Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:2896

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
03-04-2020
Datum publicatie
16-04-2020
Zaaknummer
8187543
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

zorgverzekering, betalingsachterstand

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8187543 \ CV EXPL 19-51241

uitspraak: 3 april 2020

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

de naamloze vennootschap

VGZ Zorgverzekeraar N.V.,

gevestigd te Arnhem,

eiseres,

gemachtigde: Inkassier Gerechtsdeurwaarders & Incasso te Arnhem,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats gedaagde] ,

gedaagde,

procederend in persoon.

Partijen worden hierna verder aangeduid als “VGZ” en “ [gedaagde] ”.

1. Het verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen.

  • -

    het exploot van dagvaarding van 30 oktober 2019, met producties;

  • -

    de aantekeningen van de griffier van het mondelinge antwoord van [gedaagde] op de rolzitting van 12 december 2019, bij welke gelegenheid [gedaagde] één productie in het geding heeft gebracht;

  • -

    de conclusie van repliek, met producties;

  • -

    het schriftelijke verweer van [gedaagde] , ingediend op de rolzitting van 4 maart 2020, met één productie.

1.2.

De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen, voor zover van belang, het volgende vast.

2.1.

Tussen partijen is een zorgverzekeringsovereenkomst met polisnummer [polisnummer] /VGZ tot stand gekomen. Op grond van deze overeenkomst is [gedaagde] verzekeringspremie, eigen risico, eigen bijdrage en eventuele door VGZ voorgeschoten zorgkosten verschuldigd.

2.2.

[gedaagde] heeft een achterstand in de betaling van de verzekeringspremie en zorgkostennota’s laten ontstaan.

3. Het geschil

3.1.

VGZ heeft bij dagvaarding gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen aan haar te betalen een bedrag van € 500,00, te vermeerderen met rente en kosten.

3.2.

Aan haar vordering legt VGZ - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - het volgende ten grondslag. [gedaagde] is bij VGZ conform de Zorgverzekeringswet verzekerd. Op grond van de overeenkomst is [gedaagde] gehouden de verschuldigde premie voor de basisverzekering en eventueel aanvullende verzekering(en) bij vooruitbetaling te voldoen. Daarnaast is [gedaagde] eveneens gehouden eventuele andere facturen, waaronder zorgkostennota’s en/of eigen risico-nota’s, aan VGZ te voldoen. VGZ heeft de uit hoofde van de verzekering verschuldigde bedragen bij [gedaagde] in rekening gebracht. Van deze bedragen heeft [gedaagde] aanvankelijk € 1.190,10 onbetaald gelaten. De betalingsachterstand heeft betrekking op de verschuldigde premie over de periode 1 januari 2019 tot en met 31 juli 2019, een tweetal zorgkostennota’s met als factuurdata respectievelijk 11 maart 2019 en 11 juni 2019. Van deze achterstand heeft [gedaagde] een totaalbedrag van € 648,42 aan VGZ voldaan. [gedaagde] is, ondanks aanmaning, in gebreke gebleven met voldoening van het restant, zodat VGZ haar vordering ter incasso uit handen heeft gegeven. VGZ maakt tevens aanspraak op de wettelijke rente over de openstaande hoofdsom en een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten.

De vordering van VGZ is dientengevolge als volgt opgebouwd:

Hoofdsom € 1.190,10

Wettelijke rente tot 21-10-2019 € 8,69

Buitengerechtelijke kosten € 137,54

--------------

Subtotaal € 1.336,30

Voldaan aan VGZ € 648,42 -/-

--------------

Totaal € 687,91

VGZ beperkt om haar moverende redenen haar vordering tot € 500,00 aan hoofdsom, maar reserveert uitdrukkelijk haar rechten voor het resterende deel.

3.3.

[gedaagde] heeft de vordering betwist en heeft daartoe - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - het volgende aangevoerd. [gedaagde] heeft de premies van 2018 volledig betaald. Ook de premies van de maanden januari 2019 tot en met mei 2019 zijn betaald. [gedaagde] stelt dat het premiebedrag thans € 112,95 bedraagt en dat hij maandelijks € 108,07 betaalt. [gedaagde] stelt dat hij geen groot bedrag aan VGZ verschuldigd is.

Voorts stelt [gedaagde] dat zowel hij als de Kredietbank Rotterdam geen brieven van VGZ ontvangen heeft. Tevens geeft [gedaagde] aan dat er inmiddels een betalingsregeling van € 125,00 per maand is getroffen, zodat het voeren van onderhavige procedure niet nodig was. [gedaagde] stelt bovendien reeds zowel op 6 december 2019, 28 januari 2020 als op 25 februari 2020 betalingen te hebben gedaan naar aanleiding van de getroffen betalingsregeling.

4. De beoordeling

4.1.

VGZ heeft gesteld dat de maandelijks door [gedaagde] verschuldigde premie voor het jaar 2019 € 112,48 bedraagt en niet - zoals [gedaagde] stelt - € 112,95. Deze stelling van VGZ vindt steun in de door haar overgelegde herinneringen en aanmaningen alsmede in de niet door [gedaagde] weersproken stelling dat het nieuwe premiebedrag voor 2019 vooraf aan [gedaagde] gecommuniceerd is via het verstrekte polisblad. Desondanks betaalt [gedaagde] ook in 2019 nog altijd het in 2018 verschuldigde maandbedrag van € 108,07. Dit betekent dat [gedaagde] maandelijks een te laag bedrag betaalt. Dat [gedaagde] alle premie voor het jaar 2018 heeft voldaan, is niet relevant, nu onderhavige vordering geen betrekking heeft op verschuldigde premie uit 2018.

4.2.

VGZ heeft bij haar conclusie van repliek een overzicht in het geding gebracht van alle door [gedaagde] verschuldigde bedragen van januari 2019 tot en met juli 2019 alsmede alle daarop in mindering strekkende betalingen. Hieruit volgt dat de betalingen van 28 januari 2019, 28 februari 2019, 28 maart 2019 en 28 april 2019 - van welke betalingen [gedaagde] bewijzen heeft overgelegd - alle door VGZ zijn ontvangen en in mindering zijn gebracht op het verschuldigde. VGZ heeft ten aanzien van de door [gedaagde] overgelegde bewijzen met betrekking tot verrichte betalingen in 2018 gesteld dat deze alle betrekking hebben op verschuldigde bedragen uit het jaar 2018. [gedaagde] heeft dat niet weersproken, zodat de kantonrechter er van uit gaat dat de betalingen uit 2018 geen betrekking hebben op hetgeen thans wordt gevorderd.

4.3.

In tegenstelling tot hetgeen [gedaagde] heeft gesteld, blijkt uit het door VGZ overgelegde overzicht niet dat de premie in de periode januari tot en met mei 2019 volledig is voldaan. Naast het feit dat [gedaagde] maandelijks een te laag bedrag aan premie heeft betaald, heeft [gedaagde] immers de premie van de maand februari 2019 (VGZ heeft zijn betalingen van 28 januari en 28 februari 2019 afgeboekt op de premie over de maanden januari respectievelijk maart 2019) en de zorgkostennota’s van 11 maart 2019 en 11 juni 2019 onbetaald gelaten. Blijkens het overzicht van VGZ betekent dit dat er, rekening houdend met de door [gedaagde] aan VGZ verrichte betalingen, ten tijde van de dagvaarding een bedrag van € 541,68 aan hoofdsom open stond. [gedaagde] heeft geen betalingsbewijzen overgelegd waaruit volgt dat er meer of anders is betaald, zodat van de juistheid van het overgelegde overzicht en de daaruit voortvloeiende hoofdsom van € 541,68 wordt uitgegaan.

4.4.

VGZ maakt aanspraak op een vergoeding voor de door haar gemaakte buitengerechtelijke incassokosten. Deze vordering dient beoordeeld te worden aan de hand van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Artikel 6:96 lid 6 BW vereist voor toewijzing van deze vordering dat [gedaagde] door VGZ (kosteloos) is aangemaand tot betaling. VGZ heeft diverse veertiendagenbrieven overgelegd. De bij dagvaarding overgelegde brieven van 15 mei 2019 en 13 augustus 2019 voldoen echter niet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW, nu beide brieven geen kosteloze aanmaningen zijn in de zin van laatstgenoemd artikel. De door VGZ bij conclusie van repliek overgelegde brief van 13 juni 2019 voldoet wél aan die eisen. Op grond van artikel 3:37 lid 3 BW dient een tot een bepaalde persoon gerichte verklaring, in dit geval de veertiendagenbrief, om haar werking te hebben die persoon te hebben bereikt. [gedaagde] stelt geen brieven te hebben ontvangen. Nu VGZ zich op de rechtsgevolgen van haar stelling beroept, is het op grond van artikel 150 Rv aan VGZ om te bewijzen dat [gedaagde] de veertiendagenbrief van 13 juni 2019 heeft ontvangen. Nu deze brief niet aangetekend is verzonden, valt niet met zekerheid vast te stellen dat [gedaagde] deze heeft ontvangen. VGZ heeft ook gesteld dat de veertiendagenbrief per e-mail is gezonden. De kantonrechter kan uit de overgelegde veertiendagenbrief van 13 juni 2019 echter niet afleiden dat deze per e-mail is verzonden én dat deze [gedaagde] ook heeft bereikt. Derhalve oordeelt de kantonrechter dat [gedaagde] de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten niet is verschuldigd.

4.5.

[gedaagde] heeft voorts gesteld dat het voeren van onderhavige procedure niet nodig was, nu er een betalingsregeling van € 125,00 per maand is getroffen. Te dien aanzien overweegt de kantonrechter dat door VGZ gesteld is dat de betalingsregeling van € 125,00 per maand eerst op 22 november 2019 tot stand is gekomen. Daartoe heeft VGZ de schriftelijke bevestiging van de betalingsregeling, gedateerd 22 november 2019, in het geding gebracht. De betalingsregeling is derhalve eerst ná het betekenen van de dagvaarding tot stand gekomen. De kantonrechter volgt [gedaagde] niet in zijn stelling dat de procedure om die reden onnodig is doorgezet. VGZ heeft in de dagvaarding immers duidelijk uiteengezet dat de volledige vordering voor de eerste zittingsdag voldaan diende te worden, bij gebreke waarvan de procedure zal worden doorgezet. Bovendien is in de schriftelijke bevestiging van de betalingsregeling van 22 november 2019 medegedeeld dat de dagvaarding niet zal worden ingetrokken vanwege het treffen van de betalingsregeling.

VGZ heeft erkend dat [gedaagde] op 6 december 2019 een bedrag van € 125,00 heeft voldaan uit hoofde van de getroffen betalingsregeling. VGZ heeft daarbij te kennen gegeven haar vordering niet met de betaling van 6 december 2019 te verminderen, nu zij haar vordering bij dagvaarding heeft beperkt tot € 500,00 en de totale vordering - verminderd met de betaling van 6 december 2019 - nog altijd meer dan het gevorderde bedrag van € 500,00 zou bedragen. De kantonrechter overweegt daarover als volgt. Zoals hiervoor bij r.o. 3.2. opgenomen, heeft VGZ de totale vordering in de dagvaarding gespecificeerd tot een bedrag van € 687,91, inclusief buitengerechtelijke kosten ad € 137,54. Nu de buitengerechtelijke kosten worden afgewezen, betekent dit dat de totale vordering nog € 550,37 bedraagt. In dat geval heeft de betaling van 6 december 2019 van € 125,00 invloed op de tot € 500,00 beperkte vordering van VGZ. Het bovenstaande leidt er dan ook toe dat er aan hoofdsom een bedrag van € 425,37 (€ 550,37 verminderd met de betaling van € 125,00) zal worden toegewezen.

Op de door [gedaagde] bij zijn schriftelijke verweer op de rolzitting van 4 maart 2020 overgelegde betalingsbewijzen van betalingen op 28 januari 2019 en 25 februari 2019, beide ter grootte van € 125,00, heeft VGZ niet meer kunnen reageren, zodat de kantonrechter hiermee thans geen rekening kan houden. Wel gaat de kantonrechter er van uit dat, indien de door [gedaagde] genoemde betalingen van 28 januari 2019 en 25 februari 2019 daadwerkelijk door VGZ zijn ontvangen, VGZ deze in mindering zal brengen op de hierna toe te wijzen hoofdsom.

4.6.

Hetgeen partijen voor het overige nog naar voren hebben gebracht, kan niet tot een ander oordeel leiden.

4.7.

[gedaagde] zal, als de overwegend in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld. De apart gevorderde nakosten zullen worden toegewezen als hierna vermeld, nu de proceskostenveroordeling hiervoor reeds een executoriale titel geeft en de kantonrechter van oordeel is dat de nakosten zich reeds vooraf laten begroten. De daarover gevorderde btw wordt afgewezen, aangezien het salaris van de gemachtigde buiten de btw blijft.

5. De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] om aan VGZ tegen kwijting te betalen € 425,37 aan hoofdsom, vermeerderd met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de dag van de dagvaarding tot de dag van algehele voldoening;

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van VGZ vastgesteld op :

  • -

    € 224,01 aan verschotten (waarvan € 121,00 aan griffierecht en € 103,01 aan dagvaardingskosten) en

  • -

    € 144,00 aan salaris voor de gemachtigde;

en indien [gedaagde] niet binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis vrijwillig aan dit vonnis heeft voldaan, begroot op € 36,00 aan nasalaris. Indien daarna betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, dient het bedrag aan nasalaris nog te worden verhoogd met de kosten van betekening;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het méér of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.M. van Breevoort en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

44487