gemachtigde: mr. N. Bekri,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats gedaagde] ,

gedaagde,

gemachtigde: mr. M.P. Kloppenburg.

Partijen worden hierna aangeduid als “ [eiseres] ” en “ [gedaagde] ”.

1. Het verloop van de procedure

1.1

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen:

  • -

    het exploot van dagvaarding van 18 juli 2019, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord, tevens houdende een exceptie van onbevoegdheid, met productie;

  • -

    het vonnis van deze rechtbank, team handel en haven, van 4 december 2019, waarbij de zaak is verwezen naar de kantonrechter;

  • -

    het vonnis van de kantonrechter van 27 januari 2020, waarbij een comparitie van partijen is bepaald;

  • -

    het proces-verbaal van de op 10 maart 2020 gehouden comparitie van partijen.

1.2

De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen, voor zover van belang, het volgende vast.

2.1

Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad en met elkaar samengewoond. In 2009 is hieraan een einde gekomen.

2.2

Op 23 januari 2008 zijn partijen een overeenkomst van geldlening aangegaan met VoordeelBank B.V., onderdeel van InterBank N.V., die aan hen een doorlopend krediet van € 25.000,- heeft verstrekt, waarop maandelijks tenminste € 375,- diende te worden afgelost.

2.3

[eiseres] heeft alle aflossingen betaald.

2.4

Op 4 juni 2014 was de lening geheel afgelost. Bij brief van 15 december 2014 heeft InterBank dit meegedeeld aan [eiseres] .

3. Het geschil

3.1

[eiseres] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

  1. de verdeling van de boedel, die ten tijde van de beëindiging van de relatie van partijen en de verbreking van de samenwoning bestond, vast te stellen met dien verstande dat de gezamenlijke lening van partijen bij helfte aan elk van hen wordt toebedeeld;

  2. te bepalen dat, gezien het feit dat de lening is geëindigd door aflossing ervan door [eiseres] , thans een persoonlijke vordering bestaat van [eiseres] op [gedaagde] , gelijk aan de helft van de aflossing van de lening die door [eiseres] is voldaan;

  3. [gedaagde] te veroordelen om aan [eiseres] € 15.790,- te voldoen, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 15 december 2014, althans vanaf de dag van de dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening;

  4. [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten.

3.2

Aan haar vordering legt [eiseres] - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - ten grondslag dat partijen samen voormelde overeenkomst van geldlening zijn aangegaan, maar dat zij de lening, inclusief rente en kosten, volledig heeft afgelost. In totaal gaat het om een bedrag van € 31.580,-. [gedaagde] heeft zijn deel hiervan nooit betaald. Er is sprake van een onverdeelde gezamenlijke boedel waarvan de geldlening deel uitmaakt. [eiseres] wil daarom dat de boedel wordt verdeeld in die zin dat partijen ieder de helft van de gezamenlijke lening wordt toebedeeld en dat bepaald wordt dat zij een persoonlijke vordering heeft op [gedaagde] ten belope van de helft van de lening. Tevens vordert zij de betaling van € 15.790,-, met rente.

3.3

[gedaagde] voert verweer tegen de vordering en concludeert - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - tot afwijzing daarvan, met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten.

3.4

De stellingen van partijen worden voor zover nodig in het kader van de beoordeling van de vordering nader besproken.

4. De beoordeling

4.1

De vermogensrechtelijke verhouding tussen partners die op basis van een affectieve relatie samenwonen, zoals [eiseres] en [gedaagde] voorheen, wordt niet bepaald door de regels die in de titels 6-8 van Boek 1 BW voor echtgenoten en geregistreerde partners zijn opgenomen, en die regels lenen zich niet voor overeenkomstige toepassing op de verhouding tussen samenwoners. Samenwoners hebben juridisch gezien gescheiden vermogens. Wel kunnen zij gezamenlijk goederen in bezit hebben, waardoor een eenvoudige gemeenschap kan bestaan. Een lening is echter een schuld en geen goed. Van een eenvoudige gemeenschap is daarom geen sprake, waardoor een schuld niet verdeeld kan worden. De rechter kan slechts de onderlinge draagplicht vaststellen. Dit betekent dat de vordering onder 1. afgewezen dient te worden.

4.2

Als één van de partners aan een schuldeiser meer dan zijn aandeel dat voortvloeit uit de onderlinge draagplicht in de schuld voldoet, krijgt deze een regresvordering op de andere partner. Het feit dat een lening gezamenlijk is aangegaan, waarbij beide partners hoofdelijk aansprakelijk zijn, brengt echter niet automatisch met zich dat ieder van de partners voor de helft draagplichtig is (ECLI:NL:HR:2012:BW4206), zoals [eiseres] stelt. Aan een beoordeling van de vraag of [eiseres] een regresvordering heeft op [gedaagde] komt de kantonrechter echter niet toe, want [gedaagde] beroept zich terecht op verjaring van deze eventuele rechtsvordering van [eiseres] .

4.3

Gezien het arrest van de Hoge Raad van 6 april 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BU3784) is het bepaalde in artikel 3:310 lid 1 BW van toepassing op regresvorderingen uit hoofde van artikel 6:10 BW. Dit betreft regresvorderingen op een hoofdelijk medeschuldenaar, zoals in dit geval de vordering van [eiseres] op [gedaagde] , die hoofdelijk medeschuldenaar zijn geweest

ter zake van het onder 2.2 vermelde doorlopend krediet van € 25.000,-. Ten aanzien hiervan geldt een verjaringstermijn van vijf jaar, die aanvangt op de dag na die waarop de schadevordering opeisbaar is geworden (en dus niet het moment waarop de totale schadeomvang bekend is geworden, zoals [eiseres] stelt). De regresvordering uit hoofde van artikel 6:10 BW ontstaat indien de hoofdelijke medeschuldenaar de vordering voldoet voor meer dan het gedeelte dat hem aangaat. In de onderhavige zaak is dat meer dan vijf jaar geleden gebeurd. Vast staat immers dat de geldlening op 4 juni 2014 geheel was afgelost. Het moment waarop een eventuele regresvordering van [eiseres] is ontstaan (en dus het moment waarop de verjaringstermijn is gaan lopen), ligt ruim voor die datum. Maar ook als uitgegaan wordt van 4 juni 2014 als het moment waarop de verjaringstermijn is gaan lopen, is de vordering verjaard. De dagvaarding is namelijk pas meer dan vijf jaar na die datum, te weten op 18 juli 2019, uitgebracht. Omdat verder gesteld noch gebleken is dat de verjaringstermijn is gestuit, is een eventuele regresvordering van [eiseres] verjaard. Daarom wordt ook het onder 2. en 3. gevorderde afgewezen.

4.4

[eiseres] wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten veroordeeld, aan de zijde van [gedaagde] vastgesteld op € 720,- aan salaris voor de gemachtigde.

5. De beslissing

De kantonrechter:

wijst het gevorderde af;

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [gedaagde] vastgesteld op € 720, aan salaris voor de gemachtigde.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Fiege en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

465