Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:2978

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
01-04-2020
Datum publicatie
07-04-2020
Zaaknummer
ROT-18_04808
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Door verweerder is terecht geen planschadevergoeding toegekend. Van een planologische verslechtering is geen sprake.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 18/4808

uitspraak van de meervoudige kamer van 1 april 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats eiser] , eiser,

gemachtigden: mrs. A. Bakker en J. Bax,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, verweerder,

gemachtigde: mr. E. van Lunteren.

Procesverloop

Bij besluit van 28 november 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder het namens eiser ingediende verzoek om planschade ter zake van het object [adres 1] te Rotterdam afgewezen.

Bij besluit van 2 augustus 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is gevoegd met de zaken ROT 18/4810 en ROT 18/4811 op 23 januari 2020 ter zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Bakker. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Na de sluiting van het onderzoek ter zitting is de behandeling van de gevoegde zaken gesplitst. In de zaken ROT 18/4810 en ROT 18/4811 is heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 6.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) kennen burgemeester en wethouders degene die in de vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van een in het tweede lid genoemde oorzaak, op aanvraag een tegemoetkoming toe, voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en voor zover de tegemoetkoming niet voldoende anderszins is verzekerd.

Op grond van artikel 6.1, tweede lid, onder a, van de Wro, is een oorzaak als bedoeld in het eerste lid, een bepaling van een bestemmingsplan niet zijnde een bepaling als bedoeld in artikel 3.3, artikel 3.6, eerste lid, of artikel 3.38, derde of vierde lid.

2. Eiser heeft het object [adres 1] te Rotterdam op 9 juni 2000 aangekocht. Op 25 oktober 2016 heeft eiser bij de gemeente Rotterdam een verzoek ingediend tot tegemoetkoming in planschade in verband met de daarbij aangenomen waardevermindering van zijn object [adres 1] als gevolg van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan “Kralingen-West” op de adressen [straatnaam 1] 199 t/m 207 , 222B en [adres 2] vanwege de functieaanduiding “maatschappelijk”.

3. De aanvraag heeft verweerder ter advisering voorgelegd aan de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (SAOZ). Op 27 november 2017 heeft de SAOZ advies uitgebracht. Dit advies heeft verweerder aan het primaire besluit ten grondslag gelegd.

4.1.

De SAOZ heeft in haar voornoemde advies vastgesteld dat de voorgaande planologie voor de betreffende locatie grotendeels uit het bestemmingsplan “Jericho” bestaat. Dit bestemmingsplan is vastgesteld op 28 februari 2002 en is op 30 augustus 2002 onherroepelijk geworden.

De percelen met de bestemming “Gemengde bebouwing I – GBI” konden gebruikt worden voor bedrijven in de bij de voorschriften behorende staat van bedrijfsactiviteiten, alsmede winkels, maatschappelijke voorzieningen en kantoren op de begane grond en woningen, al dan niet gestapeld, op de begane rond en de verdiepingen, met bijbehorende tuinen, erven en ontsluitingspaden.

De toegestane bedrijven waren onderverdeeld in de categorieën 1 en 2 en hieronder vielen bijvoorbeeld drukkerijen, bouwinstallatiebedrijven en begrafenisondernemingen.

Het begrip “maatschappelijke voorzieningen” was niet in de begripsbepalingen omschreven. Wel was er een separate bestemming “Maatschappelijke voorzieningen” waartoe blijkens de betreffende voorschriften hoorden: Sociale, culturele, medische, educatieve, religieuze of recreatieve doeleinden, dan wel ten behoeve van de openbare dienst met behorende erven en ontsluitingspaden.

Hoewel het begrip “maatschappelijke voorzieningen” niet nader in de begripsbepalingen was omschreven, zoekt de SAOZ voor dit begrip aansluiting bij de hiervoor genoemde gelijknamige bestemmingsvoorschriften.

Gronden met de bestemming “Tuin” waren bestemd voor tuinaanleg met de daarbij behorende paden, terrassen en vijvers. Hier mochten onder meer de ingevolge de bestemmingen “wonen” en “gemengde bebouwing I” toegestane uitstekende delen aan bouwwerken,worden gebouwd.

4.2.

Voor het perceel aan de [adres 3] gold het bestemmingsplan “Jaffa”. Dit bestemmingsplan is vastgesteld op 16 oktober 1986 en onherroepelijk geworden op 25 augustus 1988. De hier relevante gronden hadden de bestemming “Bijzondere doeleinden – BD”.

Deze gronden waren bestemd voor bouwwerken ten dienste van sociale, culturele, medische, educatieve, recreatieve of godsdienstige doeleinden, dan wel ten behoeve van de openbare dienst, met de daarbij behorende ontsluitingswegen en paden, parkeerplaatsen, groenvoorzieningen, met dien verstande dat de volgende bouwwerken waren uitgezonderd:

- Algemene en categorale psychiatrische ziekenhuizen; (…),

zoals bedoeld in artikel 4, lid 3, onder b, van het Besluit grenswaarden binnen zones langs wegen, zoals dit luidde op het tijdstip van ter visie legging van het ontwerp van dit bestemmingsplan.

4.3.

Voor de hier relevante gronden geldt thans het bestemmingsplan “Kralingen-West”. Dit is vastgesteld op 11 juli 2013 en op 22 januari 2014 onherroepelijk geworden.

Een belangrijk deel van de hier relevante gronden heeft de bestemming “Gemengd”.

De SAOZ heeft een onderverdeling gemaakt in zeven vlakken.

Binnen vlak 1 (het object van eiser) geldt de bestemming “Gemengd -1”. De gewraakte ontwikkeling heeft zich buiten dit vlak voorgedaan.

Voor de vlakken 2, 3 en 4 geldt eveneens de bestemming “Gemengd -1”.

Deze objecten mogen gebruikt worden ten behoeve van woningen op de begane grond en op de verdiepingen. Met inachtneming van bepaalde voorwaarden mogen woningen mede gebruikt worden voor de uitoefening van een aan huis gebonden beroep/bedrijf.

Uitsluitend op de begane grond zijn toegestaan:

  • -

    Bedrijven t/m categorie 2 van de lijst van bedrijfsactiviteiten. Hiertoe behoren bijvoorbeeld kleine drukkerijen en kopieerinrichtingen, aannemersbedrijven met werkplaats met een bedrijfsoppervlak < 1.000 m2, handel in auto’s en motorfietsen, reparatie- en servicebedrijven. Bedrijfskantoren mogen per bedrijf niet meer dan 50% van het totale b.v.o. van het betreffende bedrijf innemen tot een maximum van 3.000 m2 b.v.o.;

  • -

    Detailhandel. Detailhandelsvestigingen mogen elk niet groter zijn dan 200 m2 b.v.o., met uitzondering van die vestigingen welke op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan groter zijn; deze grotere maat geldt dan als maximum;

  • -

    Dienstverlening;

  • -

    Kantoren. Zelfstandige kantoren mogen elk niet groter zijn dan 1.000 m2 b.v.o. met uitzondering van die kantoren welke op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan groter zijn; deze grotere maat geldt dan als maximum;

  • -

    Maatschappelijke voorzieningen die niet vallen onder de geluidsgevoelige functies genoemd in artikel 1 van de regels. Het begrip “Maatschappelijk” is als volgt omschreven ”Voorzieningen op het gebied van onderwijs, religie, cultuur, gezondheidszorg, maatschappelijke dienstverlening en publieke dienstverlening.”;

  • -

    De bij de toegestane functies behorende berg- en stallingsruimten en erf.

Voorts geldt voor deze vlakken de functieaanduiding ‘maatschappelijk”, hetgeen betekent dat deze gronden ook mogen worden aangewend voor maatschappelijke voorzieningen die vallen onder de geluidsgevoelige functies genoemd in artikel 1 van de regels.

Onder het begrip “Geluidsgevoelige functies (in de zin van de Wet geluidhinder) wordt verstaan: “Woningen, onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verpleeghuizen, andere gezondheidszorggebouwen dan de genoemde, alsmede de terreinen die behoren bij de andere gezondheidszorggebouwen, voor zover deze bestemd zijn of worden gebruikt voor de in die gebouwen verleende zorg, alsmede woonwagenstandplaatsen (delen van een onderwijsgebouw die niet zijn bestemd voor geluidsgevoelige onderwijsactiviteiten, vallen niet onder de Wet geluidhinder)”.

Vlakken 5, 6 en 7

Hiervoor geldt de bestemming “Gemengd – 3”.

Woningen zijn uitsluitend op de verdiepingen toegestaan. Met inachtneming van bepaalde voorwaarden mogen woningen mede gebruikt worden voor de uitoefening van een aan huis gebonden beroep/bedrijf. Uitsluitend op de begane grond zijn toegestaan:

  • -

    Bedrijven t/m categorie 2 van de lijst van bedrijfsactiviteiten. Hiertoe behoren bijvoorbeeld kleine drukkerijen en kopieerinrichtingen, aannemersbedrijven met werkplaats met een bedrijfsoppervlak < 1.000 m2, handel in auto’s en motorfietsen, reparatie- en servicebedrijven. Bedrijfskantoren mogen per bedrijf niet meer dan 50% van het totale b.v.o. van het betreffende bedrijf innemen tot een maximum van 3.000 m2 b.v.o.;

  • -

    Maatschappelijke voorzieningen die niet vallen onder de geluidsgevoelige functies genoemd in artikel 1 van de regels. Het begrip “Maatschappelijk” is als volgt omschreven ”Voorzieningen op het gebied van onderwijs, religie, cultuur, gezondheidszorg, maatschappelijke dienstverlening en publieke dienstverlening.”;

  • -

    Maatschappelijke voorzieningen die vallen onder de geluidsgevoelige functies genoemd in artikel 1 van de regels: “Woningen, onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verpleegtehuizen, andere gezondheidszorggebouwen dan de genoemde (t.w. verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken en kinderdagverblijven), alsmede de terreinen die behoren bij de andere gezondheidszorggebouwen, voor zover deze bestemd zijn of worden gebruikt voor de in die gebouwen verleende zorg, alsmede woonwagenstandplaatsen (delen van een onderwijsgebouw die niet zijn bestemd voor geluidsgevoelige onderwijsactiviteiten, vallen niet onder de Wet geluidhinder).”

  • -

    De bij de toegestane functies behorende berg-/stallingsruimte en erf.

Deze vlakken hebben weliswaar niet de functieaanduiding “maatschappelijk”, doch in de regels van de gemengde bestemming is expliciet bepaald dat op het adres [straatnaam 2] 23 t/m 27 tevens maatschappelijke voorzieningen die vallen onder de geluidsgevoelige functies genoemd in artikel 1 van de regels mogelijk zijn.

De gronden met de bestemming “Tuin – 1” zijn bestemd voor een tuin met de daarbij behorende verharding in de vorm van paden, terrassen en dergelijke, uitstekende delen aan gebouwen, aanbouwen en bijgebouwen bij grondgebonden woningen, bouwwerken geen gebouwen zijnde, en buiten(speel)ruimte bij een kinderdagverblijf bij als “maatschappelijk” aangeduide gronden.

Gronden aan de [adres 3]

Deze gronden hebben de hiervoor omschreven bestemming “Gemengd – 1” met de functieaanduiding “maatschappelijk” en tevens de functieaanduiding “horeca”. Laatstgenoemde aanduiding betekent dat ter plaatse zowel op de begane grond als op de verdieping horeca is toegestaan.

4.4.

