Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:3083

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
09-04-2020
Datum publicatie
10-04-2020
Zaaknummer
KTN-7440635_09022020
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

ontbinding koopovereenkomst camperstoelen ogv gebrekkige montage;

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Zaaknummer: 7440635 \ CV EXPL 19-18

uitspraak: 9 april 2020

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Dordrecht

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats eiser] ,

eiser,

gemachtigde: mr. M.H.J. Wegener,

tegen

[gedaagde] , handelend onder de naam [handelsnaam] ,

wonende te [woonplaats gedaagde] ,

gedaagde,

procederend in persoon.

Partijen worden hierna aangeduid als “ [eiser] ” en “ [gedaagde] ”.

1. Het verdere verloop van de procedure

Het verloop van de procedure volgt uit het volgende:

  • -

    het tussenvonnis van 3 oktober 2019;

  • -

    het deskundigenbericht van 23 oktober 2019;

  • -

    de conclusie na deskundigenbericht van de zijde van [eiser] ;

  • -

    de conclusie na deskundigenbericht van de zijde van [gedaagde] .

De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. De verdere beoordeling van het geschil

2.1

De kantonrechter verwijst naar de tussenvonnissen van 4 juli en 3 oktober 2019, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast dient te worden beschouwd. Hierin is reeds geoordeeld dat [gedaagde] niet tekortgeschoten is ten aanzien van zijn verplichting tot het leveren van deugdelijke stoelen. Met betrekking tot de vraag of [gedaagde] bij de montage van de stoelen tekortgeschoten is in de nakoming van de overeenkomst is overwogen dat een deskundigenonderzoek noodzakelijk is om vast te kunnen stellen of daarvan sprake is geweest. Daartoe is benoemd tot deskundige de heer [naam] , Technical Ergonomist bij [bedrijf] (hierna: de deskundige).

2.2

De deskundige heeft in zijn rapport van 23 oktober 2019 geconcludeerd dat de montage van de stoelen in de camper beter had gekund en gemoeten. De hendel om de sleden te ontgrendelen is te dicht op de draaiplaat gemonteerd. Voor normaal gebruik dient de vrije ruimte minimaal 25mm te zijn, maar deze is slechts enkele millimeters. De hendel is daardoor lastig te bedienen en kan tevens beklemming van de vingers veroorzaken. Voorts zit op de stoelen te veel speling. Hoewel de deskundige van mening is dat ook de leeftijd van de camper hierbij van invloed is, heeft hij geconstateerd dat de stoelen vanuit het middelpunt te ver naar achteren zijn gemonteerd en dat te korte montagekokers zijn gebruikt. Voorts heeft hij geconstateerd dat de kokers op het draaiplateau zijn gemonteerd door de koker van een M8-schroefdraad te voorzien en deze met een bout vast te zetten. Het materiaal van de koker is hiervoor echter veel te dun en daarmee ongeschikt. Daarnaast stelt hij dat, nu een gordelslot aan de stoel is gemonteerd, de stoelen met in totaal 6 bouten dienen te worden gemonteerd in verband met de krachten die op de gehele constructie kunnen ontstaan in geval van een aanrijding. Doordat zowel bij de bestuurdersstoel als de bijrijdersstoel de originele montagebouten aan de achterzijde niet zijn (her)gebruikt, kan er bij een crash dus een onveilige situatie ontstaan. Ten slotte was sprake van een klapperende stoel als gevolg van een losliggende M8-bout, waarbij de deskundige echter niet kan vaststellen of dit reeds het geval was ten tijde van de montage of dat dit probleem later is ontstaan. Wel stelt hij vast dat er geen zogenaamde borgmoeren zijn gebruikt, hetgeen wel aan te raden is bij dergelijke montages.

2.3

De kantonrechter ziet geen aanleiding om aan de bevindingen van de deskundige te twijfelen en maakt diens bevindingen tot de zijne. [gedaagde] heeft weliswaar betwist dat sprake is van minimale wettelijke eisen met betrekking tot de verstelling, het aantal bouten en de dikte van de gebruikte materialen en gesteld dat de stoelen zijn gemonteerd op de bestaande draaiplateaus die al enige speling hadden als gevolg van het gebruik, maar dit doet niet af aan de conclusie van de deskundige dat het gebruik van te korte en te dunne montagekokers in combinatie met de plaatsing van de stoelen op de plateaus en de bevestiging met te weinig schroeven, leidt tot een onveilige situatie in geval van een aanrijding. Het had derhalve op de weg van [gedaagde] gelegen om de stoelen op een andere wijze te monteren dan wel af te zien van montage. Dat [eiser] als niet ter zake kundige consument bij de montage aanwezig is geweest en – hetgeen hij overigens betwist – na afloop te kennen zou hebben gegeven dat hij tevreden was met de montage, doet daar niet aan af. [gedaagde] is dan ook tekortgeschoten in zijn verplichting tot deugdelijke montage van de stoelen.

