Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:2912

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
03-04-2020
Datum publicatie
06-04-2020
Zaaknummer
ROT 18/3839
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

intrekking vergunning die later bleek niet van rechtswege gegeven te zijn - intrekking niet op rechtsgevolg gericht - geen besluit - beroep gegrond - bezwaar alsnog niet-ontvankelijk

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2020/8234
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 18/3839

uitspraak van de meervoudige kamer van 3 april 2020 in de zaak tussen

[naam eiseres 1] , eiseres 1,

[naam eiseres 2] , eiseres 2,

hierna gezamenlijk te noemen eiseressen,

gemachtigde: mr. J. Geelhoed,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ridderkerk, verweerder,

gemachtigde: mr. K. van Geldorp.

Aan het geding heeft mede als partij deelgenomen:

[naam belanghebbende] , te [woonplaats belanghebbende] , belanghebbende,

gemachtigde: mr. J. de Vet.

Procesverloop

Bij brief van 8 november 2017 heeft verweerder de van rechtswege aan eiseressen verleende omgevingsvergunning voor het gebruik van het perceel [adres] in Ridderkerk ingetrokken.

Bij besluit van 11 juni 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseressen ongegrond verklaard.

Eiseressen hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Eiseressen hebben een nader stuk ingediend.

Verweerder heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

Belanghebbende heeft een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 juli 2019. Eiseressen en verweerder zijn verschenen bij hun gemachtigden. [naam belanghebbende] en zijn gemachtigde zijn met voorafgaande kennisgeving niet verschenen. Ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek geschorst tot

1 oktober 2019.

Eiseressen en verweerder hebben nadere stukken ingediend.

Op 21 januari 2020 heeft de rechtbank aan partijen meegedeeld dat de samenstelling van de meervoudige kamer is gewijzigd.

De rechtbank heeft besloten om een nader onderzoek ter zitting achterwege te laten. Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek op 31 maart 2020 gesloten.

Overwegingen

Inleiding

Omgevingsvergunning van rechtswege

1. Eiseressen zijn gevestigd aan de [vestigingsadres] in [vestigingsplaats] . Bij brief van 20 mei 2016 heeft [naam belanghebbende] verweerder verzocht om handhavend op te treden tegen de activiteiten op het perceel aan de [adres] in Ridderkerk (perceel). [naam belanghebbende] woont aan de [adres belanghebbende] in Ridderkerk, naast het perceel. Op het perceel worden prefab (woon)units geproduceerd en [naam belanghebbende] stelt daarvan overlast te ondervinden.

2. Bij brief van 7 juli 2016 heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de activiteiten van [naam eiseres 1] op het perceel in strijd zijn met het geldende bestemmingsplan ‘Bolnes’ (bestemmingsplan). Verweerder heeft [naam eiseres 1] daarom verzocht om de overtredingen vóór 1 december 2016 op te heffen door de bedrijfsactiviteiten op deze locatie te staken en gestaakt te houden.

3. Bij brief van 22 december 2016 hebben eiseressen verweerder verzocht om vervolgoverleg over de mogelijkheden om te komen tot legalisering van het bestaande gebruik. Ook is in deze brief opgenomen dat eiseressen, indien noodzakelijk, verweerder in het kader van dit overleg hierbij verzoeken om de verlening van een vergunning voor dit bij verweerder bekende (tot voor kort) bestaande gebruik door eiseressen.

4. Bij brief van 20 april 2017 heeft [naam] , afdelingshoofd toezicht en handhaving, van de gemeente Ridderkerk aangegeven dat de illegale situatie inmiddels ongedaan is gemaakt en dat er voor [naam eiseres 1] geen mogelijkheden zijn om zich alsnog op het perceel te vestigen.

5. Eiseressen hebben op 22 mei 2017 bezwaar gemaakt tegen de brief van 20 april 2017. Bij brief van 7 juni 2017 hebben eiseressen verweerder erop gewezen dat in hun bezwaarschrift de vraag is opgenomen om de omgevingsvergunning bekend te maken die inmiddels van rechtswege is verleend.

6. Bij besluit van 8 november 2017 heeft verweerder het bezwaar gegrond verklaard, de brief van 20 april 2017 herroepen en bekendgemaakt dat van rechtswege een omgevingsvergunning is verleend. Op dezelfde dag is deze vergunning ingetrokken bij brief van 8 november 2017.

7. Eiseressen en [naam belanghebbende] hebben beroep ingesteld tegen het besluit van

8 november 2017. Bij uitspraak van 8 augustus 2018 (zaaknummers ROT 17/7256 en

ROT 17/7257) heeft deze rechtbank de beroepen niet-ontvankelijk verklaard vanwege het ontbreken van procesbelang. De rechtbank heeft overwogen dat met de intrekking van de omgevingsvergunning de grondslag aan het geschil is komen te ontvallen.