De SAOZ stelt dat verder van belang is dat voorafgaand aan het bestemmingsplan “Jericho” er voor de nabije omgeving van het object van aanvrager geen bestemmingsplan van kracht was. Voor het bouwen gold alleen de “Bouwverordening Rotterdam 1993” (de Bouwverordening). Er golden geen gebruiksbeperkingen, zodat ter plaatse in principe alle vormen van gebruik mogelijk waren.

Daarnaast acht de SAOZ het van belang dat op 27 februari 2001 door “ [naam kinderopvang] ” een verzoek is ingediend om toestemming om de dienstwoning – behorende bij een op de begane grond gevestigde crèche – gelegen op de beletage van [adres 4] aan haar bestemming te onttrekken. Op 10 april 2002 is – onder het verlenen van vrijstelling van de Bouwverordening – vergunning verleend voor het vergroten van de kinderopvang in het pand [adres 4] .

5.1.

Op grond van de onder rechtsoverweging 4 vastgestelde planologie heeft de SAOZ in het kader van de planologische vergelijking gesteld dat binnen de gemengde bebouwing er voor wat betreft de begane grond onder meer diverse bedrijfsactiviteiten in de categorieën 1 en 2 en maatschappelijke voorzieningen waren toegestaan.

Ook binnen de maatschappelijke voorzieningen-bestemming waren reeds maatschappelijke voorzieningen mogelijk zowel op de begane grond als op de verdieping. Er was destijds geen sprake van het uitsluiten van (bepaalde) geluidsgevoelige functies. Een (omvangrijk) kinderdagverblijf was binnen deze bestemmingsvlakken dus reeds mogelijk.

In de erven en tuinen mochten zich uitstekende delen van bouwwerken ingevolge de gemengde bebouwing 1-, woon- of maatschappelijke voorzieningenbestemmingen bevinden. Hieruit leidt de SAOZ af dat de erven en tuinen als behorend bij de aangrenzende gemengde bebouwing 1-, woon- of maatschappelijke voorzieningenbestemmingen dienden te worden aangemerkt.

Onder het nieuwe regime zijn binnen de gemengde bestemmingen op de begane grond wederom onder meer bepaalde bedrijven in de categorieën 1 en 2 en maatschappelijke voorzieningen mogelijk, zowel die niet vallen onder de geluidsgevoelige functies genoemd in artikel 1 van de regels als die daar wel onder vallen. Ter plaatse is dus wederom een kinderdagverblijf mogelijk, waarvan de aangrenzende tuingronden als buitenspeelruimte mogen worden aangemerkt.

5.2.

De SAOZ stelt verder dat de belangrijkste planologische verandering en verruiming van de gebruiksmogelijkheden zich voordoet ter plaatse van vlak 5. Onder het oude regime was hier immers sprake van een woonbestemming en onder het nieuwe regime geldt hier een gemengde bestemming.

Gelet op de situering van het object van eiser binnen vlak 1 gaat van de verruiming binnen vlak 5 geen relevant nadeel uit op de onroerende zaak van eiser. De mogelijkheden op de tussengelegen gronden waren en zijn immers dermate ruim dat tussen het object van eiser en vlak 5 geen relevante relatie bestaat. Als gevolg van de planologische verandering heeft zich voor het object van eiser dus geen relevant planologisch nadeel voorgedaan.

5.3.

Ten aanzien van de gronden aan de [adres 3] stelt de SAOZ dat deze gronden onder het oude regime konden worden aangewend voor bijzondere doeleinden, waarbij een aantal specifieke inrichtingen waren uitgesloten. Onder het nieuwe regime zijn op basis van de gemengde bestemming op de begane grond onder meer bepaalde bedrijven in de categorieën 1 en 2 en maatschappelijke voorzieningen mogelijk, zowel die niet vallen onder de geluidsgevoelige functies genoemd in artikel 1 van de regels als die daar wel onder vallen. Voorts is ter plaatse zowel op de begane grond als op de verdieping horeca toegestaan. Ter plaatse heeft dus een verdere verruiming van de aanwendingsmogelijkheden plaatsgevonden.

De locatie aan de [adres 3] bevindt zich op een kortste afstand van circa 140 meter van het object van aanvrager, zeer zijdelings aan de overzijde van de straat. Gelet op deze relatief ruime tussengelegen afstand, de zeer zijdelingse situering en de tussengelegen doorgaande weg, bevindt deze locatie zich niet binnen de directe invloedssfeer van het object van eiser. Van een planologisch nadeel als gevolg van de planologische wijziging op deze gronden is dus geen sprake.

5.4.

De SAOZ komt op basis van het vorenstaande tot de conclusie dat voor het object van eiser geen relevante nadelige planologische effecten zijn ontstaan.

5.5.

Daarnaast stelt de SAOZ dat ten tijde van de aankoop van de woning van eiser op 9 juni 2000 uitsluitend de Bouwverordening van kracht was waardoor eiser rekening diende te houden met in principe alle vormen van gebruik op de nabij gelegen gronden, waaronder een (omvangrijk) kinderdagverblijf. Op grond hiervan dient volgens de SAOZ aan eiser actieve risicoaanvaarding te worden tegengeworpen. Zij verwijst in dit verband onder meer naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 21 december 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BU8882. In de Afdelingsuitspraak van 29 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1375, ging het ten tijde van de aankoop voorts om een vigerend regime van de gemeentelijke bouwverordening.

5.6.

De aanvraag dient, aldus de SAOZ, dus ook op basis van voorzienbaarheid ten tijde van de aankoop te worden afgewezen.

6. Bij het bestreden besluit heeft verweerder geoordeeld dat de deskundigheid van de behandelend adviseur van de SAOZ tevergeefs door eiser in twijfel is getrokken. Verweerder ziet voorts geen aanleiding voor het standpunt dat de SAOZ niet zou zijn te volgen in haar conclusie dat er geen sprake is van een effectieve planologische verslechtering. Ook is volgens verweerder geen sprake van een zodanige situatie dat de ervaringsdeskundige in de planvergelijking zich ter zake van het object [adres 3] specifiek had moeten laten voorlichten door een geluidsdeskundige, zoals eiser heeft gesuggereerd.

Omdat er geen overtuigend argument naar voren is gebracht waarom de conclusie van de SAOZ, dat geen sprake is van schade ten gevolge van de ingeroepen planologische maatregel, niet kan worden gevolgd heeft verweerder een beschouwing van de grieven van eiser over de voorzienbaarheid achterwege gelaten.

Tot slot stelt verweerder dat de vaststelling van het minimum forfait in dit geval niet aan de orde is omdat er van planschade geen sprake is.

7. In beroep stelt eiser zich te verbazen over het feit dat de onafhankelijke planschade-adviseur in de persoon van [naam] KRMT namens verweerder bij de Algemene Bezwaarschriftencommissie, kamer II (de commissie) is verschenen. Daarmee is volgens eiser de onpartijdigheid van deze adviseur niet geborgd. Eiser meent voorts dat de inhoud van het advies van de SAOZ bij hem de nodige twijfel oproept, nu [naam] enkel de titel KRMT heeft en daarmee dus geen woningen kan taxeren.

Eiser stelt zich daarnaast op het standpunt dat artikel 7.3.2 van de Bouwverordening met zich brengt dat het gebruik van de gronden ter plaatse wel degelijk was beperkt en dat het advies van de SAOZ dienaangaande niet klopt. Verder meent eiser dat niet uit het advies van de SAOZ is af te leiden dat, wat betreft de maximale mogelijkheden, er met de parapluherziening, vastgesteld op 24 februari 2000, en de tweede verzamelherziening inzake gebruiksbepaling, vastgesteld op 30 juni 2005, rekening is gehouden dan wel wat dit voor gevolgen heeft voor de planologische vergelijking.

Eiser stelt zich verder op het standpunt dat door de SAOZ onvoldoende duidelijk is gemaakt wat onder het oude bestemmingsplan was toegestaan. Dit gezien bijvoorbeeld de alinea’s: “Het begrip maatschappelijke voorzieningen was niet in de begripsbepaling omschreven. ……voor dit begrip aansluiting bij de gelijknamige bestemmingsvoorschriften”.

Eiser meent dat daaruit volgt dat de SAOZ uitgaat van aannames. Onder een maatschappelijke voorziening zou in dat geval (ruim opgevat) ook een elektriciteitscentrale bedoeld kunnen worden.

Eiser wijst voorts op een proces-verbaal van de rechtbank van 22 juli 2016. De WOZ-waarde van de [adres 1] is destijds verlaagd van € 260.000 naar een bedrag van

€ 176.000. De verlaging was het gevolg van de erkenning van verweerder van de overlast van het kinderdagverblijf. In dat kader verwijst eiser naar het tweede deel van overweging 10 van de uitspraak van de Afdeling van 23 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:747.

Eiser vraagt zich verder af of het bestemmingsplan “Jericho” wel juist is weergegeven, nu de in het rapport genoemde adressen onvolledig zijn. Daarnaast begrijpt eiser niet de relevantie van de in het advies van de SAOZ genoemde stukken aangaande het “ [naam kinderopvang] ”. Eiser vraagt zich in dit verband verder af of ter plaatste überhaupt de gronden als kinderopvang wel in gebruik mochten zijn. In het advies van de SAOZ wordt hierover geen helderheid geschapen. Dit heeft grote gevolgen voor de planologische vergelijking, die volgens eiser niet deugt, dit mede gezien de tekst van artikel 352 van de Bouwverordening.

Ook ten aanzien van de gronden aan de [adres 3] is er volgens eiser sprake van een planologisch nadeel. Nu is tevens op de verdieping “horeca” mogelijk. Hieruit volgt dat bij een kinderdagverblijf ter plaatse ook horeca activiteiten ontplooit kunnen worden, waaronder bijvoorbeeld een kinderdisco. Het geluid van deze disco zal wel degelijk een afstand van 145 meter kunnen overbruggen. Ook dit brengt nadeel voor eiser met zich mee. Nu de conclusie van het SAOZ-advies niet klopt heeft verweerder dit ten onrechte aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd.

8.1.

De rechtbank overweegt dat uit de gedingstukken volgt dat verweerder de adviseur van de SAOZ naar de zitting van de commissie heeft meegenomen teneinde de commissieleden de mogelijkheid te geven verduidelijking te verkrijgen op het door de SAOZ uitgebrachte advies. De rechtbank ziet niet in dat hiermee de onpartijdigheid van de adviseur in het geding komt. Door eiser worden ook geen omstandigheden naar voren gebracht waaruit zou moeten blijken dat van onpartijdigheid van de adviseur (tijdens de zitting) geen sprake zou zijn. Voorts geldt dat de SAOZ in de Afdelingsjurisprudentie als een onafhankelijk deskundige op het gebied van planschade wordt aangemerkt. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 18 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1338. Dat de SAOZ alleen in opdracht en ten behoeve van gemeenten en andere overheden werkt, betekent op zichzelf niet dat de SAOZ niet onafhankelijk is.

8.2.

Voorts overweegt de rechtbank dat niet is gebleken dat de adviseur van de SAOZ niet deskundig is. Of [naam] al dan niet woningen zou mogen taxeren is niet relevant. Van een taxatie is het immers niet gekomen omdat de SAOZ geen planverslechtering heeft vastgesteld. Indien er geen sprake is van planologisch nadeel of van de situatie dat de aanvraag dient te worden afgewezen op basis van voorzienbaarheid, zijn de aspecten die betrekking hebben op het taxeren niet relevant (zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 10 september 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3337 en van 1 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2927). Eisers stelling dat een persoon met de KRMT titel geen woningen kan taxeren, is naar het oordeel van de rechtbank in dit geschil dan ook niet relevant.