2.4

Zoals reeds in het tussenvonnis van 4 juli 2019 is overwogen maakt de montage onlosmakelijk onderdeel uit van de overeenkomst tussen partijen en rechtvaardigt in beginsel iedere tekortkoming in de nakoming van een overeenkomst de ontbinding daarvan. Nu [eiser] is geslaagd in zijn bewijsopdracht, daarmee is komen vast te staan dat sprake is van een ondeugdelijke montage van de stoelen en [gedaagde] naar aanleiding van de ingebrekestelling in het e-mailbericht van 8 augustus 2018 niet althans onvoldoende bereid is geweest om kosteloos tot herstel over te gaan, heeft [eiser] terecht ontbinding van de koopovereenkomst gevorderd. Die ontbinding zal worden toegewezen. Als gevolg van de uit de ontbinding voortvloeiende ongedaanmakingsverplichtingen is [gedaagde] gehouden tot terugbetaling van de aankoopprijs van € 1.250,-. Ten overvloede wordt opgemerkt dat dan in beginsel op [eiser] de verplichting rust tot teruglevering van de stoelen.

2.5

Voorts is [gedaagde] in verband met zijn tekortschieten gehouden tot vergoeding van eventuele aanvullende en/of ontbindingsschade. Zoals reeds in het tussenvonnis van 4 juli 2019 is bepaald, zullen de gevorderde reiskosten van en naar Werkendam en de separaat bovenop de proceskosten gevorderde bedragen aan griffierecht en eigen bijdrage worden afgewezen.
De gevorderde reiskosten naar de montagewerkplaats en naar Wellcoll zijn als schade als gevolg van de ondeugdelijke montage wel toewijsbaar tot het in hoogte onweersproken bedrag van € 24,10 (€ 19,50 + 2 x € 2,30).

2.6

De gevorderde schade ter zake de kosten van demontage en deugdelijke her-montage van de stoelen door een derde partij heeft [eiser] onderbouwd met een brief van Wellcoll van 31 augustus 2018, waarin de herstelkosten indicatief worden begroot op een bedrag van (ruim boven de) € 3.500,-. Hoe Wellcoll tot dit bedrag is gekomen, wordt echter in het geheel niet inzichtelijk. Bovendien ziet genoemd bedrag van (ruim) € 3.500,- op de kosten om de door [gedaagde] geleverde stoelen – kort gezegd – beter bedienbaar te maken en niet op het terugbrengen van partijen in de situatie van vóór het sluiten van de overeenkomst. Ook heeft meergenoemd bedrag van € 3.500,- deels betrekking op schade aan de draaiplateaus en het bevestigingssysteem voor de voorstoelen (door toedoen van [gedaagde] ), welke schade op basis van de bevindingen van de deskundige niet is komen vast te staan. Ook dit bedrag zal gelet op het voorgaande worden afgewezen.

2.7

Al met al zal een bedrag van in totaal € 1.274,10 aan hoofdsom worden toegewezen.

2.8

Nu niet weersproken is dat er buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht en ook overigens aan de wettelijke vereisten voor toewijzing van buitengerechtelijke incassokosten is voldaan, zullen de buitengerechtelijke kosten van € 226,88 inclusief btw, die gelet op het toegewezen bedrag aan hoofdsom en de gebruikelijke tarieven redelijk worden geacht, worden toegewezen.

2.9

De onweersproken gebleven rente zal, als op de wet gegrond, worden toegewezen op de wijze als in het dictum weergegeven.

2.10

[gedaagde] zal, als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van de procedure, waaronder de kosten van het deskundigenbericht. Nu [eiser] procedeert op basis van een toevoeging blijven de verschotten beperkt tot het verschuldigde griffierecht en zal [gedaagde] voor de kosten van het deskundigenbericht een factuur ontvangen van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak (LDCR).

3. De beslissing

De kantonrechter,

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen € 1.500,98 aan hoofdsom en buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over € 1.274,10 vanaf
22 augustus 2018 tot aan de dag van algehele voldoening;

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiser] vastgesteld op:

  • -

    € 81,- aan verschotten en € 450,- aan salaris voor de gemachtigde, van welke bedragen het totaal rechtstreeks aan die gemachtigde dient te worden voldaan;

  • -

    € 874,95 (inclusief btw) aan kosten voor het deskundigenbericht, waarvoor [gedaagde] een factuur zal ontvangen van het LDCR;


verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het méér of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Joele en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

590