8. Tegen deze uitspraak van de rechtbank is hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling). Bij uitspraak van 28 juni 2019 heeft de Afdeling het hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank van

8 augustus 2018 vernietigd en het besluit van verweerder van 8 november 2017 vernietigd, voor zover daarbij bekend is gemaakt dat een vergunning van rechtswege is gegeven (ECLI:NL:RVS:2019:2123). Naar het oordeel van de Afdeling is geen vergunning van rechtswege gegeven.

Het bestreden besluit

9. Bij brief van 8 november 2017 heeft verweerder de van rechtswege verleende omgevingsvergunning op grond van artikel 2.33, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht ingetrokken. Volgens verweerder maakt de omgevingsvergunning het mogelijk dat een bedrijf van milieucategorie 3.2 het perceel gebruikt. Dat is op grond van het bestemmingsplan niet toegestaan. Deze vergunning voldoet niet aan de VNG-handreiking ‘Bedrijven en Milieuzonering’ (Handreiking), omdat er geen voldoende ruimtelijke scheiding tussen het bedrijf en de woningen is om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te garanderen. De richtafstand is 100 meter, terwijl de dichtstbijzijnde woning aan de [adres belanghebbende] in Ridderkerk zich op 0 meter afstand van het bedrijf bevindt. Er zijn geen mogelijkheden om voorschriften te verbinden aan de omgevingsvergunning om de nadelige gevolgen te voorkomen, aldus verweerder.

10. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseressen ongegrond verklaard. Hierbij is verweerder afgeweken van het advies van de commissie bezwaarschriften (commissie) van 19 april 2018. De commissie heeft geadviseerd om het bezwaar gegrond te verklaren. Weliswaar volgt verweerder het advies van de commissie dat aansluiting moet worden gezocht bij de Handreiking, maar verweerder volgt niet dat het op zijn weg had gelegen om meer onderzoek te doen naar de activiteiten op het perceel en de toepasselijke milieucategorie. Het is niet van belang welke activiteiten op dit moment op het perceel plaatsvinden, maar het gaat erom welke activiteiten zijn vergund, aldus verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

11.1.

Bij de genoemde uitspraak van 28 juni 2019 heeft de Afdeling overwogen dat [naam eiseressen] (eiseressen) op 22 december 2016 een brief heeft gestuurd aan verweerder met daarbij een vertrouwelijk advies van haar advocaat van 16 december 2016 over de mogelijke strijdigheid met het bestemmingsplan. In de brief staat voor zover hier van belang: "Gelet daarop verzoeken wij om vervolgoverleg over de mogelijkheden om te komen tot legalisering van het bestaande gebruik. Indien noodzakelijk verzoeken wij hierbij in het kader van dit vooroverleg om de verlening van een vergunning voor dit bij uw college bekende (tot voor kort) bestaande gebruik door de beide vennootschappen." Onder verwijzing naar haar rechtspraak, met name de uitspraak van 20 maart 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:829), heeft de Afdeling geoordeeld dat de brief van 22 december 2016 niet als een aanvraag kan worden beschouwd. Prefab heeft het verzoek om omgevingsvergunning gedaan in een brief die is gestuurd in het kader van een vooroverleg in een handhavingsprocedure. Het verzoek is niet gedaan in een zelfstandig stuk. Verder ontbreken concrete gegevens. Dit betekent dat geen vergunning van rechtswege is gegeven, aldus de Afdeling.

11.2.

Door de uitspraak van de Afdeling van 28 juni 2019 staat in rechte vast dat geen omgevingsvergunning van rechtswege is gegeven. Als geen omgevingsvergunning van rechtswege is gegeven, kan deze vergunning ook niet worden ingetrokken. Dit betekent dat de brief van 8 november 2017 niet op zelfstandig rechtsgevolg is gericht en geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht is. Verweerder had het bezwaar van eiseressen daarom niet ongegrond moeten verklaren, maar niet-ontvankelijk moeten verklaren. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en het bezwaar van eiseressen alsnog niet-ontvankelijk verklaren. Dit betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk zal beoordelen. De gronden van beroep behoeven daarom geen bespreking meer.

Conclusie

12. Het beroep is gegrond, omdat verweerder het bezwaar van eiseressen niet-ontvankelijk had moeten verklaren. De rechtbank zal het bestreden besluit dan ook vernietigen, het bezwaar van eiseressen niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

13. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder het door eiseressen betaalde griffierecht van € 338,- aan hen vergoeden.

14. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseressen in beroep gemaakte proceskosten. Het bedrag van deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.050,- voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 525,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- verklaart het bezwaar van eiseressen niet-ontvankelijk;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- bepaalt dat verweerder het door eiseressen betaalde griffierecht van € 338,- aan hen vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseressen tot een bedrag van

€ 1.050,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Flikweert, voorzitter, en

mr. W.M.P.M. Weerdesteijn en mr. F.P.J. Schoonen, leden, in aanwezigheid van

mr. J.G. Bos, griffier. Deze uitspraak is gedaan op 3 april 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

De griffier is buiten staat De voorzitter is verhinderd te tekenen

griffier voorzitter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.