8.3.

Verweerder heeft ook overigens naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding hoeven zien voor het geven van een opdracht aan een andere deskundige.

9.1.

De rechtbank overweegt verder dat eiser aangetoond noch aannemelijk heeft gemaakt dat de planvergelijking van de SAOZ niet volledig is geweest. De rechtbank is van oordeel dat de SAOZ voldoende duidelijk heeft gemaakt wat onder het voorheen geldende planologische regime was toegestaan. Hierbij is een onderscheid gemaakt voor de gronden aan de [straatnaam 1] / [straatnaam 2] in de directe nabijheid van de [adres 1] , waar het bestemmingsplan “Jericho” gold en de gronden aan de [adres 3] , waar het bestemmingsplan “Jaffa” gold. Daarbij is een uiteenzetting gegeven van de soorten functies die waren toegelaten en vervolgens is beoordeeld in hoeverre deze qua ruimtelijke effecten gelijk of vergelijkbaar zijn met de functies die ingevolge de nieuwe planologische regime ter plaatse zijn toegestaan. In dit verband is de rechtbank van oordeel dat de SAOZ, nu het begrip maatschappelijke voorzieningen in de begripsbepalingen niet wordt omschreven, niet ten onrechte aansluiting heeft gezocht bij de separate bestemming. De rechtbank ziet daarnaast niet in dat het (niet volledig) noemen van alle adressen van invloed kan zijn op de planologische vergelijking. Evenmin heeft eiser onderbouwd dat de weergave van de planvoorschriften door de SAOZ onjuist zou zijn. Naar het oordeel van de rechtbank is ter zake van de planvergelijking niet tevens de parapluherziening en de tweede verzamelherziening inzake gebruiksbepaling van toepassing. Uit het betoog van eiser volgt bovendien niet waarom daar ten onrechte geen rekening mee is gehouden en wat daar de gevolgen van zouden zijn. De rechtbank overweegt verder dat het door eiser aangehaalde artikel 352 van de Bouwverordening bij de planvergelijking terecht niet is betrokken omdat in de onderhavige bestemmingsplannen voorschriften zijn verbonden over het gebruik van de in die plannen of voorschriften begrepen bouwwerken, open erven of terreinen.

9.2.

De stelling van eiser omtrent de mogelijkheid van horeca-activiteiten bij een kinderdagverblijf, zoals een kinderdisco, (in het pand [adres 3] ) maakt niet dat de door de SAOZ gemaakte planologische vergelijking een aanpassing behoeft. Eiser gaat namelijk voorbij aan het gegeven dat op basis van de oude bestemmingen “Gemengde bebouwing 1” en “Bijzondere doeleinden —BD” ter plaatse ook reeds geluid- en andere vormen van hinder veroorzakende activiteiten mogelijk waren, zoals een drukkerij, een muziekschool, muziekvereniging en/of een religieuze instelling. Ook was ondergeschikte horeca in de voorschriften niet uitgesloten.

10.1.

Bij een geconstateerd verschil in functie tussen de verschillende planologische regimes heeft verweerder vervolgens bezien of er voor wat betreft de [adres 1] kan worden gesproken van een planologische verslechtering als door eiser gesteld. In dit kader is door eiser niet betwist dat de belangrijkste planologische verandering en verruiming van de gebruiksmogelijkheden zich voordoet ter plaatse van het vlak 5. Onder het oude regime was hier sprake van een woonbestemming en onder het nieuwe regime geldt hier een gemengde bestemming. Evenmin is door eiser betwist dat de mogelijkheden op de tussengelegen gronden dermate ruim zijn, dat er, zoals de SAOZ stelt, tussen het object van eiser en vlak 5 geen relevante relatie bestaat. In dat geval kan gesteld worden dat er van een planologische verslechtering geen sprake is.

De stukken over het “ [naam kinderopvang] ” zijn in die zin relevant dat de SAOZ daarmee tevens wil aantonen dat van gemeentewege reeds voorafgaande aan de inwerkingtreding van het bestemmingsplan “Kralingen-West” het kindercentrum was toegestaan, waardoor er ook in die zin geen sprake is van een planologische verslechtering.

10.2.

Wat betreft de ingevolge het nieuwe regime toegestane horeca-activiteiten ter plaatse van de [adres 3] heeft de SAOZ met de ruimtelijke gevolgen daarvan rekening gehouden, in relatie ook tot hetgeen de voorheen geldende planologie reeds mogelijk maakte. Daarbij geldt dat de [straatnaam 1] een doorgaande weg voor verkeer in twee richtingen, inclusief tramverkeer betreft. Ook hiervan werden en worden bij het object van eiser dus al de nodige aan verkeer gerelateerde vormen van hinder ondervonden.

Verweerder kan in dit verband worden gevolgd in diens stelling dat gelet op de afstand en de situatie ter plaatse (invloedssfeer) eiser in dat verband evenmin een planologisch nadeel zal ondervinden. De enkele stelling dat geluid wel degelijk een afstand van 145 meter kan overbruggen, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om de beoordeling dat er in dit verband geen sprake is van een planologisch nadeel onvoldoende te achten en te concluderen dat verweerder niet langer van het advies van de SAOZ zou mogen uitgaan.

Wat betreft de horeca-activiteiten kan bovendien worden opgemerkt dat onder het oude planologische regime geluidhinder en andere vormen van hinder konden optreden die vergelijkbaar zijn met de mogelijkheden van het nieuwe planologische regime.

11. Doordat gelet op het vorenstaande geen sprake is van een planologische verslechtering, behoeft aan de taxatie van eisers object niet te worden toegekomen. In die zin zijn de stellingen van eiser over de WOZ-waarden in dit geschil niet relevant. In het geval eiser heeft bedoeld hiermee in het kader van de planvergelijking aan te willen tonen dat er wel degelijk een planologische verslechtering heeft plaatsgevonden, nu uit het proces verbaal van het verhandelde ter zitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank Rotterdam van 22 juli 2016 volgt dat de verlaging van de onroerende zaakbelastingen per waardepeildatum 1 januari 2014 het gevolg is van de overlast van het kinderdagverblijf, overweegt de rechtbank dat deze (hinderlijke) overlast niet het gevolg is van het gewijzigde planologische regime. Voorafgaande aan de planologische wijziging was het kinderdagverblijf ter plaatse immers al van gemeentewege door middel van vergunningverlening toegestaan. De planologische wijziging heeft daar geen verandering in gebracht.

12. Aan het aspect “minimum forfait” (toetsing normaal maatschappelijk risico) komt de rechtbank niet toe, omdat deze in dit geval niet toegepast hoeft te worden aangezien er geen planschade is vastgesteld. Er is immers geen sprake van een planologische verslechtering. Zie in dit verband de uitspraak van de Afdeling van 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2582.

13. Nu de rechtbank verweerder volgt in diens stelling dat geen sprake is van een planologische achteruitgang, behoeven de overige gronden van eiser die onder meer verband houden met de voorzienbaarheid geen bespreking.

14. Gelet op al het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat eiser geen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of de volledigheid van het advies van de SAOZ naar voren heeft gebracht. Verweerder heeft dan ook zijn besluitvorming kunnen baseren op dit advies. Het beroep is ongegrond.

15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.M.P.M. Weerdesteijn, voorzitter, en

mr. M.V. van Baaren en mr. F.A. Mulder, leden, in aanwezigheid van mr. A. Vermaat, griffier. De uitspraak is gedaan op 1 april 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het

Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra

het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar

uitgesproken.

De griffier is buiten staat De voorzitter is verhinderd te tekenen

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.