Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:2904

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
26-03-2020
Datum publicatie
03-04-2020
Zaaknummer
591940 SN EA 20/263-264
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Toewijzing verzoek moratorium. Voldoende aannemelijk dat lopende verplichtingen kunnen en zullen worden voldaan.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 287b
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie

voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing

toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk

rekestnummers: [nummer]

uitspraakdatum: 26 maart 2020

[verzoeker] ,

[adres]

[woonplaats]

verzoeker.

1 De procedure

Verzoeker heeft op 20 februari 2020, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.

In het vonnis van deze rechtbank van 24 februari 2020 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 19 maart 2020.

Ter zitting van 19 maart 2020 zijn verschenen en gehoord:

  • -

    de heer [naam 1] , werkzaam bij Kredietbank Rotterdam (hierna: SHV);

  • -

    de heer [naam 2] , werkzaam bij Stockhoed III Beheer, gevestigd te Rotterdam (hierna: verweerster).

De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2 Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden de huurovereenkomst voor de woonruimte van verzoeker op te zeggen of te ontbinden.

Uit het verzoekschrift blijkt dat bedoeld is een verzoek in te dienen om de tenuitvoerlegging van het vonnis van de Rechtbank Rotterdam van 17 oktober 2019 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker te verbieden. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.

SHV heeft ter zitting onder meer verklaard dat verzoeker hem op 18 maart 2020 telefonisch heeft bevestigd dat de lopende huur is overgemaakt en dat hij het betaalbewijs (en andere door de rechtbank opgevraagde stukken) mee zou nemen naar de zitting. Het verbaast SHV dat verzoeker niet ter zitting is verschenen.

Bij e-mailbericht van 20 maart 2020 heeft SHV de rechtbank bericht dat verzoeker telefonisch heeft bericht dat hij wel op tijd aanwezig was voor de zitting, maar dat hij weer werd weggestuurd met de mededeling dat er geen zittingen plaatsvonden in verband met de ontwikkelingen rondom het corona-virus. Bij e-mailbericht met bijlage van 23 maart 2020 heeft SHV aangetoond dat de lopende huur over maart 2020 door verzoeker is voldaan.

3 Het verweer

Verweerster heeft onder meer verklaard dat de huurvordering thans ruim € 5.000,-- bedraagt en dat verzoeker ondanks betalingstoezeggingen in februari 2020 slechts € 30,-- en € 350,-- heeft betaald. Sindsdien is niets meer betaald, hetgeen laatstelijk is gecontroleerd op dinsdag 17 maart 2020, aldus verweerster ter zitting. Verweerster constateert dat zij al twee keer eerder coulant is geweest en dat zij van mening is dat het verzoek moet worden afgewezen, te meer nu verzoeker niet ter zitting is verschenen.

4 De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoeker een kopie van het vonnis van de Rechtbank Rotterdam van 17 oktober 2020 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker en een kopie van het exploot van 12 februari 2020 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 25 februari 2020 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoeker, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.

De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.

Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoeker enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.

Het belang van verzoeker bestaat erin dat hij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoeker kan worden doorlopen.

Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 17 oktober 2019 ten uitvoer kan leggen.

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoeker zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.

De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.

Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoeker gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoeker te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

5 De beslissing

De rechtbank:

- schort de tenuitvoerlegging op van het op 17 oktober 2019 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoeker gelegen aan de [adres] te [woonplaats] , voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;

- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden;

- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;

- bepaalt dat SHV die namens verzoeker de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;

- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.

Dit vonnis is gewezen door mr. drs. J.C.A.T. Frima, rechter, en in aanwezigheid van

A. Vervoorn, griffier, in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2020.

De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen