Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:2854

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
10-04-2020
Datum publicatie
16-04-2020
Zaaknummer
8024816
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering advocaatskosten. Toevoeging ingetrokken. Niet gebleken dat partijen zijn overeengekomen dat advocaat werkzaamheden gratis zou verrichten. Vordering toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8024816 \ CV EXPL 19-38732

uitspraak: 10 april 2020

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

[eiseres] , h.o.d.n. [handelsnaam] ,

wonende en zaakdoende te [plaats] ,

eiseres,

gemachtigde: H. Oude Elferink te Amsterdam,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats gedaagde] ,

gedaagde,

procederend in persoon.

Partijen worden hierna aangeduid als ‘ [eiseres] ’ en ‘ [gedaagde] ’.

1 Het procesverloop

1.1.

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen:

  • -

    het exploot van dagvaarding met producties van 2 september 2019;

  • -

    de conclusie van antwoord met een productie;

  • -

    de conclusie van repliek met producties;

  • -

    de conclusie van dupliek.

1.2.

De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.

2 De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen, voor zover van belang, het volgende vast.

2.1.

[eiseres] heeft, als advocaat, van augustus 2015 tot en met oktober 2018, [gedaagde] bijgestaan in een geschil dat [gedaagde] heeft met De Staat en Politie Rotterdam.

2.2.

[eiseres] heeft haar werkzaamheden aanvankelijk verricht op basis van gefinancierde rechtsbijstand (hierna: toevoeging).

2.3.

[gedaagde] heeft in november 2018 te kennen gegeven dat zij niet langer gebruik wenst te maken van de dienstverlening van [eiseres] .

2.4.

Op 8 april 2020 heeft de Raad voor Rechtsbijstand een brief gezonden aan [gedaagde] , waarin zij (voor zover van belang) vermeld:

Tenzij zwaarwegende omstandigheden zich daartegen verzetten, wordt ingevolge art. 34 g lid 1 sub b Wet op de rechtsbijstand de toevoeging met terugwerkende kracht ingetrokken indien op het moment van de definitieve afhandeling van de zaak de rechtzoekende als resultaat van die zaak een vordering met betrekking tot een geldsom heeft ter hoogte van tenminste 50% van het heffingsvrije vermogen.

Van uw advocaat ontvingen wij bericht dat de rechtsbijstand in uw zaak is geëindigd. Uit de door de advocaat meegestuurde stukken blijkt dat u recht heeft op een bedrag dat gelijk aan of hoger is dan 50% van het heffingsvrije vermogen.

De Raad heeft daarom het voornemen om de toevoeging met terugwerkende kracht in te trekken. De consequentie hiervan is, dat de advocaatkosten volledig voor uw eigen rekening zullen komen. (…)

De raad geeft u veertien dagen de mogelijkheid schriftelijk te reageren op dit voornemen.”

2.5.

Op 26 april 2019 heeft de Raad voor Rechtsbijstand opnieuw een brief verzonden aan [gedaagde] , waarin ditmaal (opnieuw voor zover van belang) is vermeld:

Uw toevoeging wordt ingetrokken. Dit betekent dat de advocaatkosten op basis van het normale tarief bij u in rekening kunnen worden gebracht.”

2.6.

[eiseres] heeft aan [gedaagde] een declaratie gezonden van in totaal € 31.349,21. [gedaagde] is niet overgegaan tot betaling van deze declaratie.

3 De vordering

3.1.

[eiseres] heeft bij dagvaarding gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen aan haar te betalen:

 primair, een bedrag van € 31.349,21 ter zake van de openstaande factuur;

subsidiair: een door de kantonrechter te bepalen bedrag ter zake van het door [gedaagde] verschuldigde redelijk loon;

  • -

    een bedrag van € 1.088,49 ter zake van buitengerechtelijke kosten;

  • -

    een bedrag van € 240,48 ter zake van de wettelijke rente over de onbetaald gelaten facturen berekend tot en met 24 mei 2019, te vermeerderen met de wettelijke rente over die facturen vanaf laatstgenoemde datum, tot aan de dag van de algehele voldoening;

dit alles met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure. Het voorgaande met dien verstande dat [eiseres] haar totale vordering maximeert tot een bedrag van € 25.000,- en geen aanspraak maakt op het meerdere.

3.2.

Aan haar vordering heeft [eiseres] (zakelijk weergegeven en voor zover van belang) het volgende ten grondslag gelegd. Omdat de toevoeging van [gedaagde] is ingetrokken, brengt [eiseres] ruim 132 uren, die zij aan de zaak van [gedaagde] heeft besteed, tegen een uurtarief van

€ 195,- (exclusief btw) in rekening, overeenkomstig hetgeen partijen daaromtrent overeengekomen zijn.

3.3.

[gedaagde] heeft de vordering betwist en heeft daartoe (zakelijk weergegeven en voor zover van belang) het volgende aangevoerd. Primair voert [gedaagde] aan dat [eiseres] niet ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat pas aan het einde van haar zaak tegen De Staat vaststaat of de kosten voor rechtsbijstand door [gedaagde] moeten worden betaald. Omdat de zaak nog loopt is de onderhavige procedure prematuur. Daarnaast heeft [eiseres] toegezegd dat zij [gedaagde] in haar vrije tijd zou helpen en dat dit [gedaagde] niets zou kosten. [eiseres] weet ook dat [gedaagde] de kosten van [eiseres] niet kan betalen. [gedaagde] is het voorts niet eens met de door [eiseres] opgevoerde kosten en zij betwist de door [eiseres] verrichte werkzaamheden.

4 De beoordeling

4.1.

Tussen partijen staat niet ter discussie dat [eiseres] [gedaagde] heeft bijgestaan op basis van een toevoeging, dat deze bijstand van [eiseres] door [gedaagde] is beëindigd en dat de toevoeging is ingetrokken. Aan het primaire verweer van [gedaagde] dat deze procedure prematuur is, zal de kantonrechter dan ook voorbijgaan. De zaak is immers op initiatief van [gedaagde] voor [eiseres] geëindigd, zodat het verdere verloop van die procedure voor [eiseres] niet meer relevant is.

4.2.

Wat partijen verder met name verdeeld houdt is de vraag of partijen zijn overeengekomen dat [eiseres] na intrekking van de toevoeging aanspraak kan maken op een uurtarief van € 195,-, of dat zij nergens meer aanspraak op kan maken. Daaromtrent overweegt de kantonrechter het volgende.

4.3.

[eiseres] heeft haar stelling dat partijen een uurtarief van € 195,- zijn overeengekomen, voor het geval de toevoeging zou worden ingetrokken, onderbouwd. Zij stelt dat zij dit heeft opgenomen in de opdrachtbevestiging die zij per post aan [gedaagde] heeft toegezonden. [gedaagde] voert aan dat zij de opdrachtbevestiging niet heeft ontvangen. [eiseres] stelt daarnaast dat haar honorarium, als schadepost voor [gedaagde] , steeds onderdeel is geweest van de onderhandelingen met De Staat, hetgeen zij ondersteunt met diverse e-mails waaruit dit volgt.

4.3.1.

[gedaagde] voert aan dat de betreffende e-mails zijn verzonden naar een e-mailadres dat zij al lange tijd niet meer gebruikt. Gezien de inhoudelijke relevantie van de opdrachtbevestiging en de e-mails komt dit verweer de kantonrechter als merkwaardig voor, maar wat daar ook van zij, [gedaagde] heeft niet betwist dat zij de e-mail van [eiseres] , die als productie 2 bij dagvaarding is overgelegd, heeft ontvangen. Deze e-mail is verzonden aan een ander e-mailadres dan de voornoemde e-mails. In de e-mail staat vermeld:

Met het oog op jouw gesprek bij de staatssecretaris stuur ik je voor de volledigheid ook de pro forma nota’s rechtsbijstand. Dit zijn de kosten zoals tot op heden gemaakt en die dienen tzt te worden meegenomen in eventuele schikkingsonderhandelingen.”

4.3.2.

In een latere mail van [eiseres] aan [gedaagde] van 21 december 2018, waarvan de ontvangst eveneens niet is betwist, staat voorts vermeld:

Het voorstel zoals het er ligt is zodanig dat de Raad voor Rechtsbijstand de toevoeging zal intrekken en de kosten rechtsbijstand aan jou zullen worden doorberekend – deze consequenties zijn aan jou eerder gecommuniceerd in de e-mails van 28 september 2018 en 8 november 2018 en ook reeds aangekondigd in mijn opdrachtbrief van 6 juli 2016.

4.3.3.

Gesteld noch gebleken is dat [gedaagde] heeft geprotesteerd tegen de inhoud van deze e-mails, waaruit, conform de stelling van [eiseres] , volgt dat [gedaagde] wist dat de kosten onderdeel waren van de onderhandelingen. Bovendien meldt [gedaagde] zelf in de (door haar bij conclusie van antwoord overgelegde) klacht die zij ten aanzien van [eiseres] bij de Orde van Advocaten heeft ingediend:

Nu claimt ze alle uren t.w.v. € 31.349,21 (bijlage declaraties mw. [eiseres] ) zonder dat er een schikking tot stand is gekomen, maar haar declaratie zou wel door de Staat worden vergoed.”

4.3.4.

Uit de voornoemde e-mails en de klacht bij de Orde van Advocaten op zichzelf en in onderlinge samenhang bezien volgt dat het honorarium van [eiseres] , als schadepost voor [gedaagde] , onderdeel was van de onderhandelingen met De Staat. Dit verhoudt zich niet met de stelling van [gedaagde] dat [eiseres] haar werkzaamheden om niet verrichte. [gedaagde] heeft hier ook geen andere verklaring voor gegeven.

4.4.

Tegenover deze onderbouwde stelling van [eiseres] heeft [gedaagde] haar verweer dat [eiseres] haar kosteloos zou bijstaan op geen enkele wijze onderbouwd. De kantonrechter merkt daarbij terzijde op dat kosteloze bijstand bovendien merkwaardig is, gezien de tijdsinvestering van [eiseres] en de onbetwiste stelling van [eiseres] dat partijen geen vriendschappelijke relatie met elkaar hebben. Nu de stellingen van [eiseres] door [gedaagde] niet gemotiveerd zijn betwist, komt de kantonrechter aan het door [gedaagde] gedane bewijsaanbod, te weten het horen van een getuige die bij het gesprek in 2015 aanwezig was, niet toe en staat in deze procedure dan ook vast dat partijen zijn overeengekomen dat [eiseres] haar uren tegen, het verder qua hoogte niet betwiste, uurtarief van € 195,- in rekening zou brengen indien de toevoeging zou worden ingetrokken.

4.5.

De omvang van de werkzaamheden is door [eiseres] gemotiveerd, doordat zij gespecificeerde nota’s in het geding heeft gebracht, waarin de urenomvang per tijdseenheid van 6 minuten is verantwoord. [gedaagde] heeft weliswaar aangevoerd dat zij de omvang van de gedeclareerde werkzaamheden betwist, maar zij heeft niet aangegeven op welk punt de urenspecificatie onjuist is. Als onvoldoende gemotiveerd betwist staat de urenomvang dan ook vast. Op basis van het voorgaande wordt de primaire vordering van [eiseres] , te weten veroordeling van [gedaagde] tot betaling van het openstaande factuurbedrag van € 31.349,21, in beginsel toegewezen. De door [gedaagde] aangevoerde betalingsonmacht maakt dit niet anders, aangezien deze [gedaagde] niet ontheft van haar betalingsverplichtingen.

4.6.

[eiseres] maakt aanspraak op een vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. [eiseres] heeft daartoe een aanmaning verzonden die voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. De hoogte van de gevorderde vergoeding van € 1.088,49 is berekend conform het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten en ligt dan ook voor toewijzing gereed.

4.7.

De wettelijke rente over de onbetaald gelaten facturen, die berekend tot de dag van dagvaarding € 240,48 bedraagt, ligt als niet betwist en op de wet gegrond eveneens voor toewijzing gereed.

4.8.

[eiseres] heeft haar totale vordering gemaximeerd tot een bedrag van € 25.000-, waarbij zij geen aanspraak maakt op het meerdere. De kantonrechter zal [gedaagde] daarom veroordelen tot betaling van een bedrag van € 25.000,- aan [eiseres] .

4.9.

Als de in het ongelijk gestelde partij wordt [gedaagde] veroordeeld in de kosten van deze procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] begroot op € 571,18 aan verschotten (€ 486,- aan griffierecht en € 85,18 aan dagvaardingskosten) en € 960,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten à € 480,-).

5 De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] tegen kwijting te betalen € 25.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente over de onbetaald gelaten facturen, vanaf 24 mei 2019 tot aan de dag van algehele voldoening;

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van [eiseres] vastgesteld op

€ 571,18 aan verschotten en € 960,- aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.I. Mentink en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

